
“Partners in Water”. Dat duidt op een gezamenlijke taak. En op gedeelde belangen. Zo ziet Waterschap Rivierenland haar rol bij het toepassen van de watertoets.
Bij het maken van ruimtelijke plannen verdient ook water serieuze aandacht. En liefst in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets is een verplichting die geldt bij alle ruimtelijke plannen en besluiten van de verschillende overheden.
De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met ruimte voor water en watervoorzieningen. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkómen van dreigend onheil. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. Ook dat is essentieel!
Waterschap Rivierenland wil partner zijn van gemeenten en andere overheden bij het maken waterbestendige ruimtelijke plannen via de watertoets. Partnerschap past bij de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor waterbeheer en ruimtelijke ordening.
De watertoets is in feite geen “toets”, maar een proces waarbij de waterbeheerder samenwerkt met de overheid die verantwoordelijk is voor een ruimtelijk plan. Meestal is het waterschap de waterbeheerder, maar soms moeten ook andere waterbeheerders worden betrokken bij de planvorming. Dat is afhankelijk van de verantwoordelijkheidsverdeling bij het waterbeheer:
De watertoets heeft betrekking op alle ruimtelijke plannen en besluiten: dus zowel op structuurvisies op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau als op bestemmingsplannen en bestemmingsplanvrijstellingen In structuurvisies worden globale ontwikkelingskoersen in beeld gebracht en vinden veelal de locatiekeuzen plaats. Ook daarop is de watertoets van toepassing. De waterinbreng is dan afgestemd op het abstractieniveau van de structuurvisie. Het gaat daarbij met name om de hoofdlijnen en algemene doelstellingen van het waterbeleid en de gewenste waterstructuur.
Bij de watertoets voor concrete inrichtingsplannen (zoals uitgewerkt in bestemmingsplannen en vrijstellingen) wordt meer naar concrete inrichtingsaspecten gekeken. De watertoets betreft dan meer technische zaken dan bij structuurvisies.
Overleg over water is nodig vanaf de allereerste stadia van planvorming, zoals het maken van ontwerpschetsen of inrichtingsvisies, onderhandelingen met projectontwikkelaars, principebesluiten en masterplannen. Deze stadia gaan vooraf aan de formele inpassing in bestemmingsplannen en projectbesluiten, die in het Besluit op de ruimtelijke ordening watertoetsplichtig zijn gemaakt.
Het waterschap wil graag constructief en flexibel meedenken vanaf dit allereerste begin van de planvorming. Een plan wordt dan gebaseerd op juiste informatie over het watersysteem. Er zijn dan nog volop mogelijkheden voor maatwerk en creatieve oplossingen om water in te passen. Dat kan echter alleen als het waterschap vroeg wordt betrokken. Als een plan wordt voorgelegd wanneer het al helemaal is uitgewerkt en de formele procedure is gestart, kan het waterschap alleen nog toetsen aan standaardcriteria. Er is dan geen ruimte meer voor creativiteit en maatwerk.
De rol van het waterschap verschilt per fase van het planproces. De volgende fasen worden onderscheiden:
De waterbeheerder heeft achtereenvolgens de “pet” op van informateur, adviseur en controleur.
In de initiatieffase levert het waterschap informatie over het watersysteem en het toetsingskader en worden afspraken gemaakt over het watertoetsproces. In deze fase is het waterschap vooral dienstverlenend en heeft de rol van informateur.
In de ontwikkelfase denkt het waterschap mee met gemeente en initiatiefnemer over de inpassing van water in het plan en zoekt zonodig naar creatieve oplossingen. Het waterschap heeft nu de rol van adviseur. Deze fase eindigt met het formele wateradvies van de waterbeheerder, waarin wordt aangegeven of het plan waterhuishoudkundig verantwoord is en of de gemaakte afspraken zijn verwerkt. Afhankelijk daarvan worden zo nodig nog wijzigingsvoorstellen gedaan.
In de besluitvormingsfase wordt getoetst in hoeverre het formele wateradvies is overgenomen. Het waterschap heeft nu de rol van controleur. Eventueel kan het waterschap tijdens de ter visie legging nog een zienswijze indienen en daarna in beroep gaan. Het doorlopen van de watertoets moet echter voorkómen dat het zover komt. Hoe eerder het waterschap in de planvorming wordt betrokken hoe kleiner de kans dat correctie achteraf nodig is.
Tenslotte volgt bij ontwikkelingsgerichte ruimtelijke plannen de uitvoeringsfase. Daartoe wordt een keurontheffing aangevraagd bij het waterschap. Als de watertoets naar tevredenheid van beide partijen is verlopen, zal de keurontheffing geheel conform het resultaat van het watertoets worden verleend. Ook indeze laatste fase heeft het waterschap de rol van controleur.
Gemeenten zijn belangrijke samenwerkingspartners voor het waterschap bij de watertoets. Zij zijn immers verantwoordelijk voor gemeentelijke structuurvisies en bestemmingsplannen. Om de samenwerking zo makkelijk mogelijk te maken, heeft het waterschap voor elke gemeente een accountmanager. Dit is het ‘loket’ voor alles wat er op watergebied speelt in een bepaalde gemeente. De accountmanager kan - voorzover noodzakelijk en afhankelijk van het onderwerp - voor specifieke informatie doorverwijzen naar collega’s van andere afdelingen bij het waterschap.
Het waterschap streeft naar regelmatig persoonlijk contact over de ruimtelijke ontwikkelingen in gemeenten. Dit gebeurt in besprekingen van actuele plannen, maar ook door tweemaal per jaar Water-RO- overleg te houden. Daarin worden de ruimtelijke ontwikkelingen op langere termijn en de onderlinge samenwerking besproken. Daarnaast is er gemiddeld eenmaal per jaar bestuurlijk overleg over waterzaken tussen de portefeuillehouders van waterschap en gemeente.
Waterschap Rivierenland ziet graag dat watermaatregelen in ruimtelijke plannen worden vertaald in ruimtelijke kwaliteit (gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde). Water heeft dan meerwaarde voor de andere belangen inde ruimtelijke ordening. Daarom moet worden gezocht naar mogelijkheden om waterfuncties te combineren met andere functies zoals natuur en recreatie. Meervoudig ruimtegebruik is efficient en verhoogt de gebruikswaarde van water. Esthetische vormgeving en inpassing in de omgeving verhoogt de belevingswaarde van water. Zodoende krijgt een plan meer toekomstwaarde.
Water wordt, mits aantrekkelijk vorm gegeven, door burgers gewaardeerd. Water kan een belangrijke bijdrage leveren aan bijzondere stedenbouwkundige ontwerpen en zelfs drager zijn voor kunst. Het kan bijdragen aan versterking van de cultuurhistorische en landschappelijk identiteit. Vaak voegt water met mooie oevers natuurkwaliteit toe aan stad en land. Water biedt tenslotte belangrijke mogelijkheden voor uiteenlopende vormen van openluchtrecreatie. Het waterschap wil versterking van natuur- en landschapswaarden en recreatief gebruik van water, oevers en dijken faciliteren.
Een handig hulpmiddel in de zoektocht naar inspiratie en creatieve oplossingen voor wateropgaven met ruimtelijk kwaliteit is de website AquaRO. Dit is een samenwerkingsproject tussen waterschap, provincies, gemeenten en waterleidingbedrijven en rijksoverheid. Doel is de integratie van water(belangen) in de ruimtelijke planvorming beter en efficiënter te laten verlopen. AquaRO is gericht op het inspireren, informeren en begeleiden van het watertoetsproces en met name bedoeld voor betrokkenen uit de RO-sector. De AquaRO website kent functionele InfomatieCommunicatie- en Techniek-toepassingen en bevat onder andere foto’s, voorbeelddocumenten, wetten en beleid per thema en organisatie, een encyclopedie met water-RO begrippen en de (geografische) informatie van de deelnemende overheden. Daarnaast biedt de website procesbegeleiding vanaf de initiatieffase van ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van de integratie van water afgestemd op plangebied en plansoort.
Ruimtelijke ingrepen mogen geen negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Bovendien moeten kansen om de waterhuishouding te verbeteren worden benut. Uitgangspunt is dat de waterdoelen worden gediend. Vaak is het toepassen van vuistregels en standaardoplossingen daarvoor voldoende. Soms is er behoefte aan creatieve oplossingen en maatwerk, bijvoorbeeld als wordt gestreefd naar bijzondere meerwaarde van water voor de ruimtelijke kwaliteit. Naast de waterdoelen moet natuurlijk ook rekening worden gehouden met beheer en onderhoud van het watersysteem en de dijken.
Bij de watertoets wordt aandacht besteed aan vier thema’s. Hieronder worden deze thema’s op hoofdlijnen toegelicht.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, moet extra waterberging worden aangelegd. Zo wordt het verlies aan waterberging in de bodem gecompenseerd. Uit berekeningen moet blijken hoeveel ruimte voor compenserende waterberging nodig is. De aanleg van de bergingsvoorziening komt voor rekening van de initiatiefnemer van een ruimtelijke ingreep, want die veroorzaakt de mogelijke wateroverlast.
De compensatieplicht is opgenomen in de Keur van het waterschap. Dat betekent dat er ook een keurontheffing moet worden aangevraagd.
Kleine plannen hebben slechts een minimaal effect op de waterhuishouding. Voor plannen met minder dan 500 vierkante meter extra verharding in stedelijk gebied en minder dan 1500 m2 in landelijk gebied is daarom geen compenserende waterberging vereist. Als kleine plannen onderdeel uitmaken van een groter plan, dan geldt de compensatieplicht voor het totale oppervlak. Voor andere wateraspecten blijft de Keur van het waterschap van toepassing en kan het nodig zijn een keurontheffing aan te vragen.
Voor plannen met meer dan 500 vierkante meter extra verharding in stedelijk gebied en meer dan 1500 vierkante meter verharding in landelijk gebied is wel compenserende waterberging vereist. In stedelijk gebied kan de waterberging eventueel worden geregeld via een waterbergingsbank (zie hieronder). Dit is met name voor kleine plannen in stedelijk gebied (500 – 1500 vierkante meter extra verharding) een geschikte oplossing. Bij grotere plannen wordt de voorkeur gegeven aan het opstellen van een apart waterhuishoudingsplan voor het betreffende plangebied. Hierin wordt uitgewerkt hoe de waterbergingscompensatie plaatsvindt. Het wordt opgesteld in samenwerking met het waterschap en vormt mede een basis voor de waterparagraaf in het bestemmingsplan en de keurontheffing van het waterschap.
| Extra verharding | Stedelijk gebied | Landelijk gebied |
|---|---|---|
| kleiner dan 500 vierkante meter | Geen compensatie | Geen compensatie |
| 500 tot 1500 vierkante meter | Compensatie verplicht | Geen compensatie |
| Groter dan 1500 vierkante meter | Compensatie verplicht | Compensatie verplicht |
Bij de keuze van een locatie voor bergingsvoorzieningen geldt als uitgangspunt dat niet wordt afgewenteld op het benedenstrooms gelegen gebied. De compenserende waterberging moet daarom zo dicht mogelijk bij de ruimtelijke ingreep plaatsvinden. Ieder plan moet zogezegd ‘zijn eigen broek ophouden’. De volgende voorkeursvolgorde wordt gehanteerd:
De compenserende waterberging kan via een waterbergingsbank worden geregeld. De waterbergingsbank is een regeling tussen waterschap en gemeente waarbij de waterberging voor meerdere plannen in een centrale voorziening wordt gerealiseerd. De ontwikkelaar van een bouwplan kan hier - meestal tegen betaling van een vergoeding - gebruik van maken. Waterschap en gemeente bepalen samen waar een collectieve bergingsvoorziening wordt aangelegd op basis van de gewenste waterstructuur en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen. Een voorziening wordt toegewezen aan toekomstige ontwikkelingen in een bepaald deelgebied.
De waterbergingsbank is met name bedoeld voor kleinere bouwplannen in stedelijk gebied (500-1500 vierkante meter extra verharding) omdat compenserende waterberging juist daar vaak moeilijk is in te passen. Onder voorwaarden kunnen echter ook grotere bouwplannen (>1500 vierkante meter extra verharding) ervan gebruik maken. Een waterbergingsbank heeft verschillende voordelen:
Per gemeente worden nadere afspraken gemaakt over het instellen van een waterbergingsbank.
De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging. Voor plannen met een toename aan verharding tot 5000 vierkante meter kan de vuistregel van 436 kubieke meter waterberging per hectare verharding worden gebruikt, mits er geen complicerende zaken zoals kwel aan de orde zijn.
De maximaal toelaatbare peilstijging bedraagt 0,30 meter in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Alleen in de Alblasserwaard geldt een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,20 meter vanwege de beperkte drooglegging in dit gebied. Een grotere peilstijging geeft problemen met overstortdrempels van het rioolsysteem en kan grondwateroverlast geven zoals water in kruipruimtes.
Voor plannen met meer dan 5000 vierkante meter extra verharding en/of waterhuishoudkundig complexe plannen wordt een aparte berekening gevraagd. Het waterschap hanteert hierbij een aantal uitgangspunten, die in het watertoetsproces worden aangereikt.
De benodigde compenserende waterberging wordt door de initiatiefnemer van een plan berekend.
Bij herstructurering of inbreiding in bestaand stedelijk gebied wordt uitgegaan van de toename van het verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie.
Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren uit het NBW. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde:
Voor nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur geldt dat per hectare verhard oppervlak minstens 580 kubieke meter extra compenserende waterberging moet worden gecreëerd (in plaats van de gebruikelijk 436 kubieke meter per hectare) Maximaal 75% hiervan mag in een bassin worden gerealiseerd.
Bij de aanleg of uitbreiding van wegen kan de compenserende waterberging worden gerealiseerd in de vorm van bermsloten. De bermen van een weg moeten voldoende bergingscapaciteit hebben om een extreme regenbui op te kunnen vangen zonder dat het water rechtstreeks in het oppervlaktewater stroomt.
In sommige situaties hoeft waterbergingscompensatie niet plaats te vinden in de vorm van open water. Bijvoorbeeld op hoge zandgronden met een lage grondwaterstand waar geen oppervlaktewater in de buurt is (bv. de stuwwal bij Nijmegen). Hemelwater van het verharde oppervlak kan dan via de bodem wordt afgevoerd (infiltratie). De infiltratiegebieden zijn weergegeven op de attentiekaart infiltratiegebieden van het waterschap. Hier wordt gestreefd naar infiltratie. Infiltratie is een mooi voorbeeld van vasthouden van water en draagt ook bij aan de bestrijding van de verdroging doordat de grondwatervoorraad daardoor wordt aangevuld. De mogelijkheden voor infiltratie van regenwater moeten dan ook zoveel mogelijk worden benut. Om te infiltreren zijn wel infiltratievoorzieningen nodig, bijvoorbeeld door regenwater via wadi’s naar het grondwater te leiden. Wadi’s zijn periodiek watervoerende voorzieningen, die het overgrote deel van de tijd droog staan. Ze kunnen verschillende functies hebben zoals infiltratie van hemelwater, waterberging en waterzuivering. Meestal dienen ze meerdere functies. Vanwege hun waterhuishoudkundige functie heeft het waterschap wadi’s graag zelf in beheer en onderhoud (uitzonderingen zijn mogelijk). Als de wadi via een bodempassage wordt aangesloten op het rioleringssysteem valt hij echter onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Bestemmingsplannen moeten de wadifuncties afdoende bescherming bieden met primaat voor de wadifunctie boven andere medegebruiksfuncties.
Buiten de infiltratiegebieden moet overtollig regenwater in principe worden geborgen in open water. Als daar eventueel wadi’s worden aangelegd kunnen kunnen deze wel voor 100% meedoen bij het bepalen van de benodigde compensatie. Hierbij geldt wel dat de infiltrerende werking naar de bodem daarbij niet worden verrekend, tenzij er sprake is van een geheel zandige ondergrond en een voldoende diepe grondwaterstand.
In bepaalde gebieden moet bij het bepalen van de vereiste compenserende waterberging rekening worden gehouden met extra waterhoeveelheden. Dit kan het geval zijn waar de inrichting extra kwel kan veroorzaken, bijvoorbeeld dicht achter de rivierdijken. De kwelgebieden staan weergegeven op de kwelattentiekaart van het waterschap; hier bestaat grote kans op kwel. Uitgangspunten zijn:
Bij het realiseren van nieuwe watergangen zal zoveel mogelijk worden aangesloten op de waterstructuur die in het stedelijke waterplan is of wordt uitgewerkt. Bij aanleg of aanpassing van watergangen zal rekening moeten worden gehouden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaatsen voor maaiboten, opslagmogelijkheden voor slootvuil en kroos, enzovoorts.
Volgens de Keur van het waterschap mogen in de beschermingszones langs watergangen geen obstakels worden aangebracht die het uitvoeren van het onderhoud kunnen belemmeren of de stabiliteit van de oevers kunnen aantasten. De beschermingszones zijn/worden in de legger vastgelegd. Voor watergangen met de A-status is deze beschermingszone doorgaans 4 meter breed (in de Alblasserwaard en Vijfheerendlanden en in het Land van Heusden en Altena 5 m vanwege de beperkte bodemstabiliteit en voor watergangen met de B-status 1 meter gemeten vanuit de insteek van de watergang.
Elk plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde drooglegging. Dit is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het vastgestelde oppervlaktewaterpeil of het streefpeil ligt. Doorgaans hanteert het waterschap voor het straatpeil een droogleggingsnorm van 1 meter en voor het bouwpeil een norm van 1,30 meter. Deze droogleggingsnormen gelden bij het streefpeil of zomerpeil, dat in het zogeheten peilbesluit is vastgesteld voor de watergang. Een voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Het voorkómen van grondwateroverlast is een verantwoordelijkheid van de gemeente en de ontwikkelaar. Het waterschap adviseert om op te hogen of kruipruimteloos te bouwen als wordt geconstateerd dat de droogleggingsnorm niet wordt gehaald en daardoor kans op grondwateroverlast ontstaat.
Naast het voorkomen van wateroverlast door voldoende waterberging en drooglegging is ook een goede waterkwaliteit erg belangrijk. Negatieve effecten op de waterkwaliteit kunnen worden voorkomen door het inachtnemen van verschillende maatregelen, afhankelijk van het soort plan.
Bij bouwprojecten moeten rechtstreekse lozing van uitloogbare materialen (zoals van koperen daken, etcetera) en uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater worden voorkomen.
Bij de aanleg en reconstructie van wegen is een WVO -vergunning nodig. In de aanvraag kan de wegbeheerder aangeven welke maatregelen en voorzieningen hij treft om de waterkwaliteit te waarborgen (bijvoorbeeld bermfiltratie).
Bij de bouw van nieuwe glastuinbouwbedrijven of de reconstructie van bestaande glastuinbouwbedrijven is het gewenst duurzaam gesloten kassystemen te realiseren om de emissie van vervuilende stoffen naar de omgeving tot een minimum te beperken. Bij bestaande glastuinbouw moeten verontreinigde afvalstromen worden afgevoerd via een aansluiting op een gemeenteriool van voldoende capaciteit. Bij lozing van drainagewater op oppervlaktewater is een WVO-vergunning nodig.
Bij de aanleg en reconstructie van begraafplaatsen is het belangrijk dat er geen drainagewater wordt geloosd. Bij nieuwe begraafplaatsen geldt dat de onderkant van de graven zich minimaal 30 centimeter boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand moet bevinden. Daartoe zal voor zover mogelijk worden opgehoogd. Indien dat niet haalbaar is haalbaar is dan moet onderbemaling worden toegepast of drainage naar het oppervlaktewater om de gewenste grondwaterstand te bereiken. Als ook dat niet mogelijk is, kan lozing van drainagewater op het riool onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan.
Om water van voldoende kwaliteit te kunnen handhaven, is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door voldoende ruimte voor water, voldoende waterdiepte en voldoende oevervegetatie. Doorstroming of circulatie door het onderling verbinden van watergangen zijn vaak eveneens gewenst, tenzij al een goede waterkwaliteit aanwezig is.
In plannen in het landelijk gebied zullen de kansen worden benut om te voldoen aan de waterkwaliteitseisen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.
Voor nieuwe A-watergangen geldt als uitgangspunt dat minstens 50% van de taluds natuurvriendelijk wordt ingericht. Natuurvriendelijke oevers worden aangelegd als flauw talud of als plasberm. Voor de inrichting hiervan gelden bepaalde breedte- en taludmaten. In overleg met het waterschap wordt daaraan vorm gegeven. Natuurvriendelijke oevers versterken het zelfreinigend vermogen van het oppervlaktewater en dragen daardoor bij aan een goede waterkwaliteit. Tevens wordt hiermee een goede ecologische kwaliteit van het water bevorderd.
In ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de ruimtevraag voor natuurvriendelijke oevers en de gewenste inrichting; de functie ervan moet worden beschermd.
Vuilwater wordt afgevoerd via de riolering. Schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten, bijvoorbeeld hemelwater afkomstig van daken wordt bij voorkeur niet afgevoerd via het vuilwaterriool, maar naar het oppervlaktewater of het grondwater afgevoerd. Dat heeft als voordelen dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet wordt overbelast en dat er minder of geen overstorten van het riool zullen plaatsvinden bij hevige buien. Afvoer naar het grondwater (infiltratie in de bodem) betekent vertraagde afvoer (water vasthouden) en kan bijdragen aan de bestrijding van de verdroging.
Het niet op de riolering brengen van hemelwater heet “niet aankoppelen”; het scheiden van de riolering in een apart vuilwaterriool en schoonwaterriool heet “afkoppelen. Voor de waterkwaliteit is het wenselijk de mogelijkheden van afkoppelen (of niet aankoppelen) zoveel mogelijk te benutten.
Het waterschap streeft er naar het hemelwater van het verhard oppervlak in nieuwe woonwijken voor 100% apart van het vuilwaterriool af te voeren (op bedijventerreinen minimaal 60%). Bij de herstructurering van bestaande woonwijken zullen de kansen worden benut om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. De ambitie is dat 20% van de bestaande bebouwing wordt afgekoppeld. De gemeente wordt gevraagd de mogelijkheden hiertoe uit te werken aan de hand van een afkoppelkansenkaart en samen met het waterschap een afkoppelplan op te stellen, liefst in het kader van het stedelijk waterplan. Is een afkoppelkansenkaart aanwezig dan worden aanwezige kansen in ruimtelijke plannen zoveel mogelijk benut. Eerst wordt bekeken of het hemelwater ter plaatse kan worden hergebruikt of geïnfiltreerd. Als dat niet mogelijk is, wordt het hemelwater afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Voor de nieuwbouw van woningen gaat het waterschap uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Bij nieuwe bedrijventerreinen met risico’s voor waterverontreiniging wordt gestreefd naar een zogeheten verbeterd gescheiden rioleringsstelsel (zie afbeeldingen).
Hemelwater van terreinverhardingen mag niet rechtstreeks op het oppervlaktewater wordt geloosd maar kan men laten afstromen via een berm of een bodempassage, die dat water eerst zuivert.
Is afvoer naar oppervlaktewater niet mogelijk en moet alles vooralsnog naar het rioolsysteem dan adviseren wij de afvoerleidingen van schoon hemelwater en vuilwater binnen het bouwplan, in verband met afkoppelmogelijkheden in de toekomst, toch gescheiden te houden.
Het waterschap streeft naar 100% afkoppelen van schoon hemelwater van verharde oppervlakken zoals gebouwen, wegen en andere terreinverharding. Om wateroverlast te voorkomen is dan waterbergingscompensatie nodig (zie thema 1 Waterneutraal inrichten). Compenserende waterberging is vereist als het afgekoppeld oppervlak meer dan 50% beslaat van het totale verhard oppervlak in een plangebied.
In het algemeen is van belang dat overstortdrempels minimaal op 30 cm boven het zomerpeil van de watergangen (in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is dit + 20 cm) worden gerealiseerd of worden voorzien van een terugslagklep. Op die manier wordt voorkomen dat oppervlaktewater de riolering inloopt als het water in de sloten stijgt.
Het beheer en onderhoud van de dijken berust bij het waterschap. Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en regionale waterkeringen. De primaire liggen langs de rivieren en de regionale liggen landinwaarts. Beide zijn op kaarten geregisteerd.
Allereerst is het van belang om negatieve effecten van ingrepen op de waterkeringen te voorkomen.
Het beheer en onderhoud door het waterschap is gericht op de hoofdfunctie veiligheid en daarnaast ook op een aantal andere kwaliteiten van de waterkeringen: de landschappelijke waarden, de natuurwaarden en de cultuurhistorische waarden (de zogeheten LNC-waarden). Bij de dijkversterkingswerken aan de primaire waterkeringen heeft het waterschap hier in de afgelopen decennia fors in geïnvesteerd.
Vanwege het veiligheidsbelang mag het waterkerend vermogen van de dijken niet worden aangetast door ruimtelijke ingrepen. De huidige sterkte van de waterkering moet gehandhaafd blijven. Niet alleen de dijk zelf, maar ook de zogeheten beschermingszones ter weerszijden van de dijk moeten worden beschermd. Er gelden daarom allerlei restricties voor bebouwing en andere activiteiten op en langs de dijken.
Op veel dijkhellingen heeft zich een soortenrijke vegetatie ontwikkeld met een sterk wortelstelsel. Dit is het resultaat van het gevoerde beheer. Een ruimtelijk plan mag geen onevenredige afbreuk doen aan deze vegetatiekundige waarde, evenmin aan de in het kader van de landschappelijke inpassing aangebrachte beplanting op en rond de dijk.
Het rivierengebied in het algemeen en de dijken en kaden in het bijzonder, vormen in recreatief opzicht een aantrekkelijk areaal. Waterschap Rivierenland laat recreatief medegebruik van zijn waterkeringen toe, zolang dit niet tot schade leidt of het onderhoud bemoeilijkt.
Voor het beheer, bestaande uit dagelijks toezicht, inspectie en schouw is het van belang dat de waterkeringen goed toegankelijk blijven. Voor het onderhoud van de waterkeringen – met name het maaien van de dijkhellingen – is de bereikbaarheid voor onderhoudsmachines van belang. Dit mag door ruimtelijke ingrepen niet te zeer worden gehinderd.
Naast het voorkomen van negatieve effecten op de huidige waterkeringen is het ook van belang dat de kansen voor een hoger beschermingsniveau in de toekomst worden benut ofwel niet worden gefrustreerd. Het waterschap wil de ruimte behouden om de waterkering in de toekomst te versterken, te verplaatsen, etc. Dat wordt bereikt door o.a. te voorkomen dat er wordt gebouwd in een bepaalde zone ter weerszijden van de waterkering. Dit noemt men het “profiel van vrije ruimte”. Hiervoor gelden per locatie bepaalde afmetingen.
Als er zich kansen aandienen om de gebiedsveiligheid verder te vergroten wil het waterschap die kansen aangrijpen. Zo wil het waterschap de mogelijkheid laten onderzoeken van compartimentering. van poldergebieden als er plannen zijn voor de aanleg of aanpassing van lijnvormige infrastructuur zoals wegen of spoorwegen. Die kunnen immers eventueel verhoogd worden aangelegd. Wanneer dit de schade bij een overstroming vanuit de rivier binnen de dijkring beperkt, verdient het aanbeveling deze extra investering mee te nemen.
De verschillende beschermingsbepalingen die het waterschap hanteert voor waterkeringen staan ook in de Keur van het waterschap voor de waterkeringen. Dat betekent dat er bij werken en werkzaamheden ook nog een keurontheffing moet worden aangevraagd.
In een gebied waarvoor een ruimtelijk plan wordt gemaakt kunnen bijzondere oppervlaktewateren of speciale waterhuishoudkundige of infrastructurele voorzieningen liggen of gepland zijn, waarvoor het waterschap een aparte verantwoordelijkheid heeft. Het is dan van belang dat deze ook goed worden meegenomen in het ruimtelijk plan. Enkele voorbeelden staan hieronder.
In het kader van het waterbeleid 21e eeuw is vastgesteld dat het huidige watersysteem op veel plaatsen onvoldoende ruimte biedt om de hevige neerslag door klimaatverandering te kunnen verwerken. Er is dan een bergingstekort. Waterschap Rivierenland heeft in het kader van ‘Normenstudies’ vastgesteld op welke plaatsen dit in het landelijk gebied aan de orde is. In overleg met de gemeenten is bepaald welke maatregelen zullen worden getroffen. Het betreft doorgaans verbreding van watergangen in combinatie met de realisering van waterbergingsoevers (natuurvriendelijke oevers). De maatregelen zijn (voor de provincie Gelderland) verankerd in de streekplanuitwerking waterberging en zijn op de bijbehorende kaart gelocaliseerd.
De benodigde extra waterberging voor bestaand stedelijk gebied wordt of is vastgesteld in het kader van het stedelijk waterplan van de gemeente. De in dat plan gekozen oplossingen worden verankerd in de ruimtelijke plannen. Uitgangspunt voor de locatiekeuze voor de stedelijke waterberging is de voorkeursvolgorde die bij compenserende waterberging is genoemd.
In provinciale beleidsplannen zijn ecologische verbindingszones opgenomen. Deze zijn al deels gerealiseerd of moeten nog worden gerealiseerd. Van deze zones is een attentiekaart beschikbaar. Het waterschap legt in Gelderland en Noord-Brabant in het Land van Heusden & Altena de natte ecologische verbindingszones aan. In de praktijk komt het neer op het realiseren van brede, natuurvriendelijke oevers bij bestaande watergangen. Ze worden bij voorkeur aangelegd aansluitend bij de bestaande Ecologische Hoofdstructuur en andere natte natuur en gecombineerd met de vereiste waterberging in het landelijk gebied.
In ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de ruimtevraag voor de ecologische verbindeningen en de gewenste inrichting en zal ook de functie ervan worden beschermd.
In bepaalde delen van het beheersgebied van het waterschap is oppervlaktewater aanwezig met een hoge natuurwaarde. Er is ook natte natuur op het land in bijvoorbeeld natuurgebieden aanwezig. De betreffende gebieden zijn weergegeven op een attentiekaart “watergebonden natuurwaarden” van het waterschap.
Om de kwaliteit van deze wateren en gebieden tenminste op het huidige niveau te houden en waar nodig te verbeteren of om de aanwezige potenties te ontwikkelen worden de hydrologische condities van grond- en oppervlaktewater in standgehouden of geoptimaliseerd. Er worden conform het streekplan Gelderland bufferzones ingesteld langs HEN-wateren (15 meter) en de toeleidende A-watergangen (10 meter).
In bestemmingsplannen plannen moeten de watergebonden ecologische waarden en potenties worden beschermd door middel van een sluitende bestemmingsregeling.
Het winterbed van de Linge en de Korne, gelegen tussen de dijken, is primair bestemd voor waterberging. Dat behoort in de bestemmingsregeling van bestemmingsplannen tot uitdrukking te komen. Om het waterbergend vermogen niet aan te tasten kan daar niet worden gebouwd.
Daarnaast moet rekening worden gehouden met de compensatieplicht voor iedere vorm van ruimtebeslag die het bergend vermogen aantast in het winterbed van de Linge en Korne tussen een niveau van NAP + 1 meter en NAP +4 meter. Hierbij kan men bv. denken aan ophogingen. Die compensatie bedraagt 120% omdat rekening wordt gehouden met een extra neerslagtoename van 20% in 2100.
Ook moet rekening worden gehouden met de nadere uitwerking van de compensatievereisten overeenkomstig de Beleidsregels bij Keur van het waterschap.
In de provinciale waterhuishoudingsplannen en het waterbeheersplan van het waterschap zijn wateren benoemd die een zwemwaterfunctie hebben (attentiekaart zwemwateren). Voor deze wateren gelden aanvullende waterkwaliteitseisen. Het waterschap stelt, waar nodig, maatregelenprogramma’s op voor de deze zwemwateren. Ruimtelijke plannen waar zwemwateren geheel of gedeeltijke onder vallen zullen de bescherming van de zwemwaterfunctie respecteren en ondersteunen.
In het Land van Heusden en Altena is de functie viswater toegekend aan een aantal oppervlaktewateren. Een attentiekaart van deze wateren is beschikbaar. Deze wateren moeten voldoen aan de waterkwaliteits- en inrichtingseisen van viswater. De doelstelling van de Europese Kaderrichtlijn Water zullen ook betrekking hebben op samenstelling en opbouw van de visstand. Ruimtelijk gezien is het van belang dat er voldoende paai- en rustplaatsen worden geboden in bijvoorbeeld rustige inhammen en natuurvriendelijke oevers en dat er voldoende mogelijkheden zijn voor vismigratie, eventueel met vispassages. Ruimtelijke plannen waar bovengenoemde wateren geheel of gedeeltijke onder vallen zullen de ontwikkeling en bescherming van de viswaterfunctie respecteren en ondersteunen.
De Korne, Linge, de Buiten-Giessen, de Lage boezem van de Alblasserwaard en het Kanaal van Steenenhoek worden gebruikt als vaarwegen. Hiervoor geldt het ligplaatsenbeleid van het waterschap dat in het grootste deel van het beheersgebied is gericht op stand-still, dus tegengaan van groei van het aantal ligplaatsen. Belangrijke motieven hiervoor zijn het veiligstellen van de scheepvaartfunctie en het voorkómen van oevererosie. Het waterschap heeft zones vastgelegd, waarbinnen kan worden afgemeerd. In ruimtelijke plannen van gemeenten moeten bovenstaande uitgangspunten worden gerespecteerd.
In de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is het waterschap de beheerder van bestaande en nieuwe polderwegen. Belangrijke doelstellingen zijn verkeersveiligheid (ontwerpcriteria van Duurzaam Veilig) en het voorkómen van een te zware belasting van de polderwegen.
Bij de aanleg van nieuwe polderwegen of bij veranderingen in de verkeerscirculatie moet in de ruimtelijke plannen voldoende recht worden gedaan aan een goede scheiding van verkeerssoorten en voldoende verkeersruimte voor het openbaar en langzaam verkeer. Noodzakelijk is een verkeerskundige toetsing. Daarbij worden de verkeerkundige effecten en de belasting van de polderwegen beoordeeld.
Waar dat aan de orde is zal er in ruimtelijke plannen voldoende uitbreidingsruimte voor rioolwaterzuiveringsinstallaties worden geboden. Bij bouwplannen in de directe omgeving moet ook rekening worden gehouden met de geldende geluid- en geurcontouren.
Op of in de gronden, bestemd voor rioolwatertransportleidingen moet in principe niet worden gebouwd. Het bestemmingsplan moet dit uitsluiten.
Van de zuiveringsinstallaties en de rioolwatertransportleidingen zijn attentiekaarten beschikbaar.
Om voldoende doorstroming te behouden en uit oogpunt van waterkwaliteit moeten watergangen regelmatig worden gebaggerd. Normaliter geldt er een ontvangstplicht voor de onderhoudsbagger (niet verontreinigde bagger). De bagger moet dan worden op de kant kunnen worden gelegd. In stedelijke gebieden is daar echter vaak geen ruimte voor. In een ruilovereenkomst van gemeente en waterschap wordt vastgelegd dat de gemeente een baggerdepot inricht. Er geldt dan geen ontvangstplicht.
Het is wenselijk dat ruimtelijke plannen ruimte bieden voor de inrichting van baggerdepots.
Van belang is dat in het bestemmingsplan planologisch ruimte wordt gereserveerd voor de relevante watervoorzieningen. Daarnaast zullen die worden beschermd tegen aantastingen door een passende bestemmingsregeling (plankaart en voorschriften). Alle A-watergangen, inclusief de bijbehorende voorzieningen zoals sluizen, stuwen, bruggen en duikers worden uitdrukkelijk opgenomen met een waterhuishoudkundige bestemming.
Voor de verschillende voorzieningen zal een passende bestemmingsregeling worden gerealiseerd.
Heeft u na het lezen van deze brochure vragen? Aarzel dan niet om contact op te nemen met het waterschap. Op onze website treft u een nadere uitwerking aan van verschillende aspecten van de watertoets. Voor iedere gemeente in het beheergebied van het waterschap, heeft het waterschap bovendien een vaste contactpersoon beschikbaar. Deze accountmanager beschikt over specifieke gebiedskennis.
© Waterschap Rivierenland - Proclaimer