Keur Waterschap Rivierenland 2009

Homepage > Digitaal loket > Regelgeving > Keur Waterschap Rivierenland 2009

Sidebar

Inhoudsopgave

  1. Aanhef
  2. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
    1. Artikel 1.1      Begripsomschrijvingen
    2. Artikel 1.2      Hoofdelijke aansprakelijkheid
  3. Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken
    1. Gebodsbepalingen
    2. Artikel 2.1      Afrasteringen
    3. Artikel 2.2      Coupures en sluizen
    4. Artikel 2.3      Stuwen
    5. Algemene onderhoudsplicht ten aanzien van alle waterstaatswerken
    6. Onderhoudsplicht ten aanzien van waterkeringen
    7. Onderhoudsplicht ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen
  4. Hoofdstuk 3 Handelingen in het watersysteem
    1. Handelingen in, op, boven, over of onder waterstaatswerken
    2. Handelingen met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen
    3. Handelingen met betrekking tot het onttrekken en infiltreren van grondwater
    4. Vrijstelling verboden - Algemene regels - Zorgplicht
  5. Hoofdstuk 4 Vaarwegen
    1. Artikel 4.1      Verbodsbepalingen vaarwegen
    2. Artikel 4.2      Vrijstelling vergunningplicht
    3. Artikel 4.3      Melding
    4. Artikel 4.4    Maximale scheepvaartafmetingen
    5. Artikel 4.5   Vaarverbod tussen zonsondergang en zonsopgang
    6. Artikel 4.6    Vaarverbod bij bepaalde waterstanden en ijsdiktes
    7. Artikel 4.7    Verbod afmeren haaks op lengterichting vaarweg
    8. Artikel 4.8    Bedieningstijden
    9. Artikel 4.9    Tijdelijke maatregelen
  6. Hoofdstuk 5 Het visplan ter bescherming van de ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen
    1. Artikel 5.1      Visplan
  7. Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving
    1. Artikel 6.1      Schouw
    2. Artikel 6.2      Aanwijzing toezichthouders
    3. Artikel 6.3      Strafbepalingen
  8. Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen
    1. Artikel 7.1      Vergunningen
    2. Artikel 7.2      Keurkaart
    3. Artikel 7.3      Zones
    4. Artikel 7.4      Onderhoud aan waterstaatswerken
    5. Artikel 7.5      Inwerkingtreding
    6. Artikel 7.6      Citeertitel
  9. Toelichting Keur Waterschap Rivierenland 2009
    1. Artikelsgewijze toelichting
    2. Hoofdstuk 1  Algemene bepalingen
    3. Hoofdstuk 2  Beheer en onderhoud van waterstaatswerken
    4. Gebodsbepalingen
    5. Hoofdstuk 3  Handelingen in het watersysteem
    6. Algemeen
    7. Handelingen in, op, boven, over of onder waterstaatswerken
    8. Handelingen met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen
    9. Handelingen met betrekking tot het onttrekken en infiltreren van grondwater
    10. Vrijstelling verboden – Algemene regels –  Zorgplicht
    11. Hoofdstuk 4  Vaarwegen
    12. Algemeen
    13. Vaarvergunning
    14. Overige regelgeving vaarwegen
    15. Artikelsgewijze toelichting
    16. Hoofdstuk 5  Het visplan ter bescherming van de ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen
    17. Hoofdstuk 6  Toezicht en handhaving
    18. Hoofdstuk 7  Overgangs- en slotbepalingen
  10. Algemene regels
    1. Inleiding algemene regels

bijlagen

  1. bijlage_keur_wsrl2009_algemene_regels_principetekeningen_1totenmet12.pdf (623 Kb)
  2. bijlage_keur_wsrl2009_drainage_vergunningen.pdf (6446 Kb)
  3. bijlage_keur_wsrl2009_vaarwegen.pdf (6628 Kb)
  4. bjjlage_keur_wsrl2009_principetekeningvankern-beschermings-enbuitenbeschermingszones.pdf (148 Kb)
  5. keurkaartwaterkeringen_qd2009_type2_v3a.pdf (2143 Kb)
  6. begrippenkaderwaterwet.doc (27 Kb)
  7. bijlagezoneringenafmetingregionalewaterkeringen.doc (30 Kb)
  8. advertentie_hahblad_week50_2009.pdf (839 Kb)
  9. inleiding_keur_wsrl_2009.pdf (37 Kb)

download

  1. html
  2. pdf

Gedelegeerde producten

  1. Werkzaamheden in de buurt van water of dijk, watervergunning
  2. Werkzaamheden in de buurt van water of dijk, melding
  3. Onttrekken van grondwater te gebruiken als grondstof of gietwater, watervergunning, melding
  4. Graven van wateren, melding
  5. Verbreden of verlengen van wateren, melding
  6. Stimuleringsregeling duurzame inrichting waterketen, subsidie
  7. Dempen van wateren, melding
  8. Aanbrengen van anti-worteldoek in A- en B-watergangen, melding
  9. Kruisen van C-wateren met kabels/ leidingen, melding
  10. Permanente onttrekkingpunten maken in A- en B-wateren, melding
  11. Dam met duiker in B-water plaatsen, melding
  12. Brug over B- en C-wateren plaatsen, melding
  13. Betuining plaatsen in wateren niet in onderhoud bij Waterschap Rivierenland, melding
  14. Frontmuren bij dammen en duikers plaatsen, melding
  15. Bomen planten langs A- en B-wateren, melding
  16. Objecten en kunstwerken verwijderen uit kern-/beschermingszone dijk, melding
  17. Afrastering plaatsen en hebben langs wateren, melding
  18. Beschoeiing plaatsen, melding
  19. Damwand plaatsen, melding
  20. Dam met duiker plaatsen in C-wateren, melding
  21. Steiger aanbrengen en hebben, melding
  22. Uitstroomvoorziening plaatsen en hebben in wateren in beheer van waterschap, melding
  23. Gras en eenjarige gewassen aanbrengen in beschermingszones dijken, melding
  24. Afrastering voor veekering in kern- en beschermingszone van waterkering plaatsen, hebben en onderhouden, melding
  25. Percelen in beschermingszone dijk gebruiken als tuin- en bouwland, melding
  26. Erfverharding in beschermingszone dijk, melding
  27. Niet-dijkkruisende kabels en leidingen voor huisaansluitingen in beschermingszone dijk, melding
  28. Verbouwingen aan panden in beschermingszone dijk, melding
  29. Wegonderhoud openbare wegen in beschermingszone dijken, melding
  30. Tijdelijke/ semi-permanente objecten in beschermingszone dijk, melding
  31. Voorbeeldregels voor bestemmingsplannen, toepassen
  32. Visrechten, uitgifte

Keur Waterschap Rivierenland 2009

(geconsolideerde versie, geldend vanaf 22-12-2009)

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Waterschap Rivierenland
Officiële naam regeling Keur Waterschap Rivierenland 2009
Citeertitel Keur Waterschap Rivierenland 2009
Vastgesteld door algemeen bestuur
Onderwerp ruimtelijke ordening - waterkeringen en waterbeheer; bestuur en recht; milieu – water

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Advertentie in diverse huis-aan-huis-bladen in het hele gebied van het waterschap in week 50, 2009, a.o. in Kontakt Alblasserwaard, 10-12-2009. Een kopie van deze advertentie is als bijlage opgenomen bij deze regeling (zie onder "bijlagen")

: 27-11-2009
: Kontakt Alblasserwaard, 10-12-09

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk voorstel

22-12-2009

nvt

27-11-2009

Kontakt Alblasserwaard, 10-12-09

200928609

Aanhef

Het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland;

gelezen het voorstel van het college van dijkgraaf en heemraden d.d. 6 mei 2009;

gelet op artikel 59 van de Watercshapwet;

BESLUIT:

vast te stellen de Keur Waterschap Rivierenland 2009;

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1      Begripsomschrijvingen

In deze keur wordt verstaan onder:

  1. bergingsgebied: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen;
  2. bestuur: het dagelijks bestuur van Waterschap Rivierenland;
  3. bronbemaling: het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen;
  4. grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen, voor zover het waterschap door de Wet met het beheer over dat grondwater is belast;
  5. infiltreren van water: water in de bodem brengen, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater;
  6. insteek van het oppervlaktewater: snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld;
  7. kernzone, beschermingszone, en buitenbeschermingszone (keurzones): de zone behorend tot en langs waterstaatswerken, die als zodanig in de legger is aangegeven, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze keur van toepassing zijn;
  8. (ondersteunend) kunstwerk: waterstaatkundige bouwwerk dat van belang is voor de functie die waterstaatswerken hebben, dan wel uit andere hoofde behoort tot of gelegen is in, op, over of onder een waterstaatswerk;
  9. legger: als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet of in artikel 78 tweede lid van de Waterschapswet;
  10. onttrekken: onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting;
  11. oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Wet, drogere oevergebieden alsmede flora en fauna;
  12. profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire of regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen aan de waterkering;
  13. waterkering: kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben;
  14. watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en grondwaterlichamen;
  15. waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk, die als zodanig in de legger zijn aangegeven;
  16. watervergunning: vergunning als bedoeld in de Wet;
  17. werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren;.
  18. Wet: Waterwet.

Artikel 1.2      Hoofdelijke aansprakelijkheid

  1. De verplichtingen ingevolge deze keur berusten op de eigenaar van gronden.
  1. Wanneer die gronden met een beperkt recht zijn bezwaard, dan wel krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, rusten de in deze keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen ook op de beperkt gerechtigden en in geval er sprake is van een persoonlijk gebruiksrecht op de gebruikers.
  1. Voor de nakoming van de in deze keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen is ieder van de in het tweede lid genoemde gerechtigden alsmede de eigenaar hoofdelijk aansprakelijk.

Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

Gebodsbepalingen

Artikel 2.1      Afrasteringen

  1. De eigenaren, van gronden die gebruikt worden voor het houden van dieren en die gelegen zijn nabij waterstaatswerken kunnen door het bestuur verplicht worden langs hun gronden een voldoende kerende afrastering aan te brengen en te onderhouden.
  1. Het bestuur kan algemene regels stellen omtrent afrasteringsconstructies en wijze van plaatsing.

Artikel 2.2      Coupures en sluizen

De eigenaren van in waterkeringen voorkomende coupures en sluizen zijn verplicht deze op eerste aanzegging door of namens het bestuur terstond te sluiten.

Artikel 2.3      Stuwen

  1. De eigenaren van aangewezen stuwen zorgen ervoor dat deze op eerste aanzegging door of namens het bestuur op een peil worden gesteld als in de aanzegging is aangegeven.
  1. Het bestuur besluit omtrent de aanwijzing van stuwen en van stuwpeilen bedoeld in het eerste lid.

Algemene onderhoudsplicht ten aanzien van alle waterstaatswerken

Artikel 2.4      Onderhoudsplicht

Onderhoudsplichtig zijn diegenen, die in de legger tot het plegen van gewoon en/of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken zijn aangewezen.

Onderhoudsplicht ten aanzien van waterkeringen

Artikel 2.5      Gewoon onderhoud aan waterkeringen

De onderhoudsplichtigen zorgen voor een goede toestand van de waterkeringen door het bestrijden van schadelijk wild, het herstellen van beschadigingen, het verwijderen van drijfvuil en het in stand houden van begroeiingen en materialen, dienstig aan de waterkering. Onderhoudsplichtigen moeten begroeiingen die schadelijk zijn voor de instandhouding van de waterkering verwijderen.

Artikel 2.6      Buitengewoon onderhoud aan waterkeringen

  1. De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht tot instandhouding overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie.
  1. Buitengewoon onderhoud mag niet worden uitgevoerd in de periode van 15 oktober tot 1 april.

Artikel 2.7      Onderhoud aan ondersteunende kunstwerken en werken

De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken en/of werken die in, op, aan of boven de kernzone van waterkeringen of de (buiten)beschermingszone zijn aangebracht en een (mede)waterkerende functie hebben, zijn verplicht deze waterkerend te houden.

Onderhoudsplicht ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.8      Gewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot het daaruit verwijderen van begroeiingen en afval, tot het in stand houden van die oppervlaktewaterlichamen en tot het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies die aan die oppervlaktewaterlichamen zijn toegekend.

Artikel 2.9      Buitengewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 2.10    Onderhouds- en ontvangstplicht ten aanzien van bermsloten

  1. Bij het onderhoud aan de bij de legger aangewezen bermsloten worden alle specie en maaisel op de tegenover de weg liggende gronden gedeponeerd.
  1. Indien er zich omstandigheden voordoen waarbij het, gezien het feitelijke gebruik van de tegenover de weg liggende gronden, in redelijkheid niet mogelijk is om de specie en het maaisel op de in het vorige lid bedoelde wijze te deponeren, dan worden alle specie en maaisel  gebracht op de wegberm. In dat geval zijn de eigenaren van de tegenover de weg liggende gronden verplicht alle specie en maaisel binnen 30 dagen van de bermen te verwijderen.
  1. De leden 1 en 2 zijn alleen van toepassing op buiten de bebouwde kom gelegen bermsloten andere dan rijks- en provinciale wegen en voor zover niet bij vergunning anders is bepaald.

 

Hoofdstuk 3 Handelingen in het watersysteem

Handelingen in, op, boven, over of onder waterstaatswerken

Artikel 3.1      Watervergunning waterstaatswerken

  1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:
    1. werkzaamheden te verrichten;
    2. werken of (opgaande hout-) beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen;
    3. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben, of te (be)houden;
    4. activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen;
    5. buiten openbare verharde wegen met rij- of voertuigen, dan wel met een lastdier te rijden of vee te drijven;
    6. zich anders dan als rechthebbende te bevinden als dat is aangegeven op een voor het publiek kenbare wijze;
  1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden in de kernzone van een  oppervlaktewaterlichaam de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden.
  1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden om in de kernzone van een waterkering;
    1. bemesting toe te passen;
    2. dijkbekledingen te beschadigen.
  1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden in de buitenbeschermingszone van een waterkering:
    1. afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten;
    2. werken met een overdruk van 10 bar te plaatsen en te hebben;
    3. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben.
  1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden in het profiel van vrije ruimte van een waterstaatswerk werken te plaatsen of te behouden.

Artikel 3.2      Watervergunning nieuwe waterstaatswerken

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken.

Artikel 3.3      Watervergunning afmeren of ligplaats nemen/hebben binnen de kernzone van waterstaatswerken

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden binnen de kernzone van waterstaatswerken, anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen, vaartuigen of vlotten af te meren, te laden of te lossen, of daarmee ligplaats te nemen of te hebben, tenzij in verband met door het bestuur toegestane recreatieve activiteiten.

Artikel 3.4      Watervergunning drainage

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden om, in gebieden zoals aangegeven op de bij deze keur behorende kaart, door middel van drainagebuizen gronden te ontwateren.

Handelingen met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen

Artikel 3.5       Watervergunning lozen vanaf nieuw verhard oppervlak

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak op een oppervlaktewaterlichaam te lozen.

Artikel 3.6      Watervergunning af- en aanvoeren

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 3.7      Watervergunning en meldplicht lozen

  1. a. vergunningplicht
  1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden:
    1. meer dan 100 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als A-wateren;
    1. meer dan 30 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als B-wateren;
    1. meer dan 1 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als C-wateren;
  1. b. meldplicht
    1. Degene die tot maximaal 100 m3 water per uur loost in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als A-wateren, dient deze lozing (tenminste 14 dagen van te voren) te melden aan het bestuur;
    1. Degene die tot maximaal 30 m3 water per uur loost in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als B-wateren, dient deze lozing (tenminste 14 dagen van te voren) te melden aan het bestuur.

Artikel 3.8      Watervergunning en meldplicht onttrekken

  1. a. vergunningplicht
  1. Behoudens het gestelde onder b van dit artikel en artikel 3.18 is het zonder vergunning van het bestuur verboden, water te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als A-, B- of C-wateren;
  1. b. meldplicht
    1. Degene die tot maximaal 30 m3 water per uur onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als A-wateren, dient deze onttrekking (tenminste 14 dagen van te voren) te melden aan het bestuur;
    1. Degene die tot maximaal 10 m3 water per uur onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als B-wateren, dient deze onttrekking (tenminste 14 dagen van te voren) te melden aan het bestuur.

Handelingen met betrekking tot het onttrekken en infiltreren van grondwater

Artikel 3.9      Watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem

  1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden :
    1. grondwater te onttrekken, indien de hoeveelheid te onttrekken water meer kan bedragen dan 10 m3 per uur;
    2. grondwater te ontrekken ten behoeve van het permanent droog houden of beschermen van ondergrondse bouwwerken;
    3.  water in de bodem te infiltreren, indien de hoeveelheid te infiltreren water meer kan bedragen dan 10 m3 per uur.
  1. Geen vergunning krachtens het vorige lid onder a. is vereist, indien het betreft het onttrekken van grondwater uitsluitend voor:
    1. bronbemaling of proefbemaling, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 100 m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden en niet meer bedraagt dan 100.000 m3;
    2.  grondwatersanering en bodemsanering, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 20 m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan 36 maanden en niet meer bedraagt dan 100.000 m3;
    3. beregening, bevloeiing of veedrenking, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 60 m3 per uur;
    4. een noodvoorziening;
    5. overige doeleinden, indien de hoeveelheden te onttrekken grondwater minder bedragen dan 10 m3 per uur en 50.000 m3 per kalenderjaar.
  1. Geen vergunning krachtens het eerste lid is vereist, indien het gaat om het onder vrij verval onttrekken van grondwater bij de ontwatering en afwatering van gronden, met uitzondering van de gebieden zoals aangegeven op de kaart zoals bedoeld in artikel 3.4.

Artikel 3.10    Inrichtingen

  1. Inrichtingen en/of infiltratiewerken die vanwege één opdrachtgever plaatsvinden en die een samenhangend geheel vormen, gelden als één inrichting.
  1. In aanvulling op het voorgaande lid, is er in één of meer van de volgende gevallen geen sprake van een samenhangend geheel indien:
    1. de invloedsgebieden van onttrekkingen en/of infiltraties elkaar niet overlappen;
    2. bij onttrekkingen een periode van zes maanden of langer ligt tussen de beëindiging van een onttrekking en het begin van de volgende onttrekking;
    3. is aangetoond dat voorafgaand aan een opvolgende onttrekking de grondwaterstand en de stijghoogte in de diepere watervoerende pakketten zich hebben hersteld tot het aanvankelijke niveau.

Artikel 3.11    Watervergunningplicht voor bijzondere gebieden

  1. In afwijking van artikel 3.9 geldt het verbod om zonder vergunning grondwater te ontrekken of te infiltreren:
    1. In de provincie Noord-Brabant voor alle onttrekkingen van meer dan 1 m3 per uur voor zover dit betrekking heeft op beschermde gebieden volgens de waterverordening van de provincie Noord Brabant;
    2. In de provincie Zuid-Holland voor alle onttrekkingen voor zover dit betrekking heeft op milieubeschermingsgebieden volgens de Provinciale Milieuverordening van de provincie Zuid- Holland.

Artikel 3.12    Meldplicht onttrekken grondwater

  1. Voor zover er geen vergunningsplicht geldt volgens artikel 3.9 doet degene die grondwater onttrekt, daarvan melding aan het bestuur, indien de hoeveelheid te onttrekken water meer kan bedragen dan 10 m3 per uur of meer dan 12.000 m3 per kalenderjaar;
  1. Degene die een noodvoorziening aanlegt, doet daarvan melding aan het bestuur.

Artikel 3.13    Algemene voorschriften

Het aanbrengen van een onttrekkingspunt, het beheren en buiten gebruik stellen alsmede het meten, registreren en het doen van een opgave, voor zover dit voorgeschreven is, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de door het bestuur vastgestelde algemene voorschriften.

Artikel 3.14    Meet- en registratieplicht

  1. De onttrekker meet, registreert en doet opgave van de onttrokken hoeveelheden grondwater  aan het bestuur indien de ontrokken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 10 m3 per uur of meer bedraagt dan 12.000 m3 per kalenderjaar.
  1. Bij onttrekkingen in gebieden zoals genoemd in artikel 3.11 gelden de verplichtingen genoemd in het voorgaande vanaf een onttrokken hoeveelheid van meer dan 1 m3 per uur in de provincie Noord-Brabant en vanaf 0 m3 per uur in de provincie Zuid-Holland.
  1. Voor degene die water infiltreert, gelden de in het eerste en tweede lid genoemde verplichtingen op overeenkomstige wijze.

Artikel 3.15    Beëindiging of wijziging van de inrichting

  1. Bij wijziging van de inrichting, pompcapaciteit of uitvoering van een onttrekking of infiltratie wordt dit direct door de onttrekker aan het bestuur gemeld.
  1. Een voorgenomen beëindiging van een permanente onttrekking moet zo vroeg mogelijk door de onttrekker aan het bestuur worden gemeld.

Vrijstelling verboden - Algemene regels - Zorgplicht

Artikel 3.16    Vrijstelling verboden - Algemene regels

  1. Het algemeen bestuur kan voor het verrichten van handelingen als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.5, 3.7 en 3.8 algemene regels geven welke kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht, dan wel een algeheel verbod opleggen voor het verrichten van die handelingen.
  1. Bij regeling krachtens het voorgaande lid, kan de verplichting worden opgelegd handelingen te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en daarvan opgave te doen aan het  bestuur.

Artikel 3.17    Vrijstelling verbod onttrekken

  1. Het in artikel 3.8 genoemde verbod vindt geen toepassing indien sprake is van:
    1. incidentele nachtvorstberegening mits sprake is van een peilverlaging van ten hoogste 5 centimeter per onttrekker of
    2. incidentele seizoensonttrekkingen mits sprake is van een peilverlaging van ten hoogste 5 centimeter per onttrekker.
  1. Degene die een onttrekking doet zoals vermeld in het eerste lid, dient de onttrekking te melden aan het bestuur.

Artikel 3.18   Algeheel verbod bij calamiteiten

  1. In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het bestuur - zonodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten - door een daartoe strekkende bekendmaking, verbieden om:
    1. water af te voeren naar, en/of aan te voeren uit een oppervlaktelichamen;
    2.  water te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen;
    3. grondwater te onttrekken of water te infiltreren.
  1. Zodra het bestuur handhaving van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend.

Artikel 3.19    Vrijstelling watervergunningplicht voor beheershandelingen

Geen vergunning krachtens artikel 3.1, 3.2, 3.3, 3.6, 3.7 onder a en 3.8 onder a is vereist voor handelingen die plaats hebben door of in opdracht van het bestuur ten behoeve van het aan het waterschap op grond van artikel 2 Waterschapswet opgedragen beheer.

Artikel 3.20    Nadere regels aanvraag vergunning en melding

  1. Vergunningsaanvragen worden ingediend overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen in het Waterbesluit.
  1. Meldingen worden ingediend met behulp van een door het bestuur vastgesteld meldingsformulier.
  1. De melding bedoeld in de artikelen 3.7 onder b, 3.8 onder b en 3.12 gaat vergezeld van:
    1. een situatietekening, waarop de plaats van het handelen is aangegeven;
    2. een beschrijving van de wijze van af- of aanvoeren, lozen of onttrekken;
    3. een opgave van de aard en herkomst van het water;
    4. het maximum debiet in m3 per uur;
    5. het gemiddeld debiet in m3 per uur;
    6. de aanvang en duur van handelen.
  1. Het bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van melden en het verstrekken van gegevens.
  1. Indien wijziging optreedt in de in het derde lid bedoelde gegevens, doet de meldplichtige daarvan onverwijld melding aan het bestuur.

Artikel 3.21    Zorgplicht

  1. Ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan inbreuk kan worden gemaakt op door het waterschap in het kader van zijn beheer uitgevoerde maatregelen in het watersysteem, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden, ten einde die inbreuk te voorkomen, dan wel indien daarvan reeds sprake is, al het mogelijke te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de inbreuk het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.
  1. Degene die handelingen verricht als bedoeld in het vorige lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het bestuur.
  1. Het bestuur kan aanwijzingen geven over die maatregelen.

Hoofdstuk 4 Vaarwegen

Artikel 4.1      Verbodsbepalingen vaarwegen

Het is verboden zonder vergunning van het bestuur zich op de vaarwegen te bevinden of vaarwegen te bevaren met een vaartuig voortbewogen door mechanische kracht.

Artikel 4.2      Vrijstelling vergunningplicht

  1.  Met inachtneming van de verbodsbepalingen in artikelen 4.4 tot en met 4.6 is voor de volgende wateren geen vergunning krachtens artikel 4.1 vereist voor het varen met vaartuigen voortbewogen door mechanische kracht:
    1. de Linge vanaf de mond van de Korne, de Korne, de gekanaliseerde Linge tussen Arkel en Gorinchem en het Kanaal van Steenenhoek;
    2. de Buiten-Giessen, de Karnemelksloot, de voormalige Vluchthaven, de watergang ten zuiden van de Apollostraat en de zijtak van de Buiten Giessen, gelegen ten noorden van het Peulenplein.
    3. bevaarbare gedeelten van de wateren in de Biesbosch, waaronder de Bakkerskil.

Artikel 4.3      Melding

  1. Met inachtneming van de verbodsbepalingen in artikelen 4.4 tot en met 4.6 is in de volgende wateren geen vergunning krachtens artikel 4.1 vereist voor het varen met vaartuigen voortbewogen door mechanische kracht. In deze gevallen kan worden volstaan met een melding.
    1. de Lage Boezemwateren van de Nederwaard (Het Nieuwe Waterschap, de Alblas, de Groep, de Nauwe Alblas, de Graafstroom en alle daarmee in open verbinding staande wateren);
    2. de Lage Boezemwateren van de Overwaard (het Grote of Achterwaterschap, de Ammerse Boezem, de Ottolandse Vliet, de Kromme Elleboog, de Peursumse Vliet, de Giessen, de Noordeloos, de Smoutjesvliet (tot aan de Dwarsgang), de Dwarsgang en alle daarmee in open verbinding staande wateren);
  1. Degene die met een vaartuig, voortbewogen door mechanische kracht, in het eerste lid genoemde wateren wil varen, doet daarvan tijdig melding aan het bestuur. Na melding worden registratiestickers uitgereikt, die duidelijk zichtbaar aan bakboord- en stuurboordzijde op het vaartuig moeten worden bevestigd.
  1. De vaarvergunningen voor het varen in de Lage Boezemwateren van de Nederwaard en Overwaard, verleend vóór inwerkingtreding van deze keur, moeten worden beschouwd als melding ingevolge deze keur. De in het kader van deze vaarvergunning uitgereikte stickers kunnen als registratiestickers worden gebruikt.
  1. Het is verboden om aan de passantensteigers in de Lage boezemwateren van de Nederwaard en Overwaard:
    1. langer dan drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan aan dezelfde passantensteiger ligplaats te hebben;
    2. met een vaartuig binnen drie dagen nadat dit vaartuig is verplaatst aan dezelfde passantensteiger ligplaats te hebben.
  1. Meldingen worden ingediend met behulp van een door het bestuur vastgesteld meldingsformulier.
  1. Het bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van melden en het verstrekken van gegevens. Indien wijziging optreedt in de gegevens, doet de meldplichtige daarvan onverwijld melding aan het bestuur.

Artikel 4.4    Maximale scheepvaartafmetingen

Het is verboden zich zonder vergunning op de navolgende vaarwegen te bevinden met een vaartuig dat de hierna aangegeven afmetingen of diepgang overschrijdt:

a. de Linge beneden de verkeersbrug te Leerdam, de gekanaliseerde Linge tussen Arkel en Gorinchem en het Kanaal van Steenenhoek:

  •  maximale lengte : 60,00 meter
  •  maximale breedte : 7,50  meter
  •  maximale diepgang : 2,25  meter

b. de Linge boven de verkeersbrug te Leerdam tot aan de sluis bij Asperen:

  • maximale lengte : 47,00 meter
  • maximale breedte : 6,60  meter
  • maximale diepgang : 2,25  meter

c. van de sluis bij Asperen tot de vuilweer te Geldermalsen

  • maximale lengte : 47,00 meter
  • maximale breedte : 6,60  meter
  • maximale diepgang : 1,00  meter meer dan de peilschaal ter plaatse (benedenstrooms) van de sluizen aanwijst boven NAP

d. van de vuilweer te Geldermalsen tot de mond van de Korne en de Korne:

  • maximale lengte : 8,00 meter
  • maximale breedte : 3,00 meter
  • maximale diepgang : 0,80 meter

e. de Lage Boezemwateren van de Nederwaard:

  • maximale lengte : 10,00 meter
  • maximale breedte : 3,00 meter
  • maximale diepgang : 0,80 meter

f. de Lage Boezemwateren van de Overwaard:

  • maximale lengte : 15,00 meter
  • maximale breedte : 4,00 meter
  • maximale diepgang : 0,80 meter

g. de Buiten-Giessen, de Karnemelksloot, de voormalige Vluchthaven, de watergang ten zuiden van de Apollostraat,en de zijtak van de Buiten-Giessen gelegen ten noorden van het Peulenplein.

  • maximale lengte : 20,00 meter
  • maximale breedte : 5,00 meter
  • maximale diepgang : 1,80 meter

Artikel 4.5   Vaarverbod tussen zonsondergang en zonsopgang

  1. Het is verboden de vaarwegen te bevaren met een vaartuig voortbewogen door mechanische kracht tussen een halfuur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang.
  1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het varen op de Linge tussen Gorinchem en de sluis te Asperen.

Artikel 4.6    Vaarverbod bij bepaalde waterstanden en ijsdiktes

  1. Het is verboden te varen door de Gorinchemse Kanaalsluis en op de Linge tussen de verkeersbrug te Leerdam en Geldermalsen als de waterstand ter plaatse NAP +1,20 of meer is.
  1. Het is verboden te varen op de Linge tussen Arkel en de verkeersbrug te Leerdam als de waterstand ter plaatse NAP + 1,40 of meer is.
  1. Het is verboden te varen op de Linge tussen de verkeersbrug te Leerdam en Geldermalsen, de Lage Boezemwateren van de Nederwaard en Overwaard en de Buiten-Giessen, de Karnemelksloot, de voormalige Vluchthaven, de watergang ten zuiden van de Apollostraat, en de zijtak van de Buiten-Giessen gelegen ten noorden van het Peulenplein bij een aaneengesloten ijslaag van oever tot oever met een dikte van 2 centimeter of meer.
  1. Het is verboden te varen op de Linge tussen Arkel en de verkeersbrug te Leerdam bij een aaneengesloten ijslaag van oever tot oever met een dikte van 4 centimeter of meer.

Artikel 4.7    Verbod afmeren haaks op lengterichting vaarweg

  1. Het is verboden haaks op de lengterichting van de as van de vaarweg af te meren.
  1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het afmeren in de jachthavens.

Artikel 4.8    Bedieningstijden

Het bestuur stelt de bedieningstijden van bruggen en sluizen vast, voor zover daarin niet op andere wijze is voorzien.

Artikel 4.9    Tijdelijke maatregelen

Het bestuur kan in geval van bijzondere omstandigheden het schutten of de doorvaart tijdelijk beperken of nader regelen.

 

Hoofdstuk 5 Het visplan ter bescherming van de ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 5.1      Visplan

  1. De in het beheergebied van het waterschap functionerende Visstandbeheercommissie(s) overleggen aan het bestuur een visplan mede ten behoeve van de ecologische kwaliteit van de oppervlaktewaterlichamen.
  1. In het visplan is beschreven hoe de visserij plaatsvindt en is gereguleerd. Het visplan dient aan te sluiten op de ecologische waterkwaliteitsdoelstellingen (KRW). Het visplan bevat minimaal voor wat betreft de onttrekking en uitzet van vis de volgende onderdelen:
    • de vissoorten;
    • de hoeveelheden;
    • de vistuigen die mogen worden gebruikt;
    • de tijdstippen en/of periodes waarop onttrekking en uitzet van vis is toegestaan;
    • de locaties;
    • door wie;
    • de bijzondere voorwaarden waaronder onttrekking en uitzet van vis is toegestaan.
  1. De visplannen worden voor het eerst ingediend binnen één jaar na de oprichting van een Visstandbeheercommissie(s), doch uiterlijk vóór 1 januari 2013.
  1. De visplannen behoeven de goedkeuring van het bestuur, welke wordt gegeven binnen acht weken na de indiening van het visplan bij het bestuur.
  1. Vanaf het moment dat het visplan is goedgekeurd door het bestuur, dan wel vanaf 1 januari 2013, is het verboden de visserij uit te oefenen in oppervlaktewaterlichamen, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, anders dan op basis van en in overeenstemming met het visplan.

 

 

Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving

Artikel 6.1      Schouw

  1. Door of namens het bestuur wordt schouw gevoerd over de waterstaatswerken volgens een door dat bestuur vastgesteld schema.
  1. Het bestuur kan besluiten een extra schouw te voeren, indien het bestuur dit nodig acht.
  1. Het bestuur stelt de datum van de schouw vast en maakt die tenminste twee weken tevoren bekend door kennisgeving ervan in een dag-, nieuws- of huis aan huisblad, dan wel op andere geschikte wijze.
  1. De in het derde lid voorgeschreven bekendmaking kan in spoedeisende gevallen voor de aanvang van een extra schouw worden vervangen door een persoonlijke mededeling. Daarbij kan met een kortere termijn dan genoemd in het derde lid worden volstaan.

Artikel 6.2      Aanwijzing toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in of krachtens deze keur zijn belast de daartoe door het bestuur aangewezen ambtenaren of andere personen.

Artikel 6.3      Strafbepalingen

  1. Overtreding van de bepalingen van deze keur en de daarop gebaseerde regelgeving wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 Wetboek van strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
  1. Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van de overtreder wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd.

 

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7.1      Vergunningen

  1. Een vergunning of ontheffing die is verleend vóór inwerkingtreding van deze keur voor een ingevolge deze keur vergunningplichtig handelen, wordt geacht ingevolge deze keur te zijn verleend.
  1. Voor al hetgeen vóór de inwerkingtreding van deze keur rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht vergunning ingevolge deze keur te zijn verleend.

Artikel 7.2      Keurkaart

  1. Voor waterstaatswerken waarvoor krachtens artikel 5.1 van de Wet en de provinciale Waterverordening vaststelling van een legger is voorgeschreven, maar waarvoor vaststelling nog niet heeft plaatsgehad, worden de ligging en indien mogelijk vorm, afmetingen en constructie van de betrokken waterstaatswerken aangegeven op een kaart.
  1. Vóór een in de provinciale Waterverordening vermelde datum zijn de waterstaatswerken als bedoeld in het eerste lid, opgenomen in de legger.
  1. De daarbij aangegeven grenzen bepalen de toepassing van de verbodsbepalingen bedoeld in deze keur.

Artikel 7.3      Zones

  1. Voor primaire waterkeringen waarvoor een legger werd vastgesteld waarin géén keurzones werden aangewezen en voor primaire waterkeringen waarvoor geen legger is vastgesteld en die zijn vermeld op de kaart als bedoeld in artikel 7.2, gelden de volgende zones:
    1. kernzone: de waterkering zelf (inclusief een aanwezige steun-/pipingberm) met aan weerszijden een strook van 4 m, gerekend vanuit de teen van de waterkering;
    2. beschermingszone: een strook van 20 m aan weerszijden van de kernzone;
    3. buitenbeschermingszone:
    • buitendijks: de strook gelegen tussen de beschermingszone en het zomerbed van de rivier;
    • binnendijks: een strook van 100 m gerekend vanaf de beschermingszone. 
  1.               d.    voor de Diefdijklinie geldt aan beide zijden een strook van 100 m vanaf de beschermingszone.
  1. Voor regionale waterkeringen waarvoor een legger werd vastgesteld waarin géén keurzones werden aangewezen en regionale waterkeringen waarvoor geen legger is vastgesteld die zijn vermeld op de kaart als bedoeld in artikel 7.2, gelden de zones zoals aangegeven in de bijlage “zonering en minimale afmeting regionale waterkeringen”.
  1. Voor oppervlaktewaterlichamen waarvoor een legger werd vastgesteld waarin géén keurzones werden aangewezen en voor de oppervlaktewaterlichamen waarvoor geen legger is vastgesteld, gelden de op de kaart als bedoeld in artikel 7.2 vermelde grenzen.

Artikel 7.4      Onderhoud aan waterstaatswerken

  1. Voor waterstaatswerken, waarvoor bij of krachtens artikel 78, tweede lid, Waterschapswet, bij provinciale verordening of bij waterschapsreglement het vaststellen van een legger is voorgeschreven, maar waarvoor vaststelling nog niet heeft plaatsgehad, is de onderhoudsplicht als volgt geregeld:
  1. Voor waterkeringen en waterkerende kunstwerken berust het gewoon onderhoud bij de eigenaren van de (gedeelten van) waterkeringen en het buitengewoon onderhoud bij het waterschap;
  1. voor oppervlaktewaterlichamen berust het gewoon en buitengewoon onderhoud bij de aangrenzende eigenaren.
  1. De onderhoudsplichtigen van waterstaatswerken zijn, in het geval bedoeld in het eerste lid, verplicht tot instandhouding van het waterstaatswerk overeenkomstig hun functie.

Artikel 7.5      Inwerkingtreding

Deze keur treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet) in werking treedt.

Op dat tijdstip worden de tot dan toe geldende Keur voor waterkeringen en wateren voor Waterschap Rivierenland, de Keur Scheepvaartregeling Waterschap Rivierenland en de Verordening op de heffing en invordering van vaargelden van Waterschap Rivierenland 2005 ingetrokken.

Artikel 7.6      Citeertitel

Deze keur wordt aangehaald als: Keur Waterschap Rivierenland 2009.

 

Toelichting Keur Waterschap Rivierenland 2009

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1  Algemene bepalingen

Artikel 1.1           Begripsomschrijvingen

In deze nieuwe keur is er voor gekozen in de lijst met begripsomschrijvingen de meest essentiële begrippen voor het waterschap en voor de in het beheergebied gevestigde burgers en bedrijven een plaats te geven. Daarmee is beoogd van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 een zelfstandig leesbaar document te maken, zij het dat de lijst niet uitputtend is. Voor het in alle opzichten goed kunnen doorzien wat de nieuwe waterbeheerwetgeving voor alle partijen betekent, ontkomt men er niet helemaal aan ook de Waterwet zelf en haar Memorie van Toelichting (MvT), de Invoeringswet Waterwet en haar MvT, het Waterbesluit en de betreffende provinciale Waterverordening en aanpalende wet- en regelgeving er op na te slaan.

De volgende begrippen zijn opgenomen

a. bergingsgebied: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, waarbij de relatie met de Wet ruimtelijke ordening is gelegd.

b. bestuur: het bevoegde bestuursorgaan voor het nemen van besluiten krachtens deze keur is het dagelijks bestuur van het waterschap.

c. bronbemaling: dit begrip wordt in de provincie Noord-Brabant gehanteerd en de begripsomschrijving geeft aan dat hiermee wordt bedoeld het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen..

d. grondwater: de omschrijving van dit begrip is uit de Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze keur om een onderdeel van het grondwater gaat. Het gaat om dat grondwater, voor zover het waterschap door de wet belast is met het beheer van dat onderdeel van het grondwater. De Waterwet gaat uit van het toekennen aan waterschappen van het passieve, kwantitatieve beheer van grondwater, voor zover het betreft de regulering van het onttrekken van water aan grondwater voor industriële toepassingen met een hoeveelheid van niet meer dan 150.000 m3 per jaar , dan wel voor zover het niet gaat om onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening of voor bodemenergiesystemen.

e. infiltreren: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet.

f. insteek van het oppervlaktewater: het snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld.

g. kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone: de begripsomschrijving geeft aan wat wordt bedoeld. Ter verduidelijking van deze begrippen is een principetekening bij deze keur gevoegd.

h. (ondersteunend) kunstwerk: de begripsomschrijving geeft aan wat wordt bedoeld. Voorbeelden van een (ondersteunend) kunstwerk zijn sluizen, stuwen, gemalen, duikers, damwanden en keermuren.

i. legger: openbaar register, waarin is vastgelegd welke waterstaatswerken door het waterschap worden beheerd. In de legger staan ligging, richting, vorm, afmetingen en onderhoudsplichtigen van waterstaatswerken aangegeven, alsmede de begrenzingen van kern- en (buiten)beschermingszones en het profiel van vrije ruimte. Het begrip legger is voor de waterbeheerder van groot belang. Zeker nu artikel 5.1 van de Waterwet verplicht stelt dat de beheerder zijn waterstaatswerken vastlegt in de zgn. Waterwetlegger. Daarnaast hanteren de waterschappen al sinds lange tijd de Waterschapswetlegger, als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet. Daarin nemen zij de lijst van onderhoudsplichtigen voor waterstaatswerken op. Het onderhoud van bepaalde waterstaatswerken door de aanliggende eigenaren komt nog veelvuldig in het regionale waterbeheer voor. Er is geen enkel beletsel om deze twee verschillende leggers te integreren tot 1 waterschapslegger. De leggers zijn verschillend in die zin dat zij hun grondslag vinden in verschillende wetten met een andere strekking. Belangrijk bij het integreren van die beide leggers is dat de strekking van beide leggerartikelen tot gelding komen.

j. onttrekken: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet en gaat in op zowel het onttrekken van grondwater, als ook op het onttrekken van water aan het oppervlaktewaterlichaam. In artikel 1 derde lid van de Grondwaterwet was opgenomen dat ontwaterings- en afwateringsactiviteiten zijn uitgezonderd van het onttrekkingsbegrip. Dat geldt ook voor het hier opgenomen begrip ‘onttrekken van grondwater’. De artikelen 3.9, 3.13 en 3.12 van de keur zien dus niet op ontwateren en afwateren. In hoofdstuk 3 van deze keur is een uitgekristalliseerd instrumentarium opgenomen voor de regulering van onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen en voor het onttrekken van grondwater in combinatie met infiltraties. Zeker nu de waterschappen deels de taak hebben tot regulering van het kwantitatieve grondwaterbeheer, is dit hoofdstuk van groot belang voor de beheerspraktijk van de waterschappen.

k. oppervlaktewaterlichaam: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. Het betreft oppervlaktewater met de daarin aanwezige stoffen, de waterbodem de oevers en flora en fauna. Ter verduidelijking van dit begrip is een begrippenkader Waterwet bij deze keur gevoegd. Het gaat verder dan de op grond van de Kaderrichtlijn Water door de waterbeheerders als oppervlaktewaterlichamen bestempelde wateren. Deze ruime omschrijving gaat ook verder dan de omschrijving van het begrip ‘oppervlaktewater’, zoals dat door de jurisprudentie in de jaren ’80 en ’90 is gevormd.

Het gaat hierbij om oppervlaktewater, zoals de sloot, de wetering, de beek, de rivier, het meer; dat begrip komt voor in hoofdstuk 3, waarin het aanvoeren van water of het onttrekken van water aan het grondwater is gereguleerd.

Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ komt in de plaats van de in het verleden veel gehanteerde begrippen ‘watergangen of waterlopen’. Het begrip is opgenomen omdat de regionale waterbeheerder zijn beheertaken uitvoert in en om oppervlaktewater. Het begrip oppervlaktewaterlichaam is onderdeel van het meer omvattende begrip waterstaatswerk, welk begrip op zijn beurt weer deel uitmaakt van het brede begrip watersysteem. Watersysteem is het meest omvattende van alle in de Waterwet en hier gebruikte begrippen. Het is hét object van beheer in de Waterwet. Voor de waterbeheerder en voor derden is het essentieel dat een ieder weet waarover het gaat en vooral wat de reikwijdte is van ge- en verbodsbepalingen in relatie tot bepaalde beheerobjecten. De begrippen moeten onderscheiden worden, omdat het beheer gericht kan zijn op onderdelen van het watersysteem. Scheiden is niet mogelijk, want het waterschap voert het waterbeheer integraal uit. Uitoefening van de beheertaak waterkeringen mag in principe niet ten koste gaan van bijvoorbeeld het aquatische ecosysteem van oppervlaktewateren in de nabijheid. Op zijn minst zal de beheerder dan moeten proberen achteruitgang te compenseren. Het gaat immers om het behalen van de doelstellingen, zoals die in Hoofdstuk 2 paragraaf 1 van de Waterwet in algemene termen zijn omschreven. Paragraaf 2 en 3 van dat hoofdstuk leggen normen voor de onderscheiden beheerobjecten vast om daarmee die doelstellingen nader te concretiseren.

l. profiel van vrije ruimte: dit begrip is gevormd door jurisprudentie (met name de rechtbank Middelburg, Awb 07/3891, 29 januari 2008) en opgenomen in de model Waterverordening van het IPO. Het profiel is noodzakelijk om in

de toekomst nodige gronden te vrijwaren van onomkeerbare ingrepen.

m. waterkering: deze begripsomschrijving komt in de Waterwet niet voor. De omschrijving is nodig om aan te geven wanneer het waterschap een object als waterkering aanduidt. Hij beheert niet alleen de primaire, maar ook de regionale waterkeringen. Het begrip dekt beide soorten kering.

n. watersysteem: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, met de opmerking dat de zinsnede ‘en grondwaterlichamen’ hier achteraan is gezet, omdat die geen waterkeringen en ondersteunende kunstwerken behoeven.

o. waterstaatswerk: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, met daaraan toegevoegd de onderhoudsstroken en voorts dat het werk als zodanig in de (Waterwet)legger is aangegeven, tenzij dat van de leggerplicht is vrijgesteld of op een overzichtskaart als bedoeld in artikel 6.2 staat aangegeven.

p. watervergunning: het gaat om de vergunning die de Waterwet introduceert voor bepaalde handelingen in het watersysteem en die de keur voor het beheergebied van het waterschap concretiseert. Er wordt dus niet langer gesproken van een keurontheffing of -vergunning, maar van een watervergunning.

q. werken: dit begrip komt niet voor in de Waterwet. Het is nodig dit begrip op te nemen omdat het realiseren van dergelijke werken in watersystemen afbreuk kan doen aan de functies die aan die watersystemen of onderdelen daarvan, zijn toegekend. De regionale waterbeheerder kan daartoe zijn keurinstrumentarium inzetten om dergelijke ingrepen van derden te voorkómen door de handeling te verbieden, dan wel de realisatie van voorschriften te voorzien via een watervergunning. Als de aspirant-bouwer van het werk bekend is met de algemene regels van het waterschap, kan hij, afhankelijk van de aard van zijn constructie en de locatie, ook volstaan met het doen van een melding aan het waterschap.

r. Wet: dit is de Waterwet, waarop het keurinstrumentarium inhoudelijk is gestoeld, naast de betreffende provinciale Waterverordening.

Artikel 1.2           Hoofdelijke aansprakelijkheid

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel zijn de gebruikers verplicht de ingevolge de keur op de eigenaar rustende verplichtingen na te komen ingeval er sprake is van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht (bijvoorbeeld huur, vruchtgebruik, erfpacht of het in bruikleen hebben).

Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2, derde lid, zijn de eigenaren, overige zakelijk gerechtigden tot, en gebruikers van de grond hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de keur op de eigenaar van de grond rusten. Veelal is immers niet de eigenaar maar de feitelijke gebruiker van de grond degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat.

Hoofdstuk 2  Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

Gebodsbepalingen

Artikel 2.1    Afrasteringen

Deze bepaling geeft aan dat waterstaatswerken beschermd moeten worden door een voldoende kerende afrastering tegen aftrap door dieren.

De bepaling geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid algemene regels te stellen omtrent afrasteringconstructies en wijze van plaatsing. Ook deze regels moeten worden beschouwd als een onderdeel van de keur. Dit betekent dat voor de vaststelling van de algemene regels omtrent de afrasteringconstructies en wijzen van plaatsing de procedure voor de vaststelling nodig is. Dit betekent dat de reguliere procedurebepalingen voor vaststelling of wijziging van de keur moeten worden gevolgd (artikel 83, vierde lid Waterschapswet).

Artikel 2.2    Coupures en sluizen

De eigenaren van coupures, sluizen, uitwateringen en andere doorgangen in waterkeringen, zijn verplicht deze onmiddellijk op eerste aanzegging door of namens het bestuursorgaan te sluiten met het oog op het voorkomen van overstroming van achter de waterkering gelegen gronden.

Artikel 2.3    Stuwen

Meestal zijn de stuwen in beheer bij het waterschap. In het geval dat het beheer/bediening van een stuw bij een particulier berust en hij bij de afstemming van die bediening op zijn belangen een situatie schept die voor het verdere beheer van het waterschap nadelig uitpakt, is het noodzakelijk dat het waterschap dat kan reguleren. Met het oog op de rechtszekerheid moet het bestuursorgaan aangeven voor welke stuwen een aanzegging met rechtsgevolg mogelijk is. Op de aanwijzing is de procedure van de keur van toepassing (zie de toelichting op artikel 2.1).
Algemene onderhoudsplicht ten aanzien van alle waterstaatswerken

Artikel 2.4    Onderhoudsplicht

Onderhoudsplichtigen worden ingevolge artikel 78, tweede lid, Waterschapswet aangewezen in de legger. De keur sluit hierop aan door als onderhoudsplichtigen aan te wijzen degenen die in de legger tot het plegen van gewoon of buitengewoon onderhoud zijn vermeld.

Die aanwijzing geschiedt niet naar individu maar betreft een categorie personen, bijvoorbeeld de aangrenzende grondgebruikers of –eigenaren of de vergunninghouders of diens rechtsopvolgers.

Door het bepaalde in dit artikel geeft de legger de reikwijdte van de bepalingen van de keur aan. Keur en legger doorlopen ingevolge de Waterschapswet een vaststellingsprocedure van overeenkomstige aard, zodat ook bij de onderhavige wijze van aanwijzing van onderhoudsplichtigen een voldoende rechtsbescherming van belanghebbenden is verzekerd.

Voor onderhoudsactiviteiten ten behoeve van de waterstaatszorg is een gedragscode voor Waterschap Rivierenland opgesteld. Hierin is omschreven hoe te voldoen aan het vereiste van zorgvuldig handelen in gevolge artikel 2 van de Waterwet. Door te werken volgens die gedragscode is een vrijstelling op basis van de Flora- en Faunawet gegeven.

Onderhoudsplicht ten aanzien van waterkeringen

Artikel 2.5           Gewoon onderhoud aan waterkeringen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud aan waterkeringen gehouden zijn. De bestrijding van muskusratten op waterkeringen gebeurt, met uitsluiting van derden, door het waterschap (in Zuid-Holland door de provincie. De provincie Noord-Brabant is tijdens de totstandkoming van deze keur bezig om de taak muskusrattenbestrijding over te dragen aan de waterschappen).

Artikel 2.6   Buitengewoon onderhoud aan waterkeringen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen gehouden zijn bij de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan waterkeringen. Als buitengewoon onderhoud wordt in de keur aangemerkt het in stand houden van de waterkering overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm afmeting en constructie. Dit onderhoud aan waterkeringen wordt waar het ‘primaire waterkeringen’ betreft, maar veelal ook bij overige waterkeringen, door het waterschap waarbij de waterkering in beheer is, uitgevoerd. De onderhavige bepaling ziet niet op de situaties waarin het vorenstaande het geval is maar op de omstandigheid waarin dit onderhoud bij derden berust en richt zich niet tot het waterschap als waterkeringbeheerder, maar tot derden-onderhoudsplichtigen. De situatie waarin derden-onderhoudsplichtigen tot instandhouding van waterkeringen verplicht zijn, doet zich met name regelmatig voor bij boezemkaden of kaden in de uiterwaarden van rivieren.

In de situatie dat geen legger aanwezig is en op de kaart geen vorm, afmetingen of constructie zijn aangegeven, voorziet het overgangsrecht van deze keur.

Artikel 2.7    Onderhoud aan ondersteunende kunstwerken en werken

Het bepaalde in dit artikel richt zich in principe tot onderhoudsplichtigen van in, op, aan of over waterkeringen of beschermingszones van waterkeringen gelegen werken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben, en die anders dan met vergunning zijn aangebracht. Hierbij valt te denken aan bouwwerken in regionale waterkeringen waarvan onderdelen een waterkerende functie hebben.

Voor met vergunning aangebrachte werken zullen bepalingen met een strekking als die van artikel 2.7 in de vergunningsvoorschriften zijn opgenomen.

Onderhoudsplicht ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.8    Gewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud aan wateren gehouden zijn. De onderhoudsplichtigen zijn te allen tijde gehouden voorwerpen, materialen en stoffen uit wateren te verwijderen die af- en/of aanvoer, dan wel de berging van water hinderen. Het gaat dan om die wateren waartoe zij onderhoudsplichtig zijn. Daarnaast schonen onderhoudsplichtigen de wateren. Dat gebeurt in principe één keer per jaar (in het  najaar), vóór de vooraf aan te kondigden schouw, tenzij anders is bepaald. Daarbij gaat het er om de maatgevende af- en/of aanvoer van water veilig te stellen.

De oevers en taluds alsmede de daartoe behorende oeververdedigingswerken dienen behoorlijk in stand te worden gehouden, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af- en/of aanvoer van water wordt gehinderd dan wel aangelegde onderhoudsstroken worden bedreigd. Waar de feitelijke afmetingen van het profiel de voor de af- en/of aanvoer van water noodzakelijke profielafmetingen overtreffen, kan de onderhoudsplichtige niet worden verplicht de overprofilering in stand te houden.

Artikel 2.9    Buitengewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen, die tot de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan wateren zijn verplicht, gehouden zijn. Als buitengewoon onderhoud wordt aangemerkt het in stand houden van de wateren overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm afmeting en constructie. In de situatie dat geen legger aanwezig is en op de kaart geen vorm, afmetingen of constructie zijn aangegeven, voorziet het overgangsrecht van deze keur.

Het buitengewoon onderhoud wordt waar het betreft wateren van overwegend belang voor de af- en/of aanvoer van water voor een groter gebied veelal uitgevoerd door het waterschap dat de kwantiteitsbeheerder van de betrokken wateren is. De onderhavige bepaling ziet niet op deze situatie, maar op de omstandigheid waarin dit onderhoud bij derden berust en richt zich dus niet tot het waterschap als kwantiteitsbeheerder, maar tot derden-onderhoudsplichtigen. De situatie waarin derden-onderhoudsplichtigen tot instandhouding van wateren verplicht zijn, doet zich met name voor bij sloten en greppels die uitsluitend de afwatering van een bepaald aantal percelen dienen.

De schouw over B-wateren (voor wat betreft het buitengewoon onderhoud) vindt, afhankelijk van de door het bestuur vastgestelde baggercyclus, plaats in het jaar dat volgt op het jaar waarin de A-water(en), die met de betreffende B-wateren in verbinding staan, zijn gebaggerd.

Artikel 2.10 Onderhouds- en ontvangstplicht ten aanzien van bermsloten

Dit artikel biedt een regeling voor het onderhoud van een groot aantal bermsloten (niet zijnde

hoofdwatergangen) in het land van Heusden en Altena. De regeling vindt zijn basis in de in het verleden gemaakte afspraken met de gemeenten in het betreffende gebied. Bij de overdracht van het wegbeheer door onze rechtsvoorganger Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch aan de gemeenten is indertijd afgesproken dat de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de bermsloten is toebedeeld aan het Hoogheemraadschap. De werking van de regeling blijft beperkt tot buiten de bebouwde kom gelegen bermsloten voor zover deze niet langs rijks- en/of provinciale wegen zijn gelegen. Onderdeel van de destijds gemaakte afspraken is wel dat de gemeente ten minste twee maal per jaar een onderhoudsronde uitvoert langs alle door het waterschap te onderhouden bermsloten en hoofdwatergangen voor zover deze langs de openbare weg zijn gelegen. De gemeente maait het aan de wegberm grenzend talud.

De door het waterschap te onderhouden bermsloten zijn aangegeven op de bij deze keur behorende legger. De regeling van artikel 2.10 is enkel van toepassing op de op de legger aangeven bermsloten. Het artikel omvat een regeling van de ontvangstplicht op de tegenoverliggende oevers. Het onderhoud van de bermsloten wordt als hoofdregel vanaf de wegzijde uitgevoerd.

Met “tegenoverliggende gronden” wordt dan ook bedoeld: de gronden die, vanaf de weg gezien, aan de overkant van de bermsloot liggen.

Lid 2 bevat een regeling voor die gevallen waarin de ontvangst van specie/maaisel op de

tegenoverliggende gronden in redelijkheid niet mogelijk is, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van siertuinen, gewassen en dergelijke.

Hoofdstuk 3  Handelingen in het watersysteem

Algemeen

De Waterwet heeft in hoofdstuk 6 de regulering van handelingen van derden in het watersteem opgenomen. Dat reguleringsstelsel voorziet in de introductie van de watervergunning en algemene regels. Centraal daarbij staan de doelmatige bescherming van het watersysteem en een efficiënte dienstverlening voor burgers en bedrijven. Zo komt er voor samenhangende activiteiten in het watersysteem één watervergunning. Voorts vallen meer handelingen in het watersysteem onder algemene regels. Voor de waterbeheerder is deze introductie op een andere manier van groot belang: tegenstrijdigheden tussen verschillende waterwetten behoren tot het verleden. Tot slot is de afstemming met andere vergunningstelsels geborgd door het instellen van 1 loket voor de uitvoering van het behandelen van vergunningaanvragen. De reglementaire bevoegdheid van de waterschappen om bij keur regels te stellen, blijft bestaan. Een dergelijke benadering past ook bij het aan de Waterwet ten grondslag liggende uitgangspunt van ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’. 

Wat centraal moet, is ook te vinden in hoofdstuk 6 van de Waterwet. Dat wordt ingegeven door internationale verplichtingen of bovenregionale belangen. Het is dan wenselijk of zelfs noodzakelijk om bepaalde handelingen – of die nu betrekking hebben op een watersysteem in beheer bij het Rijk of bij een waterschap – voor alle watersystemen op uniforme wijze te regelen. Een voorbeeld van dergelijke handelingen zijn de voorheen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gereguleerde lozingen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen. Voor zover derhalve het Rijk een bepaald onderwerp heeft geregeld, zijn waterschappen niet langer onverkort bevoegd om daarin nog zelfstandig bij verordening te voorzien, mede ook op grond van artikel 59 van de Waterschapswet.

De bevoegdheid van waterschappen om bij verordening (bedoeld wordt: de keur) regels te stellen inzake handelingen in de onder hun beheer vallende watersystemen, is neergelegd in artikel 56 van de Waterschapswet. In dat kader staat het de waterschappen ook vrij om naast de reeds op grond van de artikelen 6.2 en 6.3 van de Waterwet vergunningsplichtige handelingen, nog andere handelingen vergunningplichtig te stellen. Het gevolg daarvan is dat zodra een waterschap ervoor kiest om nog andere handelingen vergunningplichtig te maken of anderszins aan een toestemmingsvereiste te binden, die handelingen automatisch onder de watervergunning vallen. De waterschappen creëren dus geen zelfstandige vergunningstelsels meer. Bedoeling daarvan is dat de uitgangsgedachte van 1 watervergunning daarmee overeind blijft en nog belangrijker dat de integrale afweging van de bij het waterbeheer betrokken belangen blijft gewaarborgd.

Handelingen in, op, boven, over of onder waterstaatswerken

Artikel 3.1    Watervergunning waterstaatswerken, kern- en beschermingzones

Ingevolge dit artikel worden waterstaatswerken en zones beschermd. In deze keur wordt beoogd met een nog meer globale regeling die bescherming te bieden. Het streven naar verdere vermindering van regels en naar vereenvoudiging van regelgeving dat aan deze keur ten grondslag ligt, brengt mee dat in deze keur dan ook een meer algemene verbodsregeling is opgenomen, die voldoende bescherming kan bieden.

Bij het stellen van verbodsbepalingen ten aanzien van wateren die (tevens) scheepvaartweg zijn in de zin van de Scheepvaartverkeerswet, moet worden bedacht dat ook het bevoegd gezag (thans de provincie, in de nabije toekomst mogelijk het waterschap) ingevolge die wet regels kan stellen, onder meer in het belang van de instandhouding van de vaarweg, ter bescherming van de waterhuishouding, de oevers en waterkeringen en ter bescherming van in of boven de vaarweg aanwezige werken tegen schade door scheepvaart. De bevoegdheden van het bevoegd gezag ingevolge de Scheepvaartverkeerswet en de waterbeheerder kunnen elkaar op dit punt overlappen. Dit kan gevolgen voor de keurbevoegdheid van het waterschapsbestuur hebben, als het waterschap niet als bevoegd gezag ingevolge de Scheepvaartverkeerswet is aangewezen. In artikel 42 Scheepvaartverkeerswet wordt de betrokken competentievraag geregeld. Hier is bepaald dat de bevoegdheid van onder andere waterschappen tot het stellen van regels in het belang van het waterbeheer gehandhaafd blijft voor zover deze regels niet in strijd zijn met het krachtens de Scheepvaartverkeerswet bepaalde. Bij strijdigheid van de keur met het krachtens de Scheepvaartverkeerswet bepaalde, houdt het in de keur bepaalde van rechtswege op te gelden.
Het verbod in artikel 3.1, aanhef en onder a, betreft het verrichten van werkzaamheden. Bij het begrip, ‘werkzaamheden' moet een verband gelegd worden met verrichten van handelingen. Onder werkzaamheden vallen o.a. aanleg-, bagger-, boor-, bouw-, graaf-, demping- herstel-, onderhouds-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreidings-, verbouw- en herbouwwerkzaamheden. Werkzaamheden betreffen zowel werkzaamheden die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterstaatswerken, als werkzaamheden die dat niet tot doel hebben maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken. Onder dit verbod valt bijvoorbeeld het dempen van een sloot.

Van het begrip 'werken' is in artikel 1 een definitie gegeven. De verboden onder b tot en met f spreken voor zich..

Het tweede lid van artikel 3.1 betreft  een specifiek verbod ten aanzien van de kernzone van oppervlaktewaterlichamen. Het algemeen bestuur van het waterschap stelt peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die zijn aangegeven in de Waterverordening waterschap Rivierenland. Het algemeen bestuur heeft op grond van de Waterverordening waterschap Rivierenland de mogelijkheid streefpeilen vast te stellen voor de oppervlaktewateren waarvoor geen peilbesluit behoeft te worden vastgesteld.

Het derde lid van artikel 3.1 betreft twee specifieke verboden ten aanzien van de kernzone van een waterkering. Met het bepaalde in artikel 3.1, derde lid onder a kan worden voorkomen dat door de wijze van bemesting een waterkering in het ongerede raakt.

Met het bepaalde ingevolge artikel 3.1, derde lid onder b wordt beoogd de in de kernzone aangebrachte materialen ter verdediging van de waterkering, doorgaans een vegetatiemat (een dichte grasmat, eventueel aangevuld met kruiden e.d.), te beschermen. Uiteraard vallen ook andere, harde materialen onder de bescherming van dit artikel.

In artikel 3.1, vierde lid zijn drie verboden opgenomen ten aanzien van de buitenbeschermingszones van waterkeringen. Deze zones liggen naast de kern- en beschermingszones van een waterkering en zijn als zodanig in de legger aangegeven. De verboden die de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk beschermen, zijn verdergaand dan de verboden voor de buitenbeschermingszone. In de buitenbeschermingszone wordt het verboden die handelingen te verrichten die een bedreiging kunnen vormen voor de stabiliteit van de waterkering.

Het vijfde lid tenslotte verbiedt het plaatsen van werken in het profiel van vrije ruimte. Dit is belangrijk om in de toekomst met name de wateropgaven omtrent dijkverbeteringen te kunnen realiseren. Het vijfde lid spreekt over werken. Het begrip is in de beleidsregels nader geconcretiseerd.

Artikel 3.2           Watervergunning nieuwe waterstaatswerken

In artikel 3.2 wordt het graven of de aanleg van nieuwe waterstaatswerken geregeld. Het gaat daarbij om waterstaatswerken die nog niet op een legger kunnen voorkomen maar na de aanleg wel in beheer bij het waterschap zullen komen. In de praktijk zal het bestuur van het waterschap met behulp van dit artikel in staat zijn om bij nieuwe werken al in een vroeg stadium (ontwerpfase) de waterstaatkundige belangen te behartigen.

Artikel 3.3    Watervergunning afmeren of ligplaats nemen/hebben binnen de kernzone van waterstaatswerken

Ingevolge het bepaalde in dit artikel is het verboden binnen kernzones van waterstaatswerken anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen vaartuigen of vlotten af te meren, te laden of te lossen, of daarmee ligplaats in te nemen of te hebben. De bepaling beoogt genoemde handelingen te reguleren door deze alleen toe te staan op plaatsen, die zodanig zijn ingericht dat de oevers en taluds niet worden beschadigd. De betrokken bepaling geldt niet in geval het betreft door het bestuur toegestane recreatieve activiteiten.

Artikel 3.4           Watervergunning drainage

In het algemeen is drainage van gronden een activiteit die weinig invloed heeft op grondwaterstanden en op het peil van oppervlaktewater. Drainage is daarom als handeling en/of werk niet verboden. Binnen het beheersgebied van het waterschap zijn er echter wel deelgebieden waar het belang van grondwaterstanden en grondwaterstromingen verlangt, dat drainage niet of niet zonder meer kan plaatsvinden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het voorkomen van verdroging in natuurgebieden.

Deze “gevoelige gebieden” zijn weergegeven op de bij deze keur behorende kaart.

Voor drainage binnen deze gebieden is dus wel een voorafgaande vergunning nodig.

Een vergunning voor drainage in de op de kaart aangegeven gebieden wordt alleen verleend indien dit niet leidt tot schade aan de aanwezige natuurfuncties. Kader voor het bepalen van de natuurfunctie vormen bijvoorbeeld de onderscheidene “Natuurdoeltypekaarten”, zoals deze behoren bij de provinciale gebiedsplannen voor Natuur en Landschap.

Gezien de grote verscheidenheid van mogelijke natuurwaarden in de diverse gebieden zal een aanvraag om drainagevergunning altijd van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Het waterschap wil drainage in dergelijke gebieden reguleren maar landbouw niet frustreren, omdat landbouw cruciaal is voor bijvoorbeeld weidevogels. De vraag of bestaande drainage in de zogenaamde “gevoelige gebieden” zonder meer mag worden vervangen moet ontkennend worden beantwoord. Hiervoor moet ontheffing worden gevraagd op grond van artikel 3.4 van de ontwerpkeur

Handelingen met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen

Artikel 3.5    Vergunningplicht lozen vanaf nieuw verhard oppervlak

Het is op grond van artikel 3.5 verboden hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak op wateren, die op de legger staan vermeld, te lozen.

Het doel van dit verbod is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak in het be­heersgebied versneld op het watersysteem wordt geloosd. Deze lozing dient te worden beperkt tot de maatgevende afvoer van het landelijke gebied.

Uit­brei­ding van verhard oppervlak (dakvlakken van kassen , gebouwen etc. en verhardingen en semi-verhardingen e.d.)  moet dus, vanuit hydrologische optiek gezien, waterbalansneutraal plaatsvinden. Bij vergunning kunnen daarom eisen worden gesteld aan vervangende bergingscapaciteit, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Dit wordt nader uitgewerkt in de bij de keur behorende beleidsregels. Of sprake is van nieuw verhard oppervlak, wordt beoordeeld op het moment van de aanvraag.

Artikel 3.6           Watervergunning af- en aanvoeren

Voor het aan en afvoeren van water bestaat op grond van artikel 3.6 altijd een watervergunningplicht. Het aan- en afvoeren van water betekent het via een werk of langs natuurlijke weg halen, brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater. Hierbij kan gedacht worden aan het plaatsen van gemalen, stuwen, onderbemalingen en het aansluiten van nieuwe wateren op bestaand water of het met elkaar verbinden van bestaande wateren. Afhankelijk van de situatie moet het waterschap goed kunnen beoordelen of het aan- en afvoeren van water geen nadelige gevolgen heeft voor de waterbeheersing. Gelet op de verschillende manieren van water aan- en afvoeren en de variaties in het beheersgebied is het moeilijk te omschrijven wanneer een dergelijk werk alleen met een melding kan worden afgedaan. Het is daarom ook moeilijk om een reëel debiet vast te stellen voor de vergunningplicht voor het hele beheersgebied.

Artikel 3.7           Watervergunning- en meldplicht lozen

De debieten van artikel 3.7 onder a zijn dusdanig vastgesteld dat er geen afwateringsproblemen mogen ontstaan. Lozingen zijn toegestaan als de watergang en het peilvak het extra debiet kan verwerken. Dit is natuurlijk afhankelijk van de dimensie van het betreffende water en de aanwezige kunstwerken. Voor de vergunningplicht ten aanzien van lozingen wordt onderscheid gemaakt in de A, B en C-wateren zoals vermeld op de legger. Lozingen op C-wateren zijn  vanaf 1 m3 vergunningsplichtig omdat het waterschap niet op voorhand weet wat de dimensies van deze wateren zijn en of er kunstwerken voorkomen. Daarom zijn slechts geringe lozingen (tot 1 m3 per uur) vrijgesteld

De lozingen met debieten beschreven in artikel 3.7 onder b zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, maar moeten wel gemeld worden. Deze debieten moeten door A- en B-wateren probleemloos kunnen worden afgevoerd.

Artikel 3.8           Watervergunning en meldplicht onttrekken

De debieten die in dit artikel worden vermeld, hebben met name betrekking op structurele onttrekkingen. Met een structurele onttrekking wordt een permanente onttrekking bedoeld. Dit artikel heeft niet zo zeer betrekking op incidentele ontrekkingen, maar voor deze redactie is gekozen om bij excessen handhavend te kunnen optreden. Omdat voor een structurele onttrekking niet alleen de watergang maar ook de inlaatcapaciteit geschikt moet zijn, is het van belang om alle onttrekkingen in beeld te hebben.

Doordat er verschillende typen van onttrekken zijn, dient elke onttrekking uit A- en B-wateren te worden gemeld. Voor A- en B- wateren geldt boven de in onder b genoemde debieten een vergunningplicht. Deze debieten zijn laag gehouden. Er wordt onderscheid gemaakt in A- en B- wateren vanwege de dimensionering van het water en de onderhoudsplicht. Onttrekkingen uit C-wateren zijn altijd vergunningsplichtig omdat het waterschap niet op voorhand weet wat de dimensies van deze wateren zijn en of er kunstwerken voorkomen. Op deze manier wordt het voor peilbeheerders inzichtelijker aan welke percelen in het beheersgebied zich onttrekkingspunten bevinden zodat ze het peilbeheer beter kunnen reguleren.

Handelingen met betrekking tot het onttrekken en infiltreren van grondwater

Artikel 3.9    Watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem

In het algemeen is het verboden grondwater te onttrekken of te infiltreren in de bodem zonder vergunning als de hoeveelheid meer bedraagt dan 10 m3 per uur. Voor onttrekkingen voor het permanent droog houden van een ondergronds werk geldt in alle gevallen een vergunningplicht. De reden daarvoor is dat dit soort onttrekkingen niet wenselijk zijn en zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Voor bepaalde specifieke en in het artikel met name genoemde soorten van onttrekkingen

gelden verruimde criteria met betrekking tot tijdsduur en afvoerhoeveelheden waaronder geen vergunningplicht geldt. Deze criteria zijn ontleend aan de criteria die door de vier provincies werden gehanteerd in de tijd dat deze het bevoegd gezag waren voor deze grondwateronttrekkingen in het beheersgebied van het waterschap.

In overleg met deze vier provincies zijn de te onttrekken of te infiltreren hoeveelheden waarvoor een watervergunning nodig is, tot stand gekomen.

Drainage van gronden onder vrij verval wordt in het kader van dit artikel niet beschouwd als grondwateronttrekking, omdat deze geen relevante invloed heeft op het grondwaterbeheer. Tenzij het drainage betreft vanuit de in artikel 3.4 genoemde bijzondere gebieden.

Artikel 3.10  Inrichtingen

Dit artikel beschrijft in het eerste lid wat onder één inrichting moet worden verstaan. Dit is van belang om te kunnen toetsen of de in dit hoofdstuk genoemde hoeveelheden te onttrekken grondwater vergunningsplichtig zijn. Onttrekkingen behorende tot één inrichting worden beschouwd als één onttrekking.

Artikel 3.11  Vergunningplicht bijzondere gebieden

Voor een aantal gebieden met een bijzonder grondwaterbeschermingsniveau in de provincie Noord-Brabant is het criterium voor de vergunningplicht gesteld op 1 m3 per uur. Onttrekkingen van meer dan 1 m3 per uur zijn dus altijd vergunningsplichtig. Gezien de kwetsbaarheid van deze gebieden is het wenselijk de hoeveelheid te onttrekken grondwater vanaf 1 m3 per uur inzichtelijk te hebben. In de provincie Zuid-Holland is het in milieubeschermingsgebieden helemaal verboden om grondwater te onttrekken. Dit heeft te maken met de bescherming van de zoetwatervoorraad die nodig is voor de productie van drinkwater.

Artikel 3.12  Meldplicht onttrekken grondwater

Grondwateronttrekkingen die volgens artikel 3.9 niet vergunningsplichtig zijn, moeten wel worden gemeld bij het waterschap als de afvoer meer dan 10 m3 per uur bedraagt of meer dan 12.000 m3 per kalenderjaar. Het criterium van 12.000 m3 per jaar is aan dit artikel toegevoegd om er voor te zorgen dat een voortdurende onttrekking van minder dan 10 m3 per uur, hetgeen overeenkomt met 87.000 m3 per jaar, onder de meldplicht valt.

Onttrekkingspunten voor noodvoorzieningen moeten in alle gevallen worden gemeld.

Artikel 3.13  Algemene voorschriften

Het bestuur stelt algemene voorschriften vast over de praktische uitvoering van een bronnering, zoals het beheren van de onttrekkingspunten, het meten en registreren van de hoeveelheden ontrokken grondwater.

Artikel 3.14  Meet- en registratieplicht

De criteria  voor meet- en registratieplicht voor niet-bijzondere gebieden zijn hetzelfde als de criteria voor de meldplicht zoals genoemd in artikel 3.12, namelijk 10 m3 per uur of 12.000 m3 per kalenderjaar. In de bijzondere gebieden, zoals genoemd in artikel 3.11 is het criterium verlaagd tot 1 m3 per uur in de provincie Noord-Brabant en 0m3 per uur in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 3.15 Beëindiging of wijziging van de inrichting

Wijzigingen in de uitvoering of de ontrokken hoeveelheden moeten zo spoedig mogelijk worden gemeld aan het bestuur. Wijzigingen in de onttrekking of beëindiging van de inrichting kunnen in bepaalde gevallen namelijk tot schade leiden in de omgeving. Daarom moeten deze te allen tijde worden gemeld.

Vrijstelling verboden – Algemene regels –  Zorgplicht

Artikel 3.16         Vrijstelling verboden –  Algemene regels

De algemene regels waartoe artikel 3.16 de mogelijkheid biedt, zien toe op het vaststellen van nadere regels door het algemeen bestuur. Het gaat dan om de handelingen in de artikelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.5, 3.7 en 3.8. Die regels kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht of juist een algeheel verbod op het verrichten van die handelingen. Voordeel van zo’n bepaling is dat het waterschap maatwerk kan verrichten.

Artikel 3.17  Vrijstelling verbod onttrekken

Op grond van artikel 3.8 is het boven een bepaald aantal m3 verboden om zonder vergunning van het bestuur water te onttrekken aan wateren. Door het onttrekken van water uit een watergang kan het peil nadelig worden beïnvloed. Omdat het waterschap het waterpeil in het beheersgebied zoveel mogelijk conform het peilbesluit moet houden en de wateraanvoer beperkt is, kan niet ongelimiteerd water worden onttrokken. Bovendien is het van belang dat onttrekkingen niet leiden tot problemen voor andere ingelanden. Vrijstelling van dit verbod is slechts mogelijk in twee situaties zoals genoemd in artikel 3.17, te weten incidentele beregening en seizoensonttrekkingen. Bovendien is de vrijstelling gebonden aan een maximale grens per onttrekker. Hierbij wordt opgemerkt dat het begrip onttrekker op een persoon doelt, niet op het werk waarmee het water wordt onttrokken.

Voor wat betreft incidentele beregening gaat het om nachtvorstberegening die in een beperkte periode plaatsvindt. Voor wat betreft de incidentele seizoensonttrekking gaat het om situaties waarin sprake is van een langere drogere periode waarin de wateraanvoer naar een aantal gebieden problematisch is.

Om zicht te houden op de incidentele onttrekkingen wordt in het tweede lid van artikel 3.17 een melding verplicht gesteld. De vrijstelling zoals genoemd in artikel 3.17 laat onverlet dat het bestuur een algeheel verbod kan stellen op grond van artikel 3.18.

Artikel 3.18 Algeheel verbod bij calamiteiten

In artikel 3.18 worden regels gesteld in geval zich calamiteiten voordoen. Het bestuur kan dan bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels, welke afwijking tijdelijk is en waarvoor geen vergunning nodig is en ook geen algemene regels gelden. De Waterwet (artikelen 5.23 tot en met 5.26) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden.

Artikel 3.19  Vrijstelling watervergunningplicht voor beheershandelingen

Voor de uitleg van dit artikel wordt verwezen naar de inleiding onder “geen vergunning voor de eigen dienst”.

Artikel 3.20  Nadere regels aanvraag vergunning en melding

Vergunningsaanvragen moeten worden ingediend overeenkomstig de bepalingen van het Waterbesluit. In het Waterbesluit is ook een wettelijk voorgeschreven aanvraagformulier opgenomen. De eisen die gesteld worden aan een melding staan vermeld in het derde lid onder a tot en met f. Het bestuur kan nadere regels stellen.

Artikel 3.21  Zorgplicht

Artikel 3.21 betreft de zorgplicht die ieder moet betrachten als het gaat om de maatregelen die het waterschap heeft getroffen in watersystemen met het oog op het bereiken van de waterhuishoudkundige doelstellingen die aan die onderdelen van watersystemen zijn verbonden. De formulering is geënt op de artikelen 6.7a en 6.7b van de Waterwet. Verder is ook gekeken naar titel 17.2 van de Wet milieubeheer. Het artikel zoals dat nu in deze keur is opgenomen, voorziet er in dat derden die schade toebrengen aan watersystemen voor die schade daadwerkelijk zullen moeten opdraaien. In dit geval toegespitst op de schade aan werken die het waterschap in het kader van zijn beheertaak heeft uitgevoerd.

Dit artikel draagt er toe bij dat het waterschap maatregelen van derden kan eisen of alvast zelf maatregelen kan treffen bij (dreigende) schade, als omschreven in dit artikel. De kosten kan het waterschap verhalen op die derde, indien en voor zover die schade aan die derde is toe te rekenen. Het waterschap voorkomt hiermee dat investeringen, gedaan om maatregelen aan het watersysteem uit te voeren om zo aan zijn verschillende wateropgaven te voldoen, weer teniet worden gedaan. Het waterschap moet er immers alles aan doen om die wateropgaven te halen, mede in het licht van de in de toekomst geldende Wet Naleving Europese regelgeving door mede-overheden.

Dat betekent dat het waterschap alle instrumenten waarover het beschikt, inzet om Europese verplichtingen na te komen. Het komt er derhalve op neer dat hij moet voorkómen dat anderen het werk van het waterschap frustreren. Naast een goed toezicht op de naleving van regels waarvoor het waterschap het bevoegde gezag is kan het waterschap ook de zorgplicht afdwingen die burger en bedrijf hebben ten aanzien van watersystemen. Van dit artikel zal preventieve werking uitgaan.

Hoofdstuk 4  Vaarwegen

Algemeen

Dit hoofdstuk is van toepassing op de vaarwegen in het werkgebied van Waterschap Rivierenland, waar Waterschap Rivierenland als nautisch beheerder is aangewezen en op de bevaarbare gedeelten van de wateren in de Biesbosch, waaronder de Bakkerskil.

Het gaat hier om de volgende wateren inclusief de oevers en de in de wateren bevindende werken:

  1. de Linge vanaf de mond van de Korne, de Korne, de gekanaliseerde Linge tussen Arkel en Gorinchem en het Kanaal van Steenenhoek;
  2. de Lage Boezemwateren van de Nederwaard (Het Nieuwe Waterschap, de Alblas, de Groep, de Nauwe Alblas, de Graafstroom en alle daarmee in open verbinding staande wateren);
  3. de Lage Boezemwateren van de Overwaard (het Grote of Achterwaterschap, de Ammerse Boezem, de Ottolandse Vliet, de Kromme Elleboog, de Peursumse Vliet, de Giessen, de Noordeloos, de Smoutjesvliet (tot aan de Dwarsgang), de Dwarsgang en alle daarmee in open verbinding staande wateren);
  4. de Buiten-Giessen, de Karnemelksloot, de voormalige Vluchthaven, de watergang ten zuiden van de Apollostraat,en de zijtak van de Buiten-Giessen, gelegen ten noorden van het Peulenplein.

Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland is nautisch beheerder van de vaarweg de Korne, de Linge vanaf de mond van de Korne tot de Arkelse Dam en het Kanaal van Steenenhoek behoudens de kruising daarvan met het Merwedekanaal op grond van het besluit van Provinciale Staten van de provincie Gelderland van 8 mei 1991 en het besluit van de provincie Zuid-Holland van 20 februari 1992. 

In de Vaarwegenverordening Gelderland 2008 is geregeld dat Waterschap Rivierenland ook nautisch beheerder is voor de gekanaliseerde Linge.

Het nautisch beheer van de Lage Boezemwateren in Nederwaard en Overwaard is gebaseerd op het besluit van 20 februari 1992 door Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland. Hierbij werd het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, als  rechtsvoorganger van het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, aangewezen als nautisch beheerder.

Dit betekent dat op grond de Scheepvaartverkeerswet aanvullende regels gesteld kunnen worden ten behoeve van de veiligheid van de scheepvaart, de instandhouding en bruikbaarheid van de vaarweg alsmede ter bescherming van de oevers.

Vaarvergunning

Voor het varen in de Lage Boezemwateren in Nederwaard en Overwaard is het bestaande systeem van een vergunningplicht vervangen door een systeem van meldingen.

Dit betekent een aanzienlijke lastenvermindering voor diegenen die in dit gebied willen varen. Er hoeft niet jaarlijks meer een vaarvergunning te worden aangevraagd.

De voorschriften uit de vaarvergunning zijn, voor zover niet elders geregeld en waar noodzakelijk, in de keur opgenomen. De Keur scheepvaartregeling en de verordening op de heffing en invordering van vaargelden kunnen met inwerkingtreding van deze keur worden ingetrokken.

Overige regelgeving vaarwegen

Naast de regels in dit hoofdstuk geldt voor het gebruik van de vaarwegen ook de voor de betreffende vaarwegen genomen verkeersbesluiten. Zo zijn voor de Lingeboezem en de vaarwegen voor de Lage Boezemwateren in de Alblasserwaard en de Buiten-Giessen, Karnemelksloot en Vaarsloot maximumsnelheden vastgesteld in een aantal verkeersbesluiten.

Ook is het, op grond van het verkeersbesluit van de Lingestoel van waterschap van de Linge (één van de rechtsvoorgangers van waterschap Rivierenland) van 28 september 2000, verboden op de vaarwegen binnen het waterschap van de Linge ligplaats te nemen, te ankeren en/of af te meren met een schip, een drijvend voorwerp en/of een drijvende inrichting.
Van het ligplaatsverbod is ontheffing mogelijk. In de vanaf 17 november 2006 geldende beleidsregels zijn verschillende ligplaatszones ingesteld, waar binnen algemene regels een vrijstelling geldt van het ligplaatsverbod.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 4.1    Verbodsbepalingen vaarwegen

In dit artikel is een algemeen verbod voor het varen met motorboten op de van toepassing zijnde vaarwegen geformuleerd. Van dit verbod wordt op onderdelen in de volgende artikelen een vrijstelling verleend al dan niet gecombineerd met een meldingsplicht.

Het varen met handmatig voortbewogen vaartuigen (inclusief waterfietsen) is op de vaarwegen in principe toegestaan, voor handmatig voortbewogen vaartuigen gelden de verbodsbepalingen uit artikel 4.1 niet.

Artikel  4.2   Vrijstelling vergunningplicht

Ten aanzien van het varen op de Linge vanaf de mond van de Korne, de Korne, de gekanaliseerde Linge tussen Arkel en Gorinchem en het Kanaal van Steenenhoek geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Het ligplaats nemen of hebben op de Lingeboezem en het Kanaal van Steenenhoek is geregeld in een apart verkeersbesluit van 28 september 2000.
Dit besluit blijft van kracht. Het ligplaats nemen of hebben is alleen toegestaan als dit gebeurt binnen het vastgestelde ligplaatsbeleid

Ook voor de de Buiten-Giessen, de Karnemelksloot, de voormalige Vluchthaven, de watergang ten zuiden van de Apollostraat,en de zijtak van de Buiten-Giessen gelegen ten noorden van het Peulenplein en de bevaarbare gedeelten van de wateren in de Biesbosch, waaronder de Bakkerskil, geldt dat er zonder vergunning kan worden gevaren, mits het vaartuig niet groter is dan de maximale toegestane scheepvaartafmetingen (en niet bij bepaalde waterstanden, ijsdikten en tussen zonsondergang en zonsopgang).

Artikel 4.3           Melding

Ten aanzien van de Lage Boezemwateren van de Nederwaard en Overwaard is het systeem van de vaarvergunningen vervangen door een systeem van meldingen. Met het oog op het specifieke karakter van deze vaarwegen en de handhaafbaarheid en de controle is varen in de Lage Boezemwateren alleen mogelijk als motorboten zijn voorzien van twee door het waterschap uitgegeven vaarstickers, die duidelijk zichtbaar aan bakboord- en stuurboordzijde op het vaartuig moeten worden bevestigd.

De melding moet eenmalig worden gedaan door de eigenaar van het vaartuig en geldt zolang het vaartuig zijn eigendom is. Indien een vaartuig van eigenaar verandert, dient de nieuwe eigenaar dus een melding te doen. De sticker is gekoppeld aan het vaartuig waarvoor de melding is gedaan. Aan de melding en toezenden van de stickers zijn voor aanvrager geen kosten verbonden. Als door onbruikbaarheid van de stickers nieuwe stickers voor hetzelfde vaartuig worden gevraagd, kunnen de kosten bij de eigenaar van het vaartuig in rekening worden gebracht. De stickers die voor inwerkingtreding van deze keur zijn uitgegeven (behorende bij de destijds geldende vaarvergunning) blijven geldig.

Artikel 4.4    Maximale scheepvaartafmetingen

Het is verboden zich op de vaarwegen te bevinden met een vaartuig dat de per traject aangegeven afmetingen of diepgang overschrijdt. Van de verbodsbepalingen kan een vergunning worden aangevraagd.

Artikel 4.5    Vaarverbod tussen zonsondergang en zonsopgang

Het is verboden de vaarwegen te bevaren met motorboten tussen een halfuur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang. In verband met de breedte en het karakter van de Linge tussen Gorinchem en de sluis te Asperen en de bereikbaarheid van industrie en jachthavens geldt het vaarbod tussen zonsondergang en zonsopgang hier niet.

Artikel 4.6    Vaarverbod bij bepaalde waterstanden en ijsdiktes

Voor verschillende trajecten in de vaarwegen worden bij bepaalde waterstanden en ijsdikten vaarverboden voor alle vaartuigen vastgesteld.

Artikel 4.7    Verbod afmeren haaks op lengterichting

Het verbod om haaks op de lengterichting af te meren is opgenomen om te voorkomen dat met het innemen van een ligplaats een vlot verloop van het scheepvaartverkeer wordt belemmerd.
Het vaartuig moet dus evenwijdig aan de oever worden afgemeerd. Het verbod geldt niet voor jachthavens.

Artikel 4.8    Bedieningstijden

Het bestuur is bevoegd om de bedieningstijden van sluizen en bruggen vast te stellen. Dit is op dit moment vastgesteld voor de schutsluis bij het Kolffgemaal, de Gorinchemse Kanaalsluis, de Peulensluis te Hardinxveld-Giessendam, de damsluis te Hardinxveld en de sluis aan de Middelkade te Alblasserdam.

In dit artikel wordt bepaald dat het bestuur dit bepaalt, voor zover hierin niet op andere wijze is voorzien. Dit laatste is opgenomen in verband met de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland om bedieningstijden vast te stellen.

In de Vaarwegenverordening Zuid-Holland wordt in artikel 2.3.1. bepaald dat Gedeputeerde Staten bedieningstijden kan vaststellen voor een sluis of een brug, niet zijnde een spoorbrug. Het gaat hier om de in de verordening genoemde vaarwegen in Zuid-Holland. Voor Waterschap Rivierenland is onder andere van belang: het Merwedekanaal, gedeelte tussen de Lek te Vianen en de Boven Merwede te Gorinchem, inclusief de vaargeul door de Voorhaven van de Grote Merwede Sluis te Gorinchem en het Verbindingskanaal, tussen Merwedekanaal en de Linge te Arkel.   

Artikel 4.9    Tijdelijke maatregelen

Deze bepaling is opgenomen omdat het in geval van bijzondere omstandigheden (waaronder onderhoud) noodzakelijk kan zijn het schutten of de doorvaart tijdelijk te beperken of nader te regelen.

Hoofdstuk 5  Het visplan ter bescherming van de ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 5.1           Visplan

In de Visserijwet 1963 zelf of in de ministeriële regeling zal wellicht op termijn worden opgenomen dat het verboden is visserij uit te oefenen, anders dan op basis van en in overeenstemming met het visplan. Een dergelijk visplan behoeft de instemming van de waterbeheerder. Daarbij toetst de waterbeheerder of het visplan aansluit bij de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor de visstand in de betreffende wateren.
De waterbeheerder geeft aan voor welke oppervlaktewaterlichamen hij een dergelijk visplan noodzakelijk acht. Dit hangt af van de mogelijkheden om via visbeheer de KRW-doelstellingen, alsmede de doelstellingen van het waterschap met betrekking tot de visstand zoals opgenomen in het waterbeheerplan, te halen. De doelen van de KRW voor het kwaliteitselement vis betreffen zowel de soortensamenstelling, als ook de leeftijdsopbouw van het visbestand.
Dit betekent dat voor veel binnenwateren doelstellingen en soorten maatregelen moeten worden opgesteld. Het is vervolgens aan de regionale waterbeheerder die maatregelen in de regionale binnenwateren uit te voeren. Binnen deze keur is ervoor gekozen om een visplan verplicht te stellen voor alle oppervlaktewaterlichamen. De visstand in de KRW- waterlichamen wordt namelijk ook beïnvloed door visserij in de overige watergangen.

De visserijkundige eenheid die zo’n visplan opstelt, is de Visstandbeheercommissie (VBC).
De verplichte deelname aan een VBC loopt via een bepaling in de huurovereenkomsten voor de rijkswateren. Dit geldt niet voor de regionale wateren. Daarom is een betere borging nodig om visserij in de regionale wateren duurzaam te laten zijn. Dat is mogelijk door een visplan daar waar nodig, verplicht te stellen en daaraan te koppelen dat de visserij alleen plaatsvindt overeenkomstig zo’n plan.

Het visplan beoogt ten eerste de visserijactiviteiten in te passen in de KRW-doelstellingen wat betreft de visstand en ten tweede een vastlegging van de verplichtingen voor de visrechthebbenden.

Hoofdstuk 6  Toezicht en handhaving

Artikel 6.1           Schouw

De schouwvoering als bedoeld in deze bepaling betreft met name de schouw op het onderhoud aan waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen. Schouwvoering betreft de uitoefening van toezicht op naleving van met name de onderhoudsbepalingen in de keur. Daarnaast wordt bij de schouw gelet op eventuele overtreding van verbodsbepalingen. Voorts biedt de keur de mogelijkheid dat bijvoorbeeld in jaren waarin wateren snel dichtgroeien het bestuur kan besluiten een extra schouw te voeren.

Artikel 6.2           Aanwijzing toezichthouders

Aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren geschiedt krachtens het bepaalde in artikel 6.2 van de keur door het bestuur (art. 5.11 Algemene wet bestuursrecht). Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat bepalingen omtrent de bevoegdheden van toezichthoudende ambtenaren.

Artikel 6.3           Strafbepalingen

In artikel 81 Waterschapswet is bepaald welke maximum straf op overtreding van de keur kan worden gesteld. In deze keur is deze maximum straf opgenomen (drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie als genoemd in artikel 23, Wetboek van strafrecht).

De opsporingsambtenaar kan de overtreder van een keurvoorschrift een schikkingsvoorstel doen om strafvervolging te voorkomen (artikel 85, derde lid, Waterschapswet).
Deze strafbepalingen staan los van het bestuursrechtelijk instrumentarium – bestuursdwang en last onder dwangsom - waarover het bestuursorgaan ingeval van overtreding kan beschikken.

Hoofdstuk 7  Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7.1           Vergunningen

Het eerste lid van dit artikel beoogt werken die vóór inwerkingtreding van de keur met vergunning of ontheffing zijn aangebracht en ook ingevolge de geldende keur vergunningplichtig zijn de status te geven van werken die met een vergunning ingevolge de keur zijn aangebracht.

Ingevolge het tweede lid worden werken, die vóór inwerkingtreding van de keur zonder vergunning of ontheffing legaal konden worden aangelegd en ingevolge de geldende keur vergunningsplichtig zijn, aangemerkt als met vergunning ingevolge de geldende keur aangebracht.

Artikel 7.2           Keurkaart

In het geval dat leggers ontbreken voor waterstaatswerken die door de provincie in haar
Waterverordening niet zijn vrijgesteld van de leggerplicht van artikel 5.1 van de Waterwet, kan het waterschap de ligging van die werken aangeven op een kaart. Die kaart geldt niet als een legger. Dat zou in strijd zijn met het bepaalde in artikel 5.1 Waterwet. De provincie geeft in de Waterverordening aan vóór welke datum het waterschap de niet van de leggerplicht vrijgestelde waterstaatswerken op de legger heeft geplaatst overeenkomstig de vereisten van artikel 5.1 van de Waterwet.

Artikel 7.3           Zones

Dit artikel bepaalt de maten van de zones voor die waterstaatswerken, waarvoor een legger ontbreekt of voor die waterstaatswerken waarvoor weliswaar een legger is vastgesteld, maar geen keurzones zijn aangewezen.

Artikel 7.4           Onderhoud aan waterstaatswerken

Het bepaalde in dit artikel beoogt te bewerkstelligen dat bij het nog ontbreken van een legger en een keurkaart het onderhoud aan waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de in dit artikel aangewezen eigenaren of het waterschap. Voor primaire waterkeringen betekent dit veelal dat het waterschap zowel het gewoon als buitengewoon onderhoud moet uitvoeren.

Artikel 7.5           Inwerkingtreding

Deze keur treedt in werking op de datum waarop de Waterwet in werking treedt.

Artikel 7.6           Citeertitel

Deze keur is getiteld Keur Waterschap Rivierenland 2009.

Algemene regels

Inleiding algemene regels

In principe zijn alle handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen die op de één of andere manier van invloed (kunnen) zijn op waterstaatwerken, volgens de Keur Waterschap Rivierenland 2009, verboden. Onder bepaalde voorwaarden, zoals opgenomen in de beleidsregels behorend bij de Keur, kunnen voor specifieke activiteiten vergunningen van die verboden worden verleend. Een vergunningaanvraag doorloopt een daartoe ingerichte procedure, welke doorgaans enkele weken in beslag neemt. Daarnaast zijn legeskosten verbonden aan het in behandeling nemen van een vergunningaanvraag.

De ervaring leert dat bepaalde, regelmatig voorkomende activiteiten weinig invloed hebben op de staat van wateren en/of waterkeringen in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Om de administratieve lasten voor zowel het waterschap als voor burgers/bedrijven te verminderen, en om de regelgeving omtrent deze activiteiten in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken te vereenvoudigen, zijn voor deze veelvoorkomende, weinig risicovolle activiteiten algemene regels opgesteld.

Door het stellen van algemene regels zijn de betreffende activiteiten niet langer vergunningplichtig, maar dienen ze wel te worden gemeld. Aan het behandelen van een melding zijn geen legeskosten verbonden.
Indien bij een melding blijkt dat wordt afgeweken van de in de algemene regels gestelde voorwaarden, dienen de activiteiten alsnog conform de algemene regels te worden uitgevoerd, of dient er een vergunningaanvraag te worden ingediend.
Wanneer sprake is van een werk waarbij zowel vergunningplichtige als meldingsplichtige activiteiten, zoals bedoeld in deze algemene regels, worden uitgevoerd, dient voor alle activiteiten gezamenlijk een vergunningaanvraag te worden ingediend. De aanvraag wordt dan getoetst aan de beleidsregels behorend bij de Keur.

De algemene regels behorend bij de Keur Waterschap Rivierenland 2009 hebben betrekking op de kern- en beschermingszones van A-, B- en C-wateren en waterkeringen. In Bijlage 1 is uiteengezet wat hier precies onder wordt verstaan.

Ten aanzien van de volgende verboden zijn algemene regels opgesteld:

  1. Het graven van wateren (Het gaat hierbij om wateren met uitsluitend een waterbergende functie en die niet in de kern- en/of beschermingszones van waterkeringen zijn gelegen);
  1. Het verbreden en/of verlengen van wateren (Het gaat hierbij om wateren die in de legger zijn aangeduid als C-wateren en die niet in de kern- en/of beschermingszones van waterkeringen zijn gelegen);
  1. Het dempen van wateren (Het gaat hierbij om wateren die in de legger zijn aangeduid als C-wateren en waarbij de compensatie plaatsvindt in bestaande en/of nieuwe C-wateren, die niet in de kern- en/of beschermingszones van waterkeringen zijn gelegen);
  1. Het aanbrengen van anti-worteldoek in A- en B-wateren (Het gaat hierbij om wateren  die zijn gelegen langs bedrijven in stedelijk gebied en langs particuliere tuinen);
  1. Het kruisen van C-wateren met kabels en leidingen;
  1. Het plaatsen van een permanent onttrekkingspunt in A- en B-wateren;
  1. Het plaatsen van een dam met duiker in een B-water;
  1. Het plaatsen van bruggen over B- en C-wateren;
  1. Het plaatsen van een betuining in wateren die niet in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland;
  1. Het plaatsen van frontmuren bij dammen met duikers;
  1. Het planten van bomen langs A- en B-wateren die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland;
  1. Het verwijderen van objecten en kunstwerken uit de kern- en beschermingszone zone van wateren;
  1. Het lozen van bronneringswater op wateren;
  1. Het plaatsen en hebben van een afrastering langs wateren;
  1. Het plaatsen van een beschoeiing (Hieronder vallen niet beschoeiingen in natuurgebieden, ecologische verbindingszones,  kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of wateren die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland);
  1. Het plaatsen van een damwand (Hieronder vallen niet damwanden in  natuurgebieden, ecologische verbindingszones,  kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of wateren die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland);
  1. Het plaatsen van een dam met duiker in een C-water;
  1. Het aanbrengen en hebben van gras en éénjarige gewassen in de beschermingszones van waterstaatswerken;
  1. Het aanbrengen en hebben van steigers (Hieronder vallen niet steigers in vaarwegen als bedoeld in hoofdstuk 4 van de keur, in de kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of ecologische verbindingszones);
  1. Het plaatsen en hebben van een uitstroomvoorziening in wateren waarvan het onderhoud bij de legger aan het waterschap zelf is opgedragen;
  1. Het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering ten behoeve van veekering in de kern- en beschermingszone van een waterkering;
  1. Het gebruik van percelen in de beschermingszone van de waterkering als tuin en bouwland;
  1. Het aanbrengen van en klein onderhoud aan erfverharding in de beschermingszone van een waterkering;
  1. Niet-dijkkruisende kabels en leidingen ten behoeve van huisaansluitingen bij percelen binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering;
  1. Het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op een pand in de kern- en beschermingszone van een waterkering;
  1. Het verrichten van klein onderhoud aan openbare wegen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen;
  1. Het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke/semi-permanente objecten in de beschermingszone van waterkeringen; 

1.  Het graven van wateren

(Het gaat hierbij om wateren met uitsluitend een waterbergende functie en die niet in de kern- en/of beschermingszones van waterkeringen zijn gelegen)

Kader

Op grond van artikel 3.2 van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken. Hieronder is ook begrepen het graven van wateren met uitsluitend een waterbergende functie.

Toelichting van de algemene regel

Het komt regelmatig voor dat wateren worden gegraven ten behoeve van een perceelscheiding of als landschappelijk element. Deze wateren worden niet gegraven om een demping of een uitbreiding van verhard oppervlak te compenseren.
Het waterschap heeft geen direct belang bij het graven van nieuwe wateren, wanneer dit niet noodzakelijk is ter compensatie van bergingsverlies ten gevolge van de demping van wateren. Het waterschap heeft wel een belang bij nieuwe wateren wanneer deze worden aangesloten op het watersysteem dat door het waterschap wordt beheerd.

Voor het dempen van en compenseren in C-wateren geldt een aparte algemene regel. Voor het graven van nieuw water ter compensatie van een uitbreiding van verhard oppervlak of de demping van een A- of B-water dient een vergunning te worden aangevraagd.

Bij het graven van nieuw water met uitsluitend een waterbergende functie kunnen de waterhuishoudkundige belangen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het graven van wateren welke in verbinding komen te staan met het watersysteem, en voor zover deze wateren uitsluitend extra waterbergende functie zullen krijgen, is geen vergunning van het verbod van artikel 3.2 vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. door het graven van nieuw water mag geen directe verbindinding ontstaan tussen verschillende peilvakken;
  1. bij het graven van nieuw water dient een minimale taludverhouding van 1:1 te worden aangehouden;
  1. indien ter plaatse van een te graven water kabels en/of leidingen aanwezig zijn, dienen deze voorafgaand aan het graven van het water minimaal 1,0 meter uit het te realiseren profiel (bodem en taluds) van het te graven water te liggen of te worden gelegd;
  1. het nieuwe water dient te worden aangesloten op het bestaande watersysteem, in overleg met en ter goedkeuring van de toezichthouder;
  1. indien het nieuw te graven water zal aansluiten op een A-water en daarbij een doorgaande onderhoudsroute doorkruist, dient in het nieuw te graven water ter plaatse van de onderhoudsroute een dam met duiker te worden geplaatst met een minimale bovenbreedte van 5 meter en een minimale diameter van 500 millimeter. Dit dient te gebeuren in overleg met de toezichthouder van het waterschap;
  1. het graven van het water dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 6 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van het te graven water staat afgebeeld, evenals de afmetingen van het te graven water. De locatie en de afmetingen dienen te worden afgebeeld overeenkomstig voorbeeldtekening 1;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

 2. Het verbreden en/of verlengen van wateren

(Het gaat hierbij om wateren die in de legger zijn aangeduid als C-wateren en die niet in de kern- en/of beschermingszones van waterkeringen zijn gelegen)

Kader

Op grond van artikel 3.2 van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken. Hieronder is ook begrepen het verbreden en/of verlengen van C-wateren.

Toelichting van de algemene regel

Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt hebben C-wateren alleen een waterbergende functie. Wanneer deze wateren worden verbreed en/of verlengd wordt er meer waterberging gecreëerd. Het waterschap staat hier positief tegenover. De waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het verbreden en/of verlengen van bestaande C-wateren is geen vergunning van het verbod van artikel 3.2 vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. door het verlengen van een bestaande C-water mogen geen directe verbindingen ontstaan tussen verschillende peilvakken;
  1. bij het verbreden van een bestaande C-water dient een minimale taludverhouding van 1:1 aangehouden te worden;
  1. bij het verlengen van een bestaand C-water dient het bestaande profiel te worden doorgetrokken;
  1. indien ter plaatse van een te verbreden en/of te verlengen water kabels en/of leidingen aanwezig zijn, dienen deze in overleg met de kabel-/leidingeigenaar, en voorafgaand aan het verbreden en/of verlengen van het water, minimaal 1,0 meter buiten het te realiseren profiel (bodem en taluds) van het water te liggen of te worden gelegd;
  1. het verbrede en/of verlengde water dient te worden aangesloten op het bestaande watersysteem in overleg met en ter goedkeuring van de toezichthouder;
  1. indien door de verlenging van een C-water een doorgaande onderhoudsroute langs een A-water wordt doorsneden, dient in het C-water een dam met duiker te worden gelegd met een minimale bovenbreedte van 5 meter en een minimale diameter van 500 millimeter. Dit dient te gebeuren in overleg met en ter goedkeuring van de toezichthouder van het waterschap;
  1. het verbreden en/of verlengen van C-wateren dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding zoals bedoeld onder 7 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van het te verbreden en/of te verlengen C-water staat afgebeeld, evenals de afmetingen van het te verbreden en/of te verlengen water. De locatie en de afmetingen dienen te worden afgebeeld zoals is afgebeeld op voorbeeldtekening 1;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    3. Het dempen van wateren

    (Het gaat hierbij om wateren die in de legger zijn aangeduid als C-wateren en waarbij de compensatie plaatsvindt in bestaande en/of nieuwe C-wateren, die niet in de kern- en/of beschermingszones van waterkeringen zijn gelegen)

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder a van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder is ook begrepen het dempen van wateren.
Daarnaast is het op grond van artikel 3.2 van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 verboden om zonder vergunning van het bestuur […] waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken. Hieronder is ook begrepen het graven van nieuwe wateren ter compensatie van dempingen van wateren.

Toelichting van de algemene regel

Wanneer het gaat om de waterhuishouding hebben C-wateren in principe alleen een waterbergende functie. Het actief dempen van C-wateren is niet toegestaan, omdat dat gepaard gaat met een acuut verlies aan waterberging. Een demping van een C-water dient dan ook te allen tijde gecompenseerd te worden.

Bij dempingen van wateren dient te worden voldaan aan het Besluit Bodemkwaliteit. Wanneer de demping wordt gemeld door een aannemer en de grond die wordt gebruikt voor de demping van een andere lokatie komt dan waar de demping plaatsvindt (dus niet de grond die vrijkomt bij het realiseren van de compensatie), dient ook een melding in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit te worden gedaan. Particulieren hoeven in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit geen melding te doen. Het waterschap kan hierover, indien nodig, informatie verstrekken.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Wanneer het waterbergingsverlies ten gevolge van een demping van een C-water wordt gecompenseerd in een reeds bestaand of een nieuw C-water, is geen vergunning op grond van artikel 3.1 eerste lid onder a en artikel 3.2 vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. het verlies aan waterberging dient evenredig, gemeten in vierkante meters wateroppervlak bij zomerpeil, volledig in hetzelfde peilvak te worden gecompenseerd door het graven van een nieuw C-water en/of het verbreden van een bestaand C-water;
  1. de compensatie dient voorafgaand of minimaal gelijktijdig aan de demping te worden uitgevoerd;
  1. bij compensatie door het verbreden van een bestaand C-water en/of het graven van een nieuw C-water dient een taludverhouding van minimaal 1:1 aangehouden te worden;
  1. indien ter plaatse van een te verbreden en/of te verlengen water kabels en/of leidingen aanwezig zijn, dienen deze voorafgaand aan het verbreden en/of verlengen van het water, en in overleg met de kabel-/leidingeigenaar, minimaal 1,0 meter buiten het te realiseren profiel (bodem en taluds) van het water te liggen of te worden gelegd;
  1. het nieuwe water dient te worden aangesloten op het bestaande watersysteem in overleg met en ter goedkeuring van de toezichthouder van het waterschap;
  1. de functie van eventueel aanwezige afvoeren van aanliggende percelen die (hemel)water lozen op het (de) te dempen water(en) dienen in stand te blijven, zonodig in overleg met de eigenaren/gebruikers van de afvoeren;
  1. eventueel wateroverlast voor derden als gevolg van de demping dient door de initiatiefnemer van de demping verholpen te worden, al dan niet op aanzeggen van  het Waterschap en in overleg met de toezichthouder van het Waterschap;
  1. het dempen en compenseren van C-wateren dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder  8  dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie en de afmetingen van de te dempen en nieuw te graven water(en) staat afgebeeld overeenkomstig voorbeeldtekening 1.
  1. indien bij een demping meerdere eigenaren betrokken zijn dient bij de melding als bedoeld onder 8 een schriftelijke toestemming van de betreffende eigena(a)r(en) te worden gevoegd;
  1. indien de demping wordt uitgevoerd in de Provincie Zuid-Holland dient bij de melding als bedoeld onder 8 een ingevuld slootdempingsformulier van de provincie Zuid-Holland te worden gevoegd;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    4. Het aanbrengen van anti-worteldoek in A- en B-wateren

    (Het gaat hierbij om wateren langs bedrijven in stedelijk gebied en langs particuliere tuinen)

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen van anti-worteldoek binnen de kernzone van A- en B-wateren.

Toelichting van de algemene regel

Bij veel tuinen van particulieren wordt anti-worteldoek in de kernzones van wateren toegepast om de tuin ter plaatse een net afgewerkt karakter te geven en het onderhoud te vergemakkelijken. Op plaatsen waar anti-worteldoek wordt toegepast kan het bij onderhoud aan de betreffende wateren door het waterschap echter lastig zijn om maaisel ‘op de kant te zetten’. Daarnaast zijn grote stroken met anti-worteldoek bedekte taluds niet bevorderlijk voor de ecologie rondom en in de wateren. Stroken anti-worteldoek in wateren zijn in deze gevallen qua omvang echter relatief beperkt, waardoor de waterhuishoudkundige uitgangspunten voldoende kunnen worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Met betrekking tot (delen van) A-wateren die zich niet langs bedrijven in stedelijk gebied of langs particuliere tuinen bevinden, blijft het verbod op anti-worteldoek van kracht. In dit verband wordt onder ‘stedelijk gebied’ verstaan, dat gebied dat zich bevindt binnen de door de betrokken gemeente als ‘bebouwde kom’ aangewezen gebied.

Het aanbrengen van anti-worteldoek in ecologisch aangewezen wateren is nooit toegestaan.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen van anti-worteldoek in A- en B-wateren langs bedrijven in stedelijk gebied en langs particuliere tuinen, is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. binnen 20 centimeter boven zomerpeil mag geen anti-worteldoek worden toegepast;
  1. om te voorkomen dat het anti-worteldoek in het oppervlaktewater terecht komt, dient het ant-worteldoek met een beschoeiing te worden vastgezet. De beschoeiing dient te worden geplaatst conform principetekening 1;
  1. de beschoeiing dient in het talud en op ten minste 0,20 meter boven zomerpeil te worden geplaatst;
  1. het anti-worteldoek dient zodanig te worden verankerd dat het niet kan opwaaien;
  1. de melder dient het anti-worteldoek en de beschoeiing in goede staat te onderhouden;
  1. eventuele begroeiing dient zo laag mogelijk gehouden te worden met een maximale hoogte van 30 centimer;
  1. de begroeiing dient zodanig bijgehouden te worden dat de beschoeiing te allen tijde duidelijk zichtbaar blijft;
  1. het aanbrengen van het anti-worteldoek dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 8 dient een situatietekening te worden gevoegd, waarop duidelijk de locatie van het anti-worteldoek en de daarbij behorende beschoeiing staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    5. Het kruisen van C-wateren met kabels en leidingen

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het kruisen van wateren met kabels en leidingen.

Toelichting van de algemene regel

Het belang voor het waterschap bij het kruisen van wateren betreft voornamelijk de stabiliteit van de oever van het betreffende water. Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van het water worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever. Daarnaast moet worden voorkomen dat kabels en leidingen worden beschadigd bij onderhoudswerkzaamheden aan wateren.
Bij C-wateren geldt echter geen onderhoudsplicht en is er geen sprake van een beschermingszone. Het leggen van kabels evenwijdig aan C-wateren is dan ook niet meldings- of vergunningplichtig. Gezien het feit dat Waterschap Rivierenland een beperkt belang heeft bij C-wateren kunnen de waterhuishoudkundige belangen met betrekking tot het kruisen van C-wateren met kabels en leidingen worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Op de aanvulling van de sleuf in de kernzone van het water is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Dat betekent dat de aanvulling van de sleuf met schone grond dient te worden uitgevoerd.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het kruisen van C-wateren met kabels en leidingen is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de aanvulling van de sleuf in de kernzone van het water dient te worden uitgevoerd met als niet-verontreinigd geclassificeerde grond, zoals is bedoeld in het Besluit Bodemkwaliteit;
  1. indien de kabel en/of leiding over een aanwezig kunstwerk wordt gelegd, dient men ervoor zorg te dragen dat het kunstwerk bij de werkzaamheden niet wordt beschadigd;
  1. het kruisen van C-wateren met kabels en leidingen dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 3 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop de locatie van de uit te voeren werkzaamheden duidelijk staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    6. Het plaatsen van een permanent onttrekkingspunt in A- en B-wateren

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van een onttrekkingspunt.

Toelichting van de algemene regel

Het onttrekken van oppervlaktewater aan het watersysteem gebeurt voornamelijk in de agrarische sector, enerzijds om te kunnen beregenen in tijden van droogte en anderzijds om schade aan gewassen ten gevolge van nachtvorst tegen te gaan. In artikel 3.17 van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is aangegeven hoeveel water er maximaal aan het watersysteem onttrokken mag worden.

In veel gevallen wordt ten behoeve van de onttrekking van oppervlaktewater een permanent onttrekkingspunt in het talud van het water aangelegd. Het is daarbij van belang dat het doelmatig onderhoud aan het water niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van het onttrekkingspunt. De waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Wanneer onttrekkingen plaatsvinden zonder een aangelegd werk, maar bijvoorbeeld met een zuigslang die los in het water wordt geplaatst, hoeft de gebruikte onttrekkingsconstructie niet te worden gemeld. Wel is het van belang dat er niet meer water aan het watersysteem wordt onttrokken dan volgens artikel 3.17 van de Keur is toegestaan (een maximale peilverlaging van 5 centimeter per onttrekker).

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen van een onttrekkingspunt en het onttrekken van oppervlaktewater is geen vergunning van artikelen 3.1 eerste lid onder b vereist, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. het onttrekkingpunt dient te bestaan uit een deugdelijke, afdoende gefundeerde taludbak van niet uitlogend materiaal, die geheel verzonken in het talud van het water dient te worden aangebracht conform principetekening nummer 7 of 7a;
  1. de taludbak, de zuigleiding, het vuilrooster of andere constructies dienen buiten het natte profiel van het water te worden aangebracht;
  1. de taludbak mag maximaal 0,80 meter landinwaards in het talud van het water worden aangebracht, gerekend vanaf het talud op zomerpeilniveau; 
  1. de taludbak, pompinstallatie en lei¬dingen dienen zodanig te worden aangebracht, dat de in de Keur Waterschap Rivierenland 2009 bedoelde strook van 4 meter (5 meter in de gebieden in Alblasserwaard, Vijfherenlanden, Alm en Biesbosch) uit de insteek van een A-water en 1 meter uit de insteek van een B-water vrij bereikbaar en vrij van obstakels blijft ten behoeve van het onderhoud van het water;
  1. de onttrekker en diens rechtsopvolgers zijn verplicht het onttrekkingpunt in goede staat te onderhouden;
  1. indien naar het oordeel van het waterschap het onttrekkingspunt geen functie meer vervult ten behoeve van droogte- en/of nachtvorstbestrijding, dient het onttrekkingspunt met bijbehorende werken, op eerste aanmaning door of namens het college van dijkgraaf en heemraden, te worden verwijderd;
  1. het aanbrengen van een onttrekkingspunt dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 7 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van het onttrekkingspunt / de onttrekkingspunten staa(n)(t) afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    7. Het plaatsen van een dam met duiker in een B-water

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van een dam met duiker in een B-water.

Toelichting van de algemene regel

Het belang van het waterschap bij het plaatsen van een dam met duiker in een B-water betreft voornamelijk de doorstroming van het betreffende water. Door de plaatsing van een dam met duiker treedt er een plaatselijke versmalling van het water op, waardoor de doorstroming van het water wordt verminderd en opstuwing kan ontstaan. Het plaatsen van een dam met duiker in een B-water betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt echter een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Het plaatsen van een dam met duiker in een A-water is vergunningplichtig. Voor het plaatsen van dammen met duikers in C-wateren geldt een aparte algemene regel.

Bij het plaatsen van een dam met duiker dient te worden voldaan aan het Besluit Bodemkwaliteit. Het waterschap kan hierover, indien nodig, informatie verstrekken.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen van een dam met duiker in een B-water is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de te plaatsen dam met duiker dient ter onsluiting van een perceel;
  1. de plaatsing wordt overeenkomstig principetekening 6b uitgevoerd;
  1. indien het water watervoerend is dient het water voor het starten van de werkzaamheden te worden afgedamd met damwanden of schotten. Eventueel aanwezige kabels en leidingen mogen daarbij niet worden beschadigd;
  1. de minimale diameter van een duiker in een B-water in landelijk gebied (het gebied buiten de bebouwde kom) bedraagt 500 millimeter;
  1. de minimale diameter van een duiker in een B-water in stedelijk gebied (het gebied binnen de bebouwde kom) bedraagt 800 millimeter;
  1. de totale duikerlengte bedraagt maximaal 10 meter wanneer het een ontsluiting van een woonperceel betreft;
  1. de totale duikerlengte bedraagt maximaal 12 meter wanneer het een ontsluiting van een bedrijfsperceel betreft;
  1. bij een diameter tot 800 millimeter dient de duiker te worden gelegd op een verdicht zandbed van 300 millimeter;
  1. bij een diameter groter dan 800 millimeter dient de duiker te worden geplaatst op een verdicht zandbed van 600 millimeter;
  1. de vrije ruimte boven het waterpeil  dient één vijfde van de diameter van de duiker te bedragen, gemeten vanaf winterpeil (zomerpeil indien er geen sprake is van een vastgesteld winterpeil) en met een minimum van 200 millimeter;
  1. indien het winterpeil (of het zomerpeil wanneer er geen sprake is van een vastgesteld winterpeil) zich onder de vaste bodem van het water bevindt, dient de binnen onderkant van de duiker op gelijke hoogte met de vaste bodem van het water te worden gelegd;
  1. het toe te passen materiaal is beton, of een gelijkwaardig materiaal (ter beoordeling van het waterschap), behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal;
  1. de aanvulling van de dam dient vanaf het zandbed tot halverwege de buishoogte te worden gemaakt van zand, daarna van  gebiedseigen grond tot 0,20 meter boven de bovenkant van de duiker en vervolgens grond,  zand of verharding;
  1. de taluds aan de uiteinden van de duiker dienen te worden opgezet onder een helling van ten minste 1:1 en als volgt te worden afgewerkt:
    • bekleding met klei, welke dient te worden ingezaaid met bermgras óf
    • taludbescherming tot op de bodem van het water, zoals grasbetonstenen, welke wordt opgevangen door een betuining.
  1. de duikerbuizen dienen in een rechte lijn en in het hart van het water te worden gelegd en waterdicht op elkaar te worden aangesloten;
  1. de dam met duiker mag niet binnen een afstand van 10 meter van een ander kunstwerk (dam met duiker, brug) worden geplaatst, gemeten in zowel boven- als benedenstroomse richting;
  1. de dam met duiker dient op een afstand van ten minste 20 meter van een eventuele stuw te worden geplaatst, gemeten in zowel boven- als benedenstroomse richting;
  1. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct dienen te worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de toezichthouder. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. het plaatsen van een dam met duiker in een B-water dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van het waterschap. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. wanneer een dam met duiker wordt geplaatst ten behoeve van een ontsluiting naar de openbare weg dient toestemming te worden gevraagd aan de wegbeheerder;
  1. bij de melding als bedoeld onder 19 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop de locatie van het uit te voeren werk duidelijk staat aangegeven,  inclusief de afmetingen van de dam met duiker (lengte, diameter en hoogte);
  1. wanneer het water waarin een dam met duiker wordt geplaatst (gedeeltelijk) in eigendom is van (een) belanghebbende(n) anders dan de aanvrager, dient bij de melding als bedoeld onder 19 een schriftelijke toestemming van de betreffende eigena(a)r(en)/belanghebbende(n) te worden gevoegd;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    8. Het plaatsen van bruggen over B- en C-wateren

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder valt ook het plaatsen van bruggen over B- en C-wateren.

Toelichting van de algemene regel

Bruggen, mits geplaatst volgens de hieronder beschreven voorschriften, hebben vrijwel geen effect op de waterhuishouding, aangezien een brug de doorstroming van een water niet of nauwelijks beïnvloedt. Daarnaast worden B-wateren onderhouden door de eigena(a)r(en) van de aangrenzende percelen. Waterschap Rivierenland heeft met betrekking tot het onderhoud dan ook geen direct belang bij de plaatsing van bruggen over B- en C-wateren, behalve waar het de zogenaamde bermsloten in het voormalig Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch betreft, welke wel door het waterschap worden onderhouden. Er worden eisen gesteld aan de constructie van een brug om de stabiliteit van de oevers van het betreffende water te waarborgen.

Het plaatsen van bruggen over C-wateren hoeft, gezien het geringe waterhuishoudkundige belang, niet te worden gemeld.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het plaatsen van bruggen over B- en C-wateren en voor zover de betreffende wateren niet in beheer van Waterschap Rivierenland zijn is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. indien het water watervoerend is, dient het water voor het starten van de werkzaamheden te worden afgedamd met damwanden of schotten. Eventueel aanwezige kabels en leidingen mogen daarbij niet worden beschadigd;
  1. de minimale afstand tussen het zomerpeil en de onderkant van de brug bedraagt 0,30 meter;
  1. brughoofden mogen de stabiliteit van de oevers niet aantasten;
  1. voor wateren met een bovenbreedte tot 5 meter geldt dat in de wateren of taluds geen ondersteuningspunten mogen worden aangebracht;
  1. bruggen mogen niet binnen een afstand van 10 meter van een ander kunstwerk (bijvoorbeeld een brug, dam met duiker of stuw) worden geplaatst, gemeten in zowel beneden- als bovenstroomse richting;
  1. wanneer bruggen dienen ter ontsluiting naar de openbare weg dient hiervoor toestemming te worden gevraagd aan de wegbeheerder.
  1. het plaatsen van bruggen over B-wateren dient te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 7 dient een duidelijke situatietekening te worden gevoegd waarop de locatie en de afmetingen van de brug(gen) duidelijk staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

9. Het plaatsen van een betuining in wateren die niet in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van een betuining.

Toelichting van de algemene regel

Een betuining is een constructie die, in tegenstelling tot een beschoeiing, onder het waterpeil en geheel verzonken in het talud van een water wordt geplaatst, ter versteviging van de oever. Een betuining heeft daardoor een puur waterhuishoudkundige functie. De voorschriften waaraan dient te worden voldaan bij het plaatsen van een betuining, hebben tot doel dat het doorstromingsprofiel van het water in stand blijft. Er wordt door het plaatsen van een betuining geen waterberging weggenomen. Omdat een betuining geen nadelig effect heeft op de waterhuishouding kunnen de waterhuishoudkundige belangen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen van een betuining in wateren die niet in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de plaatsing van de betuining dient conform principetekening 2 te worden uitgevoerd;
  1. de betuining dient in zijn geheel in het talud te worden geplaatst en mag dus niet zichtbaar zijn;
  1. de betuining dient te bestaan uit niet-uitlogend materiaal (geen gewolmaniseerd of gecreosoteerd hout);
  1. de constructie van de betuining dient dusdanig stevig te zijn dat deze niet kan vervormen;
  1. degene die de melding van het plaatsen van de betuining doet dient de werken in goede staat te onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen van de betuining met bijbehorende werken, het talud en/of maaiveld van de beschermingszone achter de betuining direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de toezichthouder. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. het aanbrengen van een betuining in een water dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 6 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van de te plaatsen betuining en de daarbij behorende afmetingen staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    10. Het plaatsen van frontmuren bij dammen met duikers

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid 1 onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van frontmuren bij dammen met duikers.

Toelichting van de algemene regel

Frontmuren worden aan de uiteinden van dammen met duikers geplaatst, waarna de ruimte tussen de frontmuren wordt opgevuld met grond, zodat de breedte van de dam met duiker optimaal kan worden benut bij de ontsluiting van een perceel. Het belang van het waterschap bestaat er voornamelijk uit dat er bij het aanbrengen van de frontmuren geen materialen in het water terecht (kunnen) komen en dat het gebruikte materiaal geen negatief effect heeft op de waterkwaliteit. Frontmuren zijn eenvoudige constructies die de waterhuishouding niet méér negatief beinvloeden dan de dammen met duikers waar ze worden geplaatst. De waterhuishoudkundige belangen kunnen daarom voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het plaatsen van frontmuren bij dammen met duikers is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de uiteinden van de duiker dienen te worden voorzien van frontmuren van rotvrij, niet-uitlogend materiaal, geplaatst op een deugdelijke fundatie;
  1. de frontmuren van de duiker dienen onderling veran¬kerd te worden;
  1. de aanvulling van de dam, tussen de frontmuren, dient te worden gemaakt van schone grond of zand;
  1. het plaatsen van de frontmuren dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 4 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van de betreffende dam met duiker staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

11. Het planten van bomen langs A- en B-wateren die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het planten van bomen langs A-wateren en B-wateren die in beheer en onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland.

Toelichting van de algemene regel

Het te dicht op elkaar plaatsen van bomen langs door het waterschap te onderhouden wateren kan het doelmatig onderhoud van die wateren belemmeren. Een te korte afstand tussen de bomen en de insteek van de wateren kunnen daarnaast op termijn leiden tot aantasting van het talud. Knotbomen in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden vormen, vanwege de zwaarwegende landschappelijke waarde, een uitzondering ten opzichte van bomen in overige gebieden binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Knotbomen worden van oudsher op de insteek van wateren geplant en vormen als zodanig belangrijke cultuurhistorische, beeldbepalende elementen in het landschap. Voor het planten van knotbomen langs wateren welke zijn gelegen in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden gelden dan ook de specieke voorschriften 2 en 3 van deze algemene regel.

Deze algemene regel heeft geen betrekking op productiegewassen in de laanbomen- of fruit(bomen)teelt. Deze bomen vallen onder de beleidsregel betreffende ‘objecten’.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het planten van bomen langs A- en B-wateren die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. bomen mogen niet in het talud van een water worden geplant;
  1. de afstand van de te planten bomen tot de insteek van het water dient minimaal 1,5 meter te bedragen. Knotbomen in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden mogen op de insteek van wateren worden geplant;
  1. de minimale hart-op-hart afstand van de bomen onderling en ten opzichte van andere obstakels bedraagt 15 meter. Voor knotbomen in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden bedraagt de minimale hart-op-hart-afstand 6 meter;
  1. in de beschermingszone mogen binnen een straal van 10 meter van een kunstwerk (bijvoorbeeld een dam met duiker, brug of stuw) geen bomen worden geplaatst, gemeten in zowel beneden- als bovenstroomse richting;
  1. de bomen dienen zodanig te worden onderhouden en opge¬snoeid, dat van deze bomen geen takken afhangen binnen 5 meter boven het maaiveld;
  1. achter de bomen (aan de landzijde) dient, parallel aan het A-water, een strook van 4 meter (5 meter in het gebied van de Alblasserwaard, Vijfheerenlanden, Alm en Biesbosch) vrij te blijven van obstakels, in verband met onderhoudswerkzaamheden;
  1. het planten van bomen langs A- en B-wateren welke in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 7 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de lokatie van de te planten bomen staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    12. Het verwijderen van objecten en kunstwerken uit de kern- en beschermingszone van wateren

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het verwijderen van objecten/kunstwerken uit de keurzone van wateren.

Toelichting van de algemene regel

Het verwijderen van een object/kunstwerk uit een water heeft een positief effect op de waterhuishouding, met name omdat daardoor de doorstroming van het water verbetert. Het belang van het waterschap bij het verwijderen van een object/kunstwerk is er in gelegen dat het water in goede staat wordt hersteld. De risico’s bij het verwijderen van een object/kunstwerk zijn echter zo gering dat kan worden volstaan met een algemene regel.

Peilscheidende kunstwerken mogen onder geen voorwaarde worden verwijderd!

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het verwijderen van objecten/kunstwerken uit wateren is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. het object/kunstwerk dient volledig te worden verwijderd uit de kern- en/of beschermingszone van het water, inclusief bijbehorende werken en eventuele landhoofden;
  1. nadat het object/kunstwerk is verwijderd, dient het plaatselijke profiel van het water te worden hersteld;
  1. eventueel aanwezige kabels en leidingen dienen, in overleg met de kabel-/leidingeigenaar, minimaal 1 meter onder het leggerprofiel van het water gebracht te worden (bij het ontbreken van een leggerprofiel dienen de vaste bodem en taluds van het water als uitgangspunt te worden gehanteerd);
  1. het talud ter plaatse van het verwijderde object/kunstwerk dient te worden ingezaaid met bermgras;
  1. bij eventuele verzakkingen van het talud tijdens of na de werkzaamheden dient, op aanwijzing van de toezichthouder, een beschoeiing te worden geplaatst;
  1. het verwijderen van een object/ kunstwerk dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 6 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van het te verwijderen object/kunstwerk staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

13. Het lozen van bronneringswater op wateren

Kader

  1. Op grond van artikel 3.7 onder a van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het zonder vergunning van het bestuur verboden om
    meer dan 100 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als A-wateren;
    meer dan 30 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als B-wateren;
    meer dan 1 m3 water te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als C-wateren.
    Hieronder wordt ook verstaan het lozen van bronneringswater.
     

Toelichting van de algemene regel

Het lozen van bronneringswater op wateren komt voornamelijk voor bij bronneringswerkzaamheden ten behoeve van bijvoorbeeld bouwprojecten. Het belang voor het waterschap bij het lozen van bronneringswater op wateren betreft voornamelijk de bergingscapaciteit en doorstroming van de wateren waarop wordt geloosd. Om schadelijke gevolgen aan de waterhuishouding te voorkomen worden normen gesteld met betrekking tot de duur van de bronnering en de hoeveelheid te lozen water.

In de praktijk blijkt dat de duur van een ruime meerderheid van de aangevraagde bronneringen minder dan een half jaar bedraagt en dat de hoeveelheid te lozen water geen negatieve gevolgen heeft voor de bergingscapaciteit en de doorstroming van de wateren.Voor lozingen als gevolg van bronneringen kunnen de waterhuishoudkundige belangen dan ook voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het lozen van bronneringswater op wateren is geen vergunning vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden;

  1. de lozingsperiode is korter dan een half jaar;
  1. de lozing mag een debiet van 100 m3 /uur en 100.000 m3 /jaar niet overschreiden;
  1. het te lozen water is schoon (géén saneringswater);
  1. het gehalte onopgeloste bestanddelen bedraagt maximaal 50 milligram per liter;
  1. het zuurstofgehalte van het te lozen water bedraagt minimaal 5 milligram per liter;
  1. er mogen ten gevolge van de lozing geen visuele verontreinigingen in het water optreden;
  1. door de lozing mag geen overlast bij derden of Waterschap ontstaan;
  1. de lozing dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het aanvraagformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 8 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van de uit te voeren werkzaamheden en het lozingspunt staan afgebeeld;
  1. de aanvrager blijft verantwoordelijk voor eventuele schade die door de onttrekking of lozing wordt
          veroorzaakt.

    14. Het plaatsen en hebben van een afrastering langs wateren

Kader

Op grond van artikel 2.1 eerste lid van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 kunnen de eigenaren van gronden die gebruikt worden voor het houden van dieren en die gelegen zijn nabij waterstaatswerken […] door het bestuur verplicht worden langs hun gronden een voldoende kerende afrastering aan te brengen en te onderhouden. Op grond van artikel 2.1 tweede lid kan het bestuur algemene regels stellen omtrent afrasteringsconstructies en wijze van plaatsing.

Het gebod van artikel 2.1 eerste lid van de keur geldt niet voor de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, gezien de aard en het karakter van het gebied.

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt onder andere begrepen het plaatsen, hebben en onderhouden van afrasteringen langs wateren.

Toelichting van de algemene regel

Afrasteringen kunnen enerzijds worden gezien als objecten die het doelmatig onderhoud aan waterstaatswerken kunnen belemmeren, terwijl ze anderzijds, in de vorm van een veekering, juist voorkomen dat het vee de gesteldheid van waterstaatswerken aantast. Wanneer aan de hieronder beschreven voorwaarden wordt voldaan komt het doelmatig onderhoud niet in gevaar. Bovendien kunnen afrasteringen, indien nodig, vrij eenvoudig worden verwijderd.
Het plaatsen van een afrastering betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Een melding voor het plaatsen van een afrastering langs wateren is niet nodig, mits aan de hieronder beschreven voorwaarden wordt voldaan.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het plaatsen van een afrastering langs wateren is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de afrastering wordt paralllel aan het water geplaatst;
  1. de afrastering bestaat uit palen met draad of gaas met een maximale hoogte van 1,0 meter boven het maaiveld;
  1. de afrastering wordt tussen 0,5 en 1,0 meter vanaf de insteek van het water geplaatst;
  1. de afrastering is van een zodanige constructie dat het onderhoud aan de wateren door of in opdracht van het waterschap niet wordt belemmerd; 
     

15. Het plaatsen van een beschoeiing

(Hieronder vallen niet beschoeiingen in natuurgebieden, ecologische verbindingszones,  kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of wateren die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland)

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van een beschoeiing.

Toelichting van de algemene regel

Een beschoeiing is een oeververstevigende constructie die in voorkomende gevallen in het talud van een water kan worden geplaatst om afkalving en instorten van de oever te voorkomen. De voorwaarden waaraan dient te worden voldaan bij het plaatsen van een beschoeiing hebben tot doel dat er zo min mogelijk waterbergingsverlies optreedt en dat er een zo klein mogelijk effect op de doorstroming van het betreffende water ontstaat.

Voorkomen moet worden dat een beschoeiing in de kernzone van een water wordt geplaatst om het gebruiksareaal van een perceel te vergroten, ten koste van het profiel van dat water. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de beschoeiing wordt doorgetrokken tot aan het maaiveld en de ruimte achter de beschoeiing wordt opgevuld met grond. Dergelijke constructies worden aangemerkt als damwanden. Voor damwanden geldt een aparte algemene regel.

Omdat het effect op de waterberging en de doorstroming doorgaans zeer gering is kunnen de waterhuishoudkundige belangen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het plaatsen van een beschoeiing buiten natuurgebieden, ecologische verbindingszones, kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of wateren welke niet in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

  1. het plaatsen van een beschoeiing bij een natuurvriendelijke oever met een taludverhouding van 1:2 of flauwer is niet toegestaan, omdat de stabiliteit van de oever reeds door de flauwe taludverhouding is gewaarborgd;
  1. de plaatsing van de beschoeiing dient conform principetekening 1 te worden uitgevoerd;
  1. de beschoeiing dient op ten minste 20 centimeter boven zomerpeil in het talud van het water te worden geplaatst;
  1. indien het hoogteverschil tussen het zomerpeil en het maaiveld ter plaatse meer bedraagt dan 0,60 meter, dan mag de beschoeiing, gemeten vanuit het talud, maximaal 0,20 meter hoog zijn;
  1. indien het hoogteverschil tussen het zomerpeil en het maaiveld ter plaatse 0,60 meter of minder bedraagt, dan mag de beschoeiing worden doorgetrokken tot aan het maaiveld;
  1. de beschoeiing mag niet boven het maaiveld uitsteken;
  1. de beschoeiing dient te bestaan uit deugdelijk en niet uitlogend materiaal  en aan de achterzijde te worden voorzien van anti-worteldoek. Gewolmaniseerd of gecreosoteerd hout of een ander uitlogend materiaal is niet toegestaan;
  1. de beschoeiing dient op deugdelijke wijze te worden verankerd in het ach¬terliggende perceel, op een zodanige wijze dat geen vervorming kan plaatsvinden;
  1. de melder en diens rechtsopvolgers dienen de werken in goede staat te onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen van de beschoeiing met bijbehorende werken, het talud en/of maaiveld van de beschermingszone achter de beschoeiing direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de toezichthouder van het waterschap. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. het aanbrengen van een beschoeiing in een water dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 10 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van de te plaatsen beschoeiing en de daarbij behorende afmetingen staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

    16. Het plaatsen van een damwand

    (Hieronder vallen niet damwanden in natuurgebieden, ecologische verbindingszones,  kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of wateren die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland)

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van een damwand.

Toelichting van de algemene regel

Een damwand is een grondkerende constructie die, in tegenstelling tot een beschoeiing, niet in het talud van een water, maar op de insteek van een water wordt geplaatst, om afkalving en instorten van de oever te voorkomen. De voorwaarden waaraan dient te worden voldaan bij het plaatsen van een damwand hebben tot doel dat er zo min mogelijk waterbergingsverlies optreedt en dat er een zo klein mogelijk effect op de doorstroming van het betreffende water ontstaat.

Omdat het effect op de waterberging en de doorstroming doorgaans zeer gering is kunnen de waterhuishoudkundige belangen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het plaatsen van een damwand buiten natuurgebieden, ecologische verbindingszones, kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of wateren welke niet in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

  1. de plaatsing van de damwand dient conform principetekening 1a te worden uitgevoerd;
  1. de damwand dient op de insteek van het water te worden geplaatst, zodanig dat het natte profiel van het water niet wordt verkleind;
  1. de damwand mag niet boven het maaiveld uitsteken;
  1. de damwand dient te bestaan uit deugdelijk en niet uitlogend materiaal en aan de achterzijde te worden voorzien van anti-worteldoek. Gewolmaniseerd of gecreosoteerd hout of een ander uitlogend materiaal is niet toegestaan;
  1. de damwand dient op deugdelijke wijze te worden verankerd in het ach¬terliggende perceel, op een zodanige wijze dat geen vervorming kan plaatsvinden;
  1. de melder en diens rechtverkrijgenden dienen de werken in goede staat te onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen van de damwand met bijbehorende werken, het talud en/of maaiveld van de beschermingszone achter de damwand direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de toezichthouder. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. het aanbrengen van een damwand in een water dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 7 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de lokatie van de te plaatsen damwand en de daarbij behorende afmetingen staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

 17. Het plaatsen van een dam met duiker in een C-water

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van een dam met duiker in een C-water.

Toelichting van de algemene regel

Wateren die in de legger zijn aangemerkt als C-wateren hebben in principe slechts een waterbergende functie. Het belang van het waterschap bij het plaatsen van een dam met duiker in een C-water betreft dan ook de waterberging van het betreffende water. Door de plaatsing van een dam met duiker wordt er waterberging weggenomen. Het plaatsen van een dam met duiker in een C-water betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt echter een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Het plaatsen van een dam met duiker in een A-wateren is vergunningplichtig. Voor het plaatsen van dammen met duikers in B-wateren geldt een aparte algemene regel.

Bij het plaatsen van een dam met duiker dient te worden voldaan aan het Besluit Bodemkwaliteit. Het waterschap kan hierover, indien nodig, informatie verstrekken.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen van een dam met duiker in een C-water is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de te plaatsen dam met duiker dient ter onsluiting van een perceel;
  1. de plaatsing wordt overeenkomstig principetekening 6a uitgevoerd;
  1. de minimale diameter van een duiker bedraagt 500 millimeter;
  1. de totale duikerlengte bedraagt maximaal 10 meter wanneer het een ontsluiting van een woonperceel betreft;
  1. de totale duikerlengte bedraagt maximaal 12 meter wanneer het een ontsluiting van een bedrijfsperceel betreft;
  1. de vrije ruimte boven het waterpeil  dient één vijfde van de diameter van de duiker te bedragen, gemeten vanaf winterpeil (zomerpeil indien er geen sprake is van een vastgesteld winterpeil) en met een minimum van 200 millimeter;
  1. indien het winterpeil (of het zomerpeil indien er geen sprake is van een vastgesteld winterpeil) zich onder de vaste bodem van het water bevindt, dient de binnen onderkant van de duiker op gelijke hoogte met de vaste bodem van het water te worden gelegd;
  1. het toe te passen materiaal is beton, of een gelijkwaardig materiaal (ter beoordeling van het waterschap), behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal;
  1. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct dienen te worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de toezichthouder. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. het plaatsen van een dam met duiker in een C-water dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van het waterschap. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. wanneer een dam met duiker wordt geplaatst ten behoeve van een ontsluiting naar de openbare weg dient toestemming te worden gevraagd aan de wegbeheerder;
  1. bij de melding als bedoeld onder 10 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop de locatie van het uit te voeren werk duidelijk staat aangegeven,  inclusief de afmetingen van de dam met duiker (lengte, diameter en hoogte);
  1. wanneer het water waarin een dam met duiker wordt geplaatst (gedeeltelijk) in eigendom is van (een) belanghebbende(n) anders dan de aanvrager, dient bij de melding als bedoeld onder 19 een schriftelijke toestemming van de betreffende eigena(a)r(en)/belanghebbende(n) te worden gevoegd;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken. 
     

18. Het aanbrengen en hebben van gras en éénjarige gewassen in de beschermingszones van waterstaatswerken

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het hebben en aanbrengen van gras en éénjarige gewassen in de beschermingszones van wateren en waterkeringen.

Toelichting van de algemene regel

Het hebben en aanbrengen van gras en éénjarige gewassen heeft een zeer gering effect op de waterhuishoudkundige en waterstaatkundige belangen van Waterschap Rivierenland. Binnen de kernzone van zowel waterkeringen als wateren is gras als taludbescherming zelfs gewenst.

Voor het hebben en aanbrengen van gras en éénjarige gewassen binnen de beschermingszones van A-en B-wateren en waterkeringen is geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 vereist en hoeft ook geen melding te worden gedaan. 

19. Het aanbrengen en hebben van steigers

(Hieronder vallen niet steigers in vaarwegen als bedoeld in hoofdstuk 4 van de keur, in de kern- en beschermingszones van waterkeringen en/of in ecologische verbindingszones)

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van steigers.

Toelichting van de algemene regel

Onder een steiger wordt een constructie verstaan welke gedeeltelijk over een water is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel. In dit verband wordt onder ‘stedelijk gebied’ verstaan, dat gebied dat zich bevindt binnen de door de betrokken gemeente als ‘bebouwde kom’ aangewezen gebied. Een steiger wordt (meestal) voor recreatieve doeleinden gebruikt, bijvoorbeeld om vis- of vaarwater goed te kunnen bereiken. Om de waterkwaliteit en de functie van het water te waarborgen worden eisen gesteld met betrekking tot de maximale afmetingen en uitvoering van een steiger. Het één en ander is onder andere afhankelijk van de afmetingen van het betreffende water.
Steigers zijn niet bedoeld om het tuinareaal te vergroten ten koste van het watersysteem. Dergelijke steigers vallen buiten deze algemene regel.

In de praktijk blijkt dat er nogal eens verwarring bestaat over het onderscheid tussen een steiger en een vlonder. Een vlonder wordt door het waterschap gezien als een constructie die niet over een water is geplaatst. Vlonders worden echter wel regelmatig toegepast in de beschermingszones van A-wateren en kunnen het doelmatig onderhoud aan die wateren daardoor belemmeren. Vlonders vallen buiten deze algemene regel. Een vergunningaanvraag voor vlonders wordt getoetst aan de beleidsregel betreffende ‘objecten’.

Om te voorkomen dat de scheepvaart in vaarwegen wordt belemmerd door het aanbrengen van steigers, moeten aanvragen voor steigers in vaarwegen per geval worden getoetst. Voor het aanbrengen van steigers in vaarwegen dient dan ook een vergunning te worden aagevraagd.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen van een steiger in stedelijk gebied, langs particuliere tuinen buiten vaarwegen en buiten de kern- en beschermingszones van waterkeringen is geen vergunning van het verbod van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. het water waarin de steiger wordt geplaatst dient een minimale bovenbreedte te hebben van 7 meter en dient aan te sluiten op het eigendom van de initiatiefnemer;
  1. de steiger dient conform principetekening 5a te worden geplaatst. De maximale lengte van de steiger bedraagt 3 meter, waarbij de steiger maximaal 1 meter in het water mag oversteken.
  1. De minimale afstand van de onderzijde van de steiger ten opzichte van zomerpeil bedraagt minimaal 30 centimeter;
  1. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen met de toezichthouder van Waterschap Rivierenland. Zijn aanwijzigingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. het aanbrengen van een steiger dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 5 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop de locatie en de afmetingen van de te plaatsen steiger duidelijk staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.
     

20. Het plaatsen en hebben van een uitstroomvoorziening in wateren waarvan het onderhoud bij de legger aan het waterschap zelf is opgedragen

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het plaatsen en hebben van uitstroomvoorzieningen. Onder het maken en hebben van een uitstroomvoorzieningen wordt uitdrukkelijk niet begrepen het lozen van water zelf.

Toelichting van de algemene regel

Het lozen van hemelwater, vindt doorgaans plaats via een leiding in de kernzone van een water. Een uitstroomvoorziening betreft een vanuit waterhuishoudkundig oogpunt relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in wateren. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Met betrekking tot het onderhoud van het water is het daarbij van belang dat de uitstroomvoorziening zodanig wordt aangebracht dat deze het onderhoud niet belemmert of ten gevolge van dit onderhoud kan worden beschadigd. Ook dient uitspoeling van het talud te worden voorkomen. Laatstgenoemde belangen spelen met name een rol bij wateren die door het waterschap worden onderhouden. Voor uitstroomvoorzieningen in C-wateren alsmede B-wateren, waarvan het onderhoud niet bij legger aan het waterschap is opgedragen, is geen vergunning nodig en behoeft ook niet aan deze algemene regel te worden voldaan.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen en hebben van uitstroomvoorzieningen in wateren waarvan het onderhoud bij de legger aan het waterschap zelf is opgedragen is geen vergunning op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de uitmonding van het lozingspunt voor de hemelwaterafvoer wordt in het talud van het water aangebracht door middel van een afdoende gefundeerde uitstroomvoorziening (bak) van niet uitlogend materiaal, welke zich verzonken in het talud en buiten het profiel van het water bevindt conform principetekening 11 of 12;
  1. de uitstroomvoorziening met bijbehorende werken wordt zodanig aangebracht, dat de eventueel ter plaatse door de legger aangewezen beschermingszone vrij bereikbaar en vrij van obstakels blijft ten behoeve van het onderhoud van het water;
  1. indien de uitstroomvoorziening naar het oordeel van het waterschap geen functie meer vervult, dient deze op eerste aanmaning door of namens het college van dijkgraaf en heemraden te worden verwijderd.
  1. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten woren hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de toezichthouder. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. het aanbrengen van een uitstroomvoorziening dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 5 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van de plaatsen uitstroomvoorziening staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

 21. Het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering ten behoeve van veekering in de kern- en beschermingszone van een waterkering

Kader

Op grond van artikel 2.1 eerste lid van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 kunnen de eigenaren van gronden die gebruikt worden voor het houden van dieren en die gelegen zijn nabij waterstaatswerken […] door het bestuur verplicht worden langs hun percelen een voldoende kerende afrastering aan te brengen en te onderhouden.
Op grond van artikel 2.1 tweede lid van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 kan het bestuur […] algemene regels stellen omtrent afrasteringscontructies en wijze van plaatsing.
Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van afrasteringen.

Toelichting van de algemene regel

Afrasteringen kunnen aan één kant gezien worden als objecten die het doelmatig onderhoud aan waterstaatswerken kunnen belemmeren, terwijl ze, in de vorm van een veekering, aan de andere kant juist voorkomen dat vee de gesteldheid van waterstaatswerken aantasten. Wanneer aan de hieronder gestelde voorwaarden wordt voldaan, komt het doelmatig onderhoud niet in gevaar. Bovendien kunnen afrasteringen, indien nodig, vrij eenvoudig verwijderd worden.
Het plaatsen van een afrastering betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering in de kern- en beschermingszone van een waterkering is geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de afrastering is voldoende veekerend, met een maximale hoogte van 1,0 meter, waarbij de palen tot een diepte van maximaal 0,60 meter reiken;
  1. de afrastering wordt geplaatst op de perceels- en/of eigendomsgrens zoals vastgelegd in het Kadaster;
  1. de afrastering dient in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op het aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de dijkbeheerder. Zijn aanwijzigingen dienen direct te worden opgevolgd;
  1. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd;
  1. het plaatsen van de afrastering dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 5 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van de te plaatsen afrastering staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

 22. Het gebruik van percelen in de kern- en beschermingszone van de waterkering als tuin en bouwland

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder a en artikel 3.1 derde lid van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten en in de kernzone van een waterkering bemesting toe te passen. Hieronder is ook begrepen het gebruik van percelen vlakke grond als tuin of bouwland.

Toelichting van de algemene regel

Bij werkzaamheden in de kern- en beschermingszone van een waterkering is het van groot belang dat het profiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond nabij een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering. Afhankelijk van de diepte waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, zou bijvoorbeeld kwelwerking kunnen optreden en wateroverlast kunnen ontstaan. Dit is voornamelijk van belang bij zogenaamde ‘pipingzones’, waar een kleilaag voorkomt dat water, dat onder de waterkering doorloopt, te dicht bij de teen van de waterkering naar boven komt, met als mogelijk gevolg dat er verzakkingen optreden.

Onder werkzaamheden die worden uitgevoerd bij het gebruik van percelen als tuin of bouwland kunnen de volgende activiteiten worden gerekend:

  • het spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep);
  • het zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen;
  • bemesten.

Bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de ondergrond van de beschermingszone van de waterkering uitgevoerd. Daarnaast gaat het hier om werkzaamheden op vlakke percelen, waardoor er een relatief klein risico bestaat met betrekking tot de waarborging van de functie van de waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval dan ook voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Voor het beweiden van een waterkering dient tot een afzonderlijke, schriftelijke overeenkomst te worden gekomen tussen het waterschap en de eigenaren van het vee.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het gebruik van percelen vlakke grond in de beschermingszone van een waterkering als tuin of bouwland is geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder a en artikel 3.1 derde lid vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. er is ter plaatse geen pipingzone aanwezig met een kleilaag met een dikte van minder dan 1 meter. Zonodig kan het waterschap daarover informatie verstrekken;
  1. de gewassen en lage (hout)beplantingen vormen geen belemmering voor het beheer en onderhoud van de waterkering;
  1. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd;
  1. het gebruik van percelen binnen de beschermingszone van een waterkering als tuin of bouwland dient twee weken voorafgaand aan de ingebruikname te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 4 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijke de locatie van het betreffende perceel/de betreffende percelen staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

 23. Het aanbrengen van en klein onderhoud aan erfverharding in de beschermingszone van een waterkering

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het aanbrengen van erfverharding in de beschermingszone van een waterkering. Het klein onderhoud valt onder artikel 3.1 eerste lid onder a.

Toelichting van de algemene regel

Het aanbrengen van en klein onderhoud aan verharding komt veel voor op plaatsen waar percelen (gedeeltelijk) binnen de beschermingszone van een waterkering zijn gelegen. De aanleg van erfverharding dient zodanig te worden uitgevoerd dat de stablilteit en de functie van de waterkering worden gewaarborgd. Het aanbrengen van erfverharding betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt in veel gevallen echter een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Deze algemene regel staat los van de eventuele compensatieplicht voor de versnelde afvoer van hemelwater ten gevolge van een uitbreiding van het verhard oppervlak. Zolang de uitbreiding van het verhard oppervlak onder de 500m2 blijft, hoeft er geen compensatie te worden gerealiseerd.

Zodra de erfverharding zich zowel binnen de beschermingszone van een water, als binnen de beschermingszone van een waterkering bevindt is een vergunning vereist.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanbrengen van en klein onderhoud aan erfverharding in de beschermingszone van een waterkering is geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder a en  b vereist, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. er is ter plaatse geen pipingzone aanwezig met een kleilaag met een dikte van minder dan 1 meter. Zonodig kan het waterschap daarover informatie verstrekken;
  1. in het geval van aanbrengen bedraagt de erfverharding minder dan 500m2;
  1. de constructie van de (half)verharding inclusief fundering reikt niet dieper dan 0,30 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld;
  1. het gewicht van de nieuwe constructie is niet minder dan dat van de verwijderde bovenlaag;
  1. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd;
  1. het aanbrengen van een erfverharding dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 6 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie en de afmetingen van de aan te brengen verharding staat afgebeeld, evenals het gebruikte materiaal;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

24. Niet-dijkkruisende kabels en leidingen ten behoeve van huisaansluitingen bij percelen binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het aanleggen, hebben, houden en onderhouden van kabels en leidingen ten behoeve van huisaansluitingen en het realiseren van korte omleggingen van het hoofdnet.

Toelichting van de algemene regel

Ten behoeve van aansluitingen van huispercelen op het gas-, water-, elektriciteits-, riool-, of telecommunicatienetwerk, dienen kabels en/of leidingen aangebracht te worden. In de meeste gevallen hebben dergelijke werkzaamheden een zeer gering effect op de staat van een waterkering.
Het aanleggen en hebben van huisaansluitingen betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaardborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het aanleggen en hebben van niet-dijkkruisende kabels en leiding ten behoeve van het aansluiten van huispercelen is geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de kabel en/of leiding wordt aangelegd wanneer geen fase 0 of hoger van het Calamiteitenbestrijdingsplan van kracht is;
  1. een kabel en/of leiding wordt rechtstreeks in een te graven sleuf gelegd, met een maximale afdekking boven de kabel en/of leiding van 1 meter die niet breder en dieper uitgegraven wordt dan strikt noodzakelijk is;
  1. vrijvervalleidingen worden samengesteld uit buizen en hulpstukken van hoogwaardig PVC (klasse 34 of SN8), PE40 SDR6 of PE80 SDR13,6, waarbij de leidingkoppelingen dienen te zijn voorzien van rubberen afdichtingsringen
  1. andere leidingen dan vrijvervalleidingen hebben een maximale diameter van 110 millimeter en/of een maximale druk van 3 bar en wordt uit één stuk uitgevoerd in HDPE (PE80/100).;
  1. de aanlegperiode beperkt zich tot maximaal twee dagen;
  1. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd;
  1. het aanleggen van een kabel en/of leiding ten behoeve van een huisaansluiting wordt twee weken voorafgaand aan de uitvoering gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 7 dient dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van de uit tevoeren werkzaamheden, alsook de ligging van de kabels en/of leidingen staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

 25. Het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op een pand in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het uitvoeren van inwendige verbouwingen van bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op een pand in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering.

Toelichting van de algemene regel

Bij een interne verbouwing van een pand vindt geen uitbreiding van dat pand plaats. Er is dan ook geen risico dat het profiel van vrije ruimte wordt verkleind. Het risico met betrekking tot het functioneren van de waterkering blijft daarnaast ook op een gelijk niveau.
Het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden of het plaatsen van dakkapellen op een pand in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering betreft een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Wanneer iemand voornemens is een bestaand pand in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering uit te breiden of te vervangen door nieuwbouw, dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Aangeraden wordt om hierover vooroverleg te plegen met de afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het uitvoeren van interne verbouwingen in bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op een pand in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering is geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. er vindt geen wijziging van een kelder, fundering of vloerpeil plaats, uitgezonderd aanvullingen van kruipruimtes en vervanging van (houten) vloeren door plaatvloeren;
  1. er vindt geen grondroering plaats;
  1. de stabiliteit van de waterkering wordt niet nadelig beïnvloed;
  1. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd;
  1. het uitvoeren van een interne verbouwing van een bestaand pand in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 5 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van het te verbouwen pand staat afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

26. Het verrichten van klein onderhoud aan openbare wegen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder a van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder is ook begrepen het plegen van klein onderhoud aan openbare wegen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen.

Toelichting van de algemene regel

In de kern- en beschermingszones van veel waterkeringen zijn wegen aanwezig. Om de functie van de wegen te waarborgen zijn onderhoudswerkzaamheden aan de wegen noodzakelijk. Het is daarbij echter wel van belang dat, bij de uitvoering van die werkzaamheden, ook de functie van de betreffende waterkering is gewaarborgd.

Onder klein onderhoud aan een openbare weg kan bijvoorbeeld het vervangen van de toplaag van die weg worden verstaan, voor zover daarbij geen sprake is van een uitbreiding van de verharding. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen en onderhouden van RVV-borden, het onderhouden van overig wegmeubilair en het roven en aanvullen van de berm. Van groot onderhoud is sprake wanneer de werkzaamheden in het profiel van de waterkering plaatsvinden, zoals bij het vervangen van de complete fundering van de weg. Voor dergelijke werkzaamheden dient een vergunning te worden aangevraagd.

Het plegen van klein onderhoud aan wegen betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt echter een relatief eenvoudig en veel voorkomende werkzaamheid. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het uitvoeren van klein onderhoud aan openbare wegen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder a vereist, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. bij het plaatsen van RVV-borden dienen deze te worden aangebracht op palen, zonder betonnen voet en dient te worden voldaan aan de richtlijnen ‘Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer’;
  1. bij het roven van de berm dient het vrijkomende materiaal te worden afgevoerd;
  1. bij het uitvullen van de berm dient gebruik te worden gemaakt van puingranulaat of grond;
  1. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd;
  1. het uitvoeren van de werkzaamheden dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 5 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie van het uit te voeren werk en de aard van de werkzaamheden staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt het recht om van de melding gebruik te maken.

27. Het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke/semi-permanente objecten in de beschermingszone van waterkeringen

Kader

Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder b van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is het verboden om zonder vergunning van het bestuur […] gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke/semi-permanente objecten, zoals speeltoestellen, demontabele zwembaden en brievenbussen.

Toelichting van de algemene regel

Onder tijdelijke/semi-permanente objecten worden objecten verstaan die voor onbepaalde tijd in de beschermingszone van een waterkering worden geplaatst, maar die, wanneer nodig, eenvoudig verwijderd kunnen worden. Semi-permanente objecten zijn niet voorzien van een in de grond aangebrachte, gestorte, geslagen of soortgelijke fundatie.

Gedacht kan worden aan objecten zoals speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, demontabele zwembaden en brievenbussen. Dergelijke objecten hebben (meestal) geen effect op het functioneren van de waterkering, maar dienen wel verwijderd te kunnen worden wanneer dat noodzakelijk blijkt ten behoeve van bijvoorbeeld dijkverzwaringen.

Het plaatsen van tijdelijke/semi-permanente objecten in de beschermingszone van een waterkering betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Toetsingscriteria en voorwaarden

Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een tijdelijk/semi-permanent object in de beschermingszone van een waterkering is geen vergunning van artikel 3.1 eerste lid onder b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. het te plaatsen object (met uitzondering van de stellaag) wordt niet ingegraven;
  1. de eventuele stellaag van het tijdelijke/semi-permanente object reikt niet dieper dan 0,30 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld;
  1. waar sprake is van een zogenaamde ‘pipingzone’ (een zone met een kleilaag die voorkomt dat water te dicht op de teen van de waterkering omhoog komt) dient te allen tijde een kleilaag met een minimale dikte van 1 meter in stand gehouden te worden. Zonodig kan het waterschap hierover informatie verstrekken;
  1. het gewicht van de eventuele stellaag is niet minder dan dat van de verwijderde bovenlaag;
  1. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd;
  1. het aanbrengen van het object dient twee weken voorafgaand aan de uitvoering te worden gemeld door middel van het meldingsformulier van Waterschap Rivierenland. Het waterschap toetst de melding aan de algemene regel en reageert binnen twee weken met een bevestigingsbrief wanneer de melding akkoord is bevonden. Het werk mag niet worden gestart voordat deze bevestigingsbrief is ontvangen;
  1. bij de melding als bedoeld onder 6 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop duidelijk de locatie en de afmetingen van het te plaatsen object staan afgebeeld;
  1. de uitvoering van de toegestane werken dient binnen twee jaar na dagtekening van deze melding te zijn gestart. Indien dit niet het geval is, vervalt de melding;
  1. wanneer een object dient te worden verwijderd ten behoeve van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden, zoals dijkverzwaringen, dient dit te gebeuren op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden en op kosten van de melder.

    BIJLAGE 1

    Wateren

    Alle wateren binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland, voor zover ze deel uitmaken van het watersysteem, hebben een functie. De wateren zijn van belang voor het dunctioneren van het watersysteem, maar sommige wateren zijn daarbij belangrijker dan andere. Er wordt onderscheid gemaakt in A-, B- en C-wateren:

    • A-wateren kunnen worden gezien als de ‘slagaders’ van het watersysteem. Ze hebben zowel een bergende als een aan- en afvoerende functie. Vanwege het waterhuishoudkundige belang van A-wateren worden ze door het waterschap zelf onderhouden. A-wateren hebben daarom een beschermingszone van 4 meter (5 meter in de gebieden Alblasserwaard, Vijfheerenlanden, Alm en Biesbosch);
    • B-wateren kunnen worden gezien als de ‘aders’ van het watersysteem. Ook B-wateren hebben een bergende en een aan- en afvoerende functie, maar zijn minder van belang voor het functioneren van het watersysteem in vergelijking met A-wateren. B-wateren worden onderhouden door de eigenaren van de aangrenzende percelen. Het waterschap voert jaarlijks controles uit (‘schouw’) om de instandhouding van de B-wateren te waarborgen. B-wateren hebben een beschermingszone van 1 meter;
    • C-wateren kunnen worden gezien als de ‘haarvaten’ van het watersysteem. Ze hebben alleen een waterbergende functie. C-wateren worden niet geschouwd, maar het waterschap en de eigenaren van de aangrenzende percelen hebben er wel een belang bij dat de wateren in stand worden gehouden. C-wateren hebben geen beschermingszone.

    De kernzone van een water betreft de zone tussen de ‘insteken’ van het water. Onder de insteek wordt het punt verstaan waar het maaiveld overgaat in het talud. De bescherminsgzone wordt gemeten vanuit de insteek.

Waterkeringen

Het waterschap onderscheid twee typen waterkeringen, te weten: primaire waterkeringen en regionale waterkeringen. Primaire waterkeringen zijn waterkeringen welke vooral liggen langs de grote rivieren (Maas, Nederrijn/Lek en de Waal/Merwede) en door het Rijk zijn aangewezen op grond van de wet op de Waterkering. Regionale waterkering liggen vooral langs de boezemwateren en de kanalen en worden aangewezen op grond van een provinciale verordening. Daarnaast onderscheidt het waterschap regionale waterkeringen die niet door de provincie worden aangewezen, maar wel van belang worden geacht en daarmee in de Keur zijn aangewezen.

Alle waterkeringen hebben een kern- en een beschermingszone. Primaire waterkeringen hebben daarnaast ook nog een buitenbeschermingszone. De afmetingen van deze zones zijn per waterkering bepaald en als zodanig opgenomen in de Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland.

Informatie

De ligging en status van waterkeringen zijn opgenomen in de legger van Waterschap Rivierenland. De legger is te bezichtigen op de website www.wsrl.nl onder het kopje ‘digitaal loket’ > ‘legger wateren’.

Voor vragen over mogelijke meldingen of vergunningaanvragen kunt ook telefonisch contact opnemen met de Afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland op telefoonnummer 0344-649494.

 

bijlagen

  1. bijlage_keur_wsrl2009_algemene_regels_principetekeningen_1totenmet12.pdf (623 Kb)
  2. bijlage_keur_wsrl2009_drainage_vergunningen.pdf (6446 Kb)
  3. bijlage_keur_wsrl2009_vaarwegen.pdf (6628 Kb)
  4. bjjlage_keur_wsrl2009_principetekeningvankern-beschermings-enbuitenbeschermingszones.pdf (148 Kb)
  5. keurkaartwaterkeringen_qd2009_type2_v3a.pdf (2143 Kb)
  6. begrippenkaderwaterwet.doc (27 Kb)
  7. bijlagezoneringenafmetingregionalewaterkeringen.doc (30 Kb)
  8. advertentie_hahblad_week50_2009.pdf (839 Kb)
  9. inleiding_keur_wsrl_2009.pdf (37 Kb)
Naar boven