Waterschap Rivierenland
Ga direct naar het hoofdmenu of de inhoud.
Homepage > Ons Bestuur > Bestuursakkoord 2009-2012

Bestuursakkoord 2009-2012

Inleiding

Op 8 januari 2009 is het nieuwe algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland geïnstalleerd. In dit bestuursakkoord is op hoofdpunten vastgelegd welke ambitie het waterschap heeft in de bestuursperiode 2009 tot en met 2012. Het zijn de speerpunten waarmee het waterschap in de programmasturing aan de slag gaat.
Met dit bestuursakkoord wordt de koers aangegeven voor de komende jaren. Het bestuursakkoord is afgestemd met de coalitiepartijen. Voor het dagelijks bestuur en de ambtelijke organisatie is het een leidraad voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid. Bij de ontwikkeling en uitvoering van dit beleid evenals bij concrete activiteiten wordt rekening gehouden met de verscheidenheid in het gebied.
Uitgangspunten voor het waterschap zijn de kerntaken. Bij uitvoering daarvan in samenwerking met partners (onder andere andere overheden) kunnen andere taken in een win-win-situatie, op kosten van de verantwoordelijke partner, worden meegenomen.
Bij de uitwerking van dit bestuursakkoord wordt uitgegaan van het respecteren van Europese, landelijke, provinciale en gemeentelijke regelgeving.

Bestuur

In de notitie Besturings- en organisatiemodel Waterschap Rivierenland, Resultaat van een herijking, vastgesteld in 2008, worden de hoofdlijnen van de bestuurlijk gekozen richting als het gaat om het herijken van de besturingsfilosofie samengevat en verbonden met het vraagstuk van de inrichting van de (ambtelijke) organisatie. De organisatie is per 1 januari 2009 in de nieuwe structuur van start gegaan en dient verder ontwikkeld te worden volgens de ingeslagen weg.
Een belangrijk uitgangspunt voor de bestuurlijke inrichting is het sturen geënt op de principes van programmasturing. Dat betekent dat alle speerpunten in dit bestuursakkoord op een logische, op samenhang en integraliteit gerichte wijze worden ondergebracht in programma’s. Samenhang bestaat er uit dat de activiteiten prominent vanuit het oogpunt van de doelstellingen en de beoogde effecten – het bestaansrecht van het waterschap dus- worden beschouwd.
Voor de komende bestuursperiode is deze werkwijze en de daarop afgestemde inrichting van bestuurlijke en ambtelijke organisatie uitgangspunt. De gekozen indeling in programma’s zal na één jaar worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
Dit bestuursakkoord is ook volgens de lijnen van de programma-indeling, waterkering, watersysteem en waterketen, wegen, middelen en communicatie en regelgeving, inhoud gegeven .

Waterkering

Primaire waterkeringen

De primaire waterkeringen (560 km) zijn uiterlijk in 2015 op orde op basis van de huidige normen. De dijkverbeteringen vallen grotendeels onder “Hoogwater Beschermingsprogramma” (=HWBP) of  “Ruimte voor de Rivier” (= RvdR). Deze programma’s zijn door de Tweede Kamer aangewezen als “groot project” waardoor de projecten ook politiek bijzondere aandacht genieten. In het bijzonder zal worden gelet of deze projecten wel binnen de gestelde tijd en binnen het budget worden uitgevoerd. Daar waar zinvol worden innovatieve technieken toegepast. Voor het waterschap ligt de taak om dit waar te maken.

Regionale waterkeringen

De regionale waterkeringen (490 km) zijn nog niet allemaal genormeerd. De keringen die wel genormeerd zijn, worden momenteel getoetst. De resterende keringen worden momenteel in samenspraak met de provincie genormeerd om vervolgens te worden getoetst. Daarna kan in de periode tot 2012 een verbeterprogramma worden opgezet voor de getoetste waterkeringen. De insteek is dat in 2015 de regionale keringen op orde zijn.

Robuust ontwerpen

Het waterschap wil bij het ontwerpen van waterkeringen rekening houden met toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden (robuust ontwerpen) (zie ook commissie Veerman ). Uitgangspunten hiervoor zijn opgenomen in de door het bestuur vastgestelde notitie “Ontwerpuitgangspunten Primaire Waterkeringen”. In het waterbeheerplan wordt naar deze notitie verwezen. Situaties waarbij dijken versterkt dienen te worden kort na een vorige verbetering zijn niet acceptabel en leiden tot veel weerstand in de directe omgeving. Robuust ontwerpen voorkomt het voorgaande maar heeft mogelijk financiële consequenties. Uitgangspunt is dat het Rijk financieel verantwoordelijk is voor de investeringen in de primaire keringen. Het waterschap is verantwoordelijk voorbeheer en onderhoud. Over de gekozen richting van robuust ontwerpen wordt het bestuur geconsulteerd als het Rijk zijn verplichtingen niet waarmaakt. Daarnaast wordt door middel van het profiel vrije ruimte, rekening gehouden met toekomstige dijkverbetering.

Compartimentering

Het voorkomen van overstromingen is speerpunt, maar in het kader van het beperken van de gevolgen van een overstroming wordt door het waterschap in deze bestuursperiode onderzoek gedaan, of worden de lopende onderzoeken uitgebreid, naar de bijdrage van compartimenteringdijken aan de waterveiligheid van het beheergebied.

Buitendijkse ontwikkelingen

Vanwege onzekerheden ten aanzien van de toekomst, zoals bijvoorbeeld de klimaatverandering, moeten nieuwe (permanente) belemmeringen in de buitendijkse gebieden, zoals nieuwe woonbebouwing of bedrijventerreinen, worden voorkomen. Het waterschap is geen voorstander van bebouwing in deze gebieden. In uitzonderlijke omstandigheden geldt een “nee-tenzij”-benadering.

Toetsing

De kwaliteit van de dijken wordt beoordeeld door de dijk te toetsen aan de wettelijke eisen en randvoorwaarden. De derde ronde toetsing voor de primaire keringen moet in 2011 zijn afgerond. De regionale waterkeringen worden de komende jaren voor de eerste maal getoetst. Om een oordeel te kunnen geven over de situatie van een dijk, dienen de gegevens op orde te zijn. Het is het streven om in de huidige bestuursperiode die gegevens op orde te krijgen.

Muskusrattenbestrijding

Het belang van de bestrijding van muskus - en beverratten wordt onderschreven. Het is de taak van het waterschap te zorgen voor een veilig rivierengebied en aantasting van de waterkeringen en het watersysteem door muskus- en beverratten moet daarbij worden voorkomen. In deze bestuursperiode zal de lijn voortgezet worden om op een zo humaan mogelijke manier muskusratten te vangen, waarbij innovatieve methoden zo mogelijk worden toegepast. De beverratbestrijding zal gericht zijn op uitroeiing in het binnenland en “grensbewaking”.

Watersysteem

Kaderrichtlijn Water en Waterbeheerplan

De KRW-maatregelen  van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerplan 2010-2015 Het ontwerp-waterbeheerplan is op 31 oktober 2008 vastgesteld. In deze bestuursperiode zal het waterbeheerplan, dat de taken waterkering, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen omvat, definitief worden vastgesteld en zal daaraan uitvoering worden gegeven.

Peilbeheer in relatie tot functies

De provincie stelt de (gebruiks)functies van een gebied vast door middel van structuurvisies. De gemeenten werken dit uit in bestemmingsplannen. Het waterschap stemt vervolgens het (peil)beheer af op de door deze overheden vastgestelde functies. Met andere woorden: peil volgt functie. Het waterschap richt zich op een optimale grond- en oppervlaktewaterstand en voldoende aan- en afvoer van water, zodat de in de bestemmingsplannen vastgelegde functies (landbouw, natuur, bebouwing) zo goed mogelijk worden gefaciliteerd.

Visserijbeleid

Met de inwerkingtreding van de Kaderrichtlijn Water is de relatie tussen het waterschap en de visrechthebbenden in een nieuw licht komen te staan. De waterkwaliteit is mede gericht op het bevorderen van een gewenste visstand (aantal, kwaliteit) Het uitoefenen van de visserij is één van de factoren die de visstand bepaalt en is daarmee van invloed op de realisatie van de visdoelen. Het waterschap dient dus invloed uit te kunnen oefenen op het gebruik door de vissers. In deze periode komt er een visserijbeleid waarin uitgelegd wordt hoe het waterschap met deze taak omgaat. Gestreefd wordt naar een duurzaam visbeheer dat is afgestemd met de Kaderrichtlijn Water. Visplannen van visrechthebbenden lijken hiervoor een goed instrument. Het waterschap toetst deze plannen aan haar beleid en kan zo voorkomen dat het gebruik door de vissers strijdig is met de realisatie van KRW-doelen. Deze beleidslijn sluit aan bij LNV-beleid .

Extreme weersomstandigheden

Het waterschap wil voorbereid zijn op extreme weersomstandigheden. Met uitvoering van het maatregelenprogramma in het kader van de NBW  voldoet het watersysteem in 2015 aan de landelijke normen. In de komende periode ontwikkelt het waterschap ook beleid voor extreem watertekort. Ook in de dagelijkse praktijk doen zich meer extreme situaties voor. Het dagelijkse peilbeheer zal hierop nog beter moeten inspelen. In de toekomst zal het nodig zijn om het peilbeheer meer te sturen op de weersverwachtingen in combinatie met de toestand van het watersysteem.

Nieuwe normering wateroverlast

In 2006 is het maatregelprogramma in het kader van NBW vastgesteld. Hiermee zullen de landelijk normen over wateroverlast in 2015 worden gehaald. Eén van de gevolgen van de nieuwe inzichten over klimaatverandering is dat de klimaatscenario’s, waarop het maatregelprogramma in 2006 is gebaseerd, zijn verouderd. Daarbij komt dat in de loop van de jaren het grondgebruik op veel plaatsen verandert. Daarom zal het waterschap, conform de afspraken uit het NBW-actueel, vanaf 2011 nieuwe normenstudies uitvoeren die gebaseerd zijn op de dan geldende klimaatscenario’s.

Grondwater

De Waterwet legt een deel van het operationele grondwaterbeheer neer bij de waterschappen. Het waterschap wordt bevoegd voor de vergunningverlening en handhaving van kleine grondwateronttrekkingen. Het beleid van het waterschap wordt afgestemd op het strategische beleid en regelgeving van de provincies en er zal zo nodig nieuw grondwaterbeleid worden ontwikkeld. Het waterschap streeft daarbij naar gebiedsdekkende uniformiteit in regelgeving, die wordt vastgelegd in de Keur en eventueel in de beleidsregels.

Watertoets

Volgens de nieuwe wet Ruimtelijke Ontwikkeling blijven bestemmingsplannen, projectbesluiten en inpassingsplannen, watertoetsplichtig. Structuurvisies echter niet. Uitgangspunt bij de watertoets is, dat in ruimtelijke plannen en besluiten de watercomponent een prominente plaats krijgt. De waterveiligheid, de waterkwaliteit en de waterkwantiteit worden zodoende gediend. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, dienen de gevolgen te worden gecompenseerd. Het waterschap blijft inzetten op een vroegtijdige inbreng van het waterbelang in alle vormen van ruimtelijke planningen en op uitbouw van de samenwerking met gemeenten op dit vlak.

Baggeren

Het waterschap gaat door met de uitvoering van het MJBP . Belangrijke uitgangspunten voor het MJBP zijn: het inlopen van de achterstand in baggeractiviteiten, het wegwerken van ‘niet-verspreidbare baggerspecie’ en het op orde houden van die gebieden die dat nu al zijn.

Cultuurhistorie

Het waterschap streeft naar behoud van karakteristieke cultuurhistorische en landschappelijke waarden  van het rivierengebied, in eigendom van het waterschap. Het zet zich actief in om waardevolle watergerelateerde cultuurhistorische elementen, zoals oude sluizen, poldermolens en dijkmagazijnen, te behouden en waar mogelijk te versterken. Cultuurhistorie kan de aandacht van de burger voor het werk van het waterschap vergroten. Daar waar wenselijk zal het beheer en zo nodig eigendom aan derden worden overgedragen.

Recreatief medegebruik

Het recreatief medegebruik van door waterschap aangelegde voorzieningen zal waar mogelijk worden gestimuleerd, tenzij er andere afspraken zijn gemaakt of dit leidt tot overlast.

Ecologisch beheer

In 2007 zijn door het waterschap werkprotocollen vastgesteld die uitwerking geven aan de Flora en Faunawet. Uitgangspunt van deze protocollen is dat het waterschap conform de wet rekening houdt met beschermde soorten en hun leefgebied, binnen de randvoorwaarden die de primaire waterschapstaken stellen. Deze werkwijze is geëvalueerd. In de komende bestuursperiode zullen de protocollen op grond van de opgedane ervaringen worden aangepast. Tevens zal beleid voor de bestrijding van invasieve exoten worden ontwikkeld (bijvoorbeeld de waternavel).

Chemische bestrijdingsmiddelen

Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen bij het beheer van waterschapseigendommen wordt, door toepassing van de DOB -methode, zo veel mogelijk beperkt. Wettelijk is een beperking van het bestrijdingsmiddelen gebruik op het niveau brons van de DOB-methode verplicht. Om het goede voorbeeld te geven streeft het waterschap naar het niveau zilver van de DOB-methode. Zo kan het waterschap andere partijen aansporen om het gebruik van bestrijdingsmiddelen verder te verminderen, zodat de KRW-doelen worden gehaald.

Onteigening bij grondverwerving

Voor het halen van KRW- en NBW-doelen is vaak grond nodig. Uitgangspunt bij grondverwerving door het waterschap is vrijwilligheid, want KRW en NBW doelstellingen zijn meestal niet gebonden aan één enkele locatie. Het is de verantwoordelijkheid van de provincie om het instrument onteigening al dan niet in te zetten voor de realisatie van ecologische verbindingszones of natuur. De opvatting van het waterschap is dat onteigening bij hoge uitzondering plaatsvindt.

Kostenveroorzakersbeginsel en bedrijventerreinen

Voor nieuwe bedrijventerreinen geldt hetzelfde als voor de aanleg van nieuw stedelijk gebied. Hierbij hanteert het waterschap, net als gemeenten, het kostenveroorzakersbeginsel. Dit betekent dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor de aanleg en financiering van de natte infrastructuur, waaronder de waterberging. Daarnaast is het beginsel van niet-afwentelen van toepassing. Dit houdt in dat de waterberging in principe wordt gerealiseerd binnen de grenzen van de stedelijke uitbreiding of bedrijventerrein. In veel gevallen wordt de waterberging aan de rand van het bedrijventerrein aangelegd.

Waterketen

Samenwerking in de waterketen

Waterschappen, gemeenten en drinkwaterbedrijven zien de waterketen (drinkwater, riolering en zuivering) als een samenhangend geheel met veel verbanden. Hierover is een Nationaal Bestuursakkoord afgesloten. Meer en structurelere samenwerking tussen de partners in de afvalwaterketen kan leiden tot verbetering van de doelmatigheid, duurzaamheid, transparantie en dienstverlening voor onze gezamenlijke klanten. Samenwerking is noodzakelijk om via synergie op de juiste wijze om te kunnen gaan met nieuwe externe ontwikkelingen, zoals klimaatsverandering, nieuwe wet- en regelgeving en mogelijke innovaties in het afvalwaterbeheer. Het waterschap ziet het nut en het belang van samenwerking in de afvalwaterketen, en gaat meer initiatieven op dit gebied ontplooien. In dit kader is vooral de samenwerking met de gemeenten van belang ondermeer door de optimalisatiestudies. (OAS )

Overname

In die gevallen waar transparantie en doelmatigheid kunnen worden verbeterd zal het waterschap zich inzetten om te komen tot het overnemen van het beheer en onderhoud van eindrioolgemalen. Daar waar gemalen bij de riolering horen gaan deze over naar de gemeenten. Voor de samenwerking met betrekking tot  het beheer en onderhoud van IBA’s  en andere gemalen wordt een nader besluit genomen.

Afvalwaterakkoorden

Bij het vervallen van het instrument aansluitvergunning wordt de inhoud opgenomen in een
afvalwaterakkoord. Reeds bestaande afvalwaterakkoorden kunnen worden aangevuld of gewijzigd.
Om te kunnen voldoen aan de afnameverplichting wordt lokaal de capaciteit van gemalen en
persleidingen aangepast. Ook de overige samenwerkingsvormen in de waterketen worden vastgelegd in deze akkoorden.

Innovaties

Het waterschap hecht aan innovatie. Invulling wordt hieraan gegeven met de uitvoering van de projecten iPA  , energiebewust zuiveren, onderzoek verdergaande zuiveringstechnieken e.d.  Hierbij moet gedacht worden aan scheiding aan de bron, het herwinnen van grondstoffen uit afvalwater, sanitatieprojecten en verdergaand ontwateren. Ook bij het watersysteem (baggertechnieken) en in het kader van de klimaataanpak doen zich (verdere) goede mogelijkheden voor innovatie voor. Bekeken wordt bijvoorbeeld of de bruikbare component van het restmateriaal uit sloten, bermen en plantsoenen een duurzamere verwerking kan krijgen. Het waterschap zal nieuwe initiatieven nemen en zich richten tot marktpartijen, zal netwerken, samenwerken met andere waterschappen en allianties aangaan die tot vernieuwing leiden. Innovatie moet passen in de gedachte van people, planet, profit en past bij de vernieuwing van de taakuitoefening en de bedrijfsvoering in zijn geheel.

Energiebewust

Het waterschap zet zich er in de komende bestuursperiode voor in om in het zuiveringsbeheer 2 % energie-efficiency per jaar te bereiken. Biogas bij slibgisting wordt aangewend voor opwekking van elektriciteit en warmte. Door eigen opwekking van elektriciteit uit biogas kan de inkoop van elektriciteit worden verminderd. Eventueel kan energie ook worden gebruikt bij slibdroging. De bestaande rioolwaterzuiveringsinstallaties met slibgisting bevinden zich op de locaties Arnhem-zuid, Nijmegen en Tiel en zullen maximaal benut worden voor vergisting van slib. Het waterschap betrekt voor al haar installaties en gebouwen momenteel natuurstroom. Bekeken wordt of dit een structureel karakter kan krijgen waarbij de opwekking meer in eigen beheer kan worden gedaan, al dan niet met andere partijen. Uiteraard vindt een kosten-batenanalyse plaats.

Concentraties van locaties

Het waterschap zal in deze bestuursperiode aandacht besteden aan de optimale schaalgrootte van de zuiveringsinstallaties en het transportstelsel. Het terugdringen van het aantal (kleinere) rwzi-locaties en een concentratie wordt voor zover mogelijk speerpunt van beleid uit een oogpunt van kostenefficiency.

Wegen

De taak wegenbeheer (in het deel Alblasserwaard/Vijfheerenlanden) blijft deze bestuursperiode onderdeel uitmaken van de kerntaken van het waterschap en overdracht aan derden zal alleen plaatsvinden als daarover overeenstemming bestaat met de betrokken gemeenten en de provincie Zuid-Holland.
Als waterschap blijven we inspelen op de toekomstige ontwikkelingen en de te nemen maatregelen ten behoeve van de verkeersveiligheid. Als waterschap sluiten we aan op de landelijke doelstelling om het aantal ernstige slachtoffers te reduceren. De komende periode wordt ingezet op:

  • verbeteren kwaliteit en veiligheid schoolgaande fietsroutes
  • uitvoeren van het provinciaal fietspadenplan
  • regionale samenwerking op het gebied van educatie en netwerkanalyse

Middelen

Lastenontwikkeling

In deze bestuursperiode zal de lastenontwikkeling een punt van voortdurende aandacht zijn. Lasten voor de burgers en bedrijven stijgen zo beperkt als mogelijk en dan ook nog via de geleidelijke weg. Inflatiecorrectie is een gegeven dat jaarlijks kan worden toegepast, maar bekeken wordt of het mogelijk blijkt te zijn daarvan naar beneden af te wijken. Indien er extra taken op het waterschap afkomen en waarvoor het waterschap verantwoordelijk is, dan moet een lastenstijging als gevolg daarvan goed te motiveren en uit te leggen zijn. Tevens moet alle mogelijke inzet gepleegd worden om deze stijging te compenseren middels bezuinigingen (prioriteitstelling, door middel van innovatie, efficiency en het binnenhalen van subsidies).
Het waterschap streeft dus naar een gelijkmatige lastenontwikkeling, waarbij als uitgangspunt wordt genomen dat de egalisatiereserves aan het einde van de periode op “0” staan en waarbij geheven wordt op kostenniveau. Via de bestaande Beleids- en Verantwoordingscyclus wordt het bestuur hierover gerapporteerd.

Subsidieverwerving

Het waterschap probeert, daar waar mogelijk en daar waar de lasten opwegen tegen de baten, gebruik te maken van de mogelijkheden tot het verkrijgen van externe subsidies. Intensivering van bestaand beleid en wellicht de inzet van specifieke deskundigheid en formatie op dit gebied, kan het binnenhalen van subsidies, onder andere en vooral van andere overheden, succesvol maken. Samenwerking met het Bureau Rivierengebied kan daarbij als voorbeeld dienen. In ieder voorstel aan het bestuur zal een subsidieparagraaf worden opgenomen, waarin de gemaakte afweging duidelijk zichtbaar is.

Communicatie en regelgeving

Calamiteitenzorg

Om goed voorbereid te zijn, blijft multidisciplinair oefenen, zoals bij de TMO , uitgangspunt bij de calamiteitenzorg.  Professioneel handelen van de leden van de calamiteitenorganisatie is daarbij het doel.

Regels

Het waterschap streeft naar het terugdringen van regels (voor bedrijven en burgers) en het werken met algemene regels waarbij met een melding kan volstaan. Hierbij moet ook gedacht worden aan een samenwerking met provincies en gemeenten in één loket, evenals een verdere uitbreiding van de mogelijkheden van digitale dienstverlening. Daarnaast is het streven er op gericht om regelgeving zoveel mogelijk in voor de burgers begrijpelijke taal te schrijven, zo nodig naast de juridische tekst.

Handhaving

Handhaving zal in deze bestuursperiode gericht zijn op minder repressie, waarbij meer aandacht zal zijn voor communicatie en verinnerlijking met regels. Deze werkwijze zal er hopelijk toe leiden dat burgers en bedrijven meer vanuit zichzelf de gestelde regels zullen naleven. Als handhavend moet worden opgetreden dan gebeurt dat via het beleid van het opleggen van sancties, waarbij –met uitzondering van spoedeisende gevallen en bij overtreding van zogenaamde kernvoorschriften- altijd eerst een waarschuwing zal uitgaan naar de overtreder.

Imago

Tussen de identiteit en het imago van het waterschap bestaat een relatie. Vaak is er echter een kloof tussen wat een organisatie is (intern) en het beeld dat er over een organisatie bestaat (extern). Om ervoor te zorgen dat het waterschap het imago van een klantgerichte en professionele organisatie verwerft, is het ten eerste nodig om ook werkelijk die klantgerichte en professionele organisatie te zijn (identiteit). Naast organisatieveranderingen kan een interne communicatiestrategie hieraan bijdragen door een verinnerlijking van de kernwaarden. Onder andere door bestuur en medewerkers bewust te maken van welk gedrag daarbij hoort en ervoor te zorgen dat dit gedrag vanzelfsprekend wordt. Gedrag en prestaties van een organisatie zijn immers sterk van invloed op het imago. Een externe communicatiestrategie kan vervolgens worden ingezet om de positieve externe beeldvorming te ondersteunen. De communicatie wordt gericht op het benaderen en bereiken van doelgroepen. Deze benadering wordt tweejaarlijks gemeten via het KTO .

Externe oriëntatie en samenwerking

Het beleid dat is ingezet om de samenwerking met partners in de maatschappelijke omgeving te vergroten, wordt voortgezet en uitgebreid.  Naast contacten met andere overheden, moet het contact met belangengroeperingen (visserij, bedrijfsleven, SWEK , molenstichtingen, milieuorganisaties etc.) gestructureerd worden. 
Ook in het kader van de calamiteitenzorg zal intensief worden samengewerkt met andere overheden binnen de Veiligheidsregio’s.
In het kader van de Nota Mobiliteit is samenwerking gewenst bij de uitvoering van relevante onderdelen met betrekking tot de hoofdlijnen van het verkeers- en vervoersbeleid.
Samenwerking met Deichverband Kleve wordt als een vanzelfsprekendheid gezien.

Internationale samenwerking

Solidariteit internationaal is een aandachtspunt; daarbij gaat het niet over het zelf initiëren en financieren van projecten, maar het op verzoek inzetten van deskundigheid. Uitdrukkelijk wordt dus hiermee aangegeven dat internationale samenwerking of ontwikkelingswerk geen kerntaak van het waterschap is, maar dat ook het waterschap een morele verplichting heeft ten opzichte van landen waarin veiligheid, een juiste waterkwantiteit en een goede waterkwaliteit, geen vanzelfsprekendheid is. De inzet is doelgericht en bij voorkeur daar waar duurzame contacten mogelijk zijn.

Brochure bestuursaccoord

Informatie over het bestuursaccoord en de portefeuilles van de diverse bestuursleden zijn ook gebundeld in de brochure Bestuursaccoord.pdf (pdf, 1441 Kb).

Het document in PDF-formaat kunt u vanaf het scherm lezen en opslaan. Gebruik hiervoor de Acrobat Reader (link opent in een nieuw scherm).

Paginafuncties

Waterschap Rivierenland
Naar boven