
De Overasseltsche vennen hebben te maken met ernstige verdroging. Dat is een probleem, want het vennengebied is een bijzonder waardevol en belangrijk natuurgebied in de provincie Gelderland. In het provinciale gebiedsplan Natuur- en Landschap (2006) is het vennengebied aangegeven als “parel” voor prioritaire landnatuur. Het gebied is onderdeel van de Ecologische hoofdstructuur en het is, samen met het Wijchensche Ven, opgenomen in de ‘Toplijst anti-verdroging’.Dat betekent dat de verdrogingproblematiek in deze gebieden met voorrang wordt aangepakt.
In deze notitie leest u achtereenvolgens hoe het vennengebied is ontstaan, de ontwikkeling van het vennengebied gedurende de afgelopen eeuw, het (herstel)beheer sinds de 60-er jaren en wat er moet worden gedaan om het vennengebied weer een beetje de kwaliteit te geven die het rond 1900 had.
Het vennengebied is opgebouwd uit stuifzanden die in de laatste ijstijd door de wind zijn afgezet op leem afkomstig van de Rijn en de Maas. Vanwege het doorlaatbare zand en de daaronder gelegen leemlaag is in het vennengebied altijd sprake geweest van een geheel eigen waterhuishouding. De duinen worden gevoed door regenwater. Dit regenwater kan vanwege de slecht doorlatende leemlagen in de ondergrond niet makkelijk wegzakken naar diepere bodemlagen. Hierdoor bevindt zich in de duinen een grondwaterstand in de vorm van een ‘waterbel’. Deze grondwaterstand bepaalt ook mede de waterstand van de diverse vennen. In de meer centraal gelegen vennen kan het waterpeil wel meer dan een meter hoger zijn dan de aan de rand van het vennengebied gelegen vennen.
De venbodem bestaat uit een laag onvolledig verteerde plantenresten. Dit maakt het nog moeilijker dat water wegzakt naar de ondergrond.
De stuifzanden zijn oorspronkelijk arm aan voedingsstoffen. Hierdoor komen in het vennengebied zeer zeldzame planten voor als:
Dit is niet alleen voor de provincie Gelderland, maar voor heel Nederland een zeldzame situatie.
De ontwikkeling van het vennengebied gedurende de afgelopen eeuw
Rond 1900 bestond het vennengebied uit een mozaïek van heide, droge grazige vegetaties, vennen en veentjes met langs de randen van het gebied bouw- en graslanden en lokaal bos. Sinds het begin van de 20ste eeuw is de inrichting van de waterhuishouding binnen het vennengebied aanzienlijk veranderd. De belangrijkste wijzingen zijn:
In het begin van de 20ste eeuw bestond het vennengebied uit een mozaïek van heide, droge grazige vegetaties, vennen en veentjes met slechts in het noordwestelijke en uiterst zuidoostelijke deel bouw- en graslanden. Rond 1910 is men begonnen het vennengebied op uitgebreide schaal te ontwateren door het graven van slootjes. Dit werd vrij snel gevolgd door het inplanten van naaldhout. Zo ontstond een productiebos voor hout dat werd gebruikt in de mijnbouw.
Ook werden weilandpercelen aangelegd rond een aantal vennen door het omringende duin voor een deel af te graven. Met het vrijkomende zand werden delen van de vennen gedempt. Vennen veranderden hierdoor niet alleen van grootte en van vorm, maar werden vanaf die tijd ook steeds verrijkt met op het weiland gebrachte meststoffen. Op deze wijze zijn hele vennen verdwenen.
Eind zestiger jaren zijn er in de Teersche Sluispolder sloten gegraven en verdiept. Hierdoor is de waterhuishoudkundige situatie verder veranderd. Daarnaast is in de periode vanaf 1968 tot 1982 ook een ruilverkaveling uitgevoerd en werden er sloten aangelegd langs de A73. Een deel van de nieuwe en aangepaste sloten is zo diep dat ze door de leemlaag heen gaan. Zij zorgen er voor dat het regenwater naar de diepere ondergrond uitzakt en het grondwaterniveau van de veel minder diep liggende ‘waterbel’ zakt en het water gemakkelijker uit het vennengebied wegstroomt.
In de 60-er jaren kwam het vennengebied in eigendom van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer is sinds die tijd langzaam gestart met het herstel van ven- en heidemilieus, onder andere door het verwijderen van bomen.
Dit herstelbeheer heeft ertoe geleid dat het vennengebied tegenwoordig zowel qua flora als amfibieën- en reptielenfauna (Rugstreeppad, Heikikker, Poelkikker, Kamsalamander, Knoflookpad en Levenbarende Hagedis) zeer waardevol is. Ook is een aantal burchten van de Das aanwezig en zijn natte, voedselrijke graslanden van belang voor kritische weidevogels zoals de Grutto. De relatieve rijkdom aan soorten wordt verklaard door de grote afwisseling aan terreintypen en vooral ook door de aanwezigheid van natte heide en vennen.
Ondanks de maatregelen en het beheer van Staatsbosbeheer is momenteel nog steeds sprake van een aantal grote knelpunten: verdroging, verrijking en versnippering.
Uit langjarige meetreeksen aan peilbuizen blijkt dat de grondwaterstanden in de loop der jaren steeds lager zijn geworden. Dat heeft een verdrogend effect. Die verdroging wordt deels veroorzaakt door de in het verleden aangelegde slootjes voor de ontwatering van de vennen, maar ook door de grote oppervlakte naaldbos. Dit naaldbos heeft een veel grotere verdamping dan heidegronden met struiken en struwelen. Daardoor wordt veel regenwater gebruikt voor de groei van de boom en komt er minder bij het grondwater. In delen van het vennengebied is nauwelijks gekapt, zodat de naaldbomen hierdoor zelfs tot in de vennen groeien.
Daarnaast wordt de verdroging ook veroorzaakt door de landbouwkundige ontwatering. Het water stroomt makkelijker uit het vennengebied, door de bodem, naar de sloten in de lager gelegen landbouwgebieden aan de rand van het vennengebied.
Uit studies blijkt bovendien dat het opzetten van het waterpeil in de Maas en het Maas-Waalkanaal geen bijdrage levert aan herstel van de grondwaterstanden in de vennen. De oorzaak hiervan is dat de sloten in de omgeving van het kanaal de kwel vanuit het kanaal afvoeren en de vennen dus niet bereikt.
De aanwezigheid van te veel naaldbos leidt niet alleen tot verdroging, maar ook tot verrijking met voedingsstoffen en verzuring van de aangrenzende heide- en venmilieus. De oorzaak hiervan is de versterkte toevoer van blad- en naaldval.
Tenslotte beperkt de aanwezigheid van te veel bos tussen de verschillende vennen de uitwisseling van dieren tussen de verschillende leefmilieus voor die dieren, waaronder vooral reptielen en amfibieën.
Gezien de huidige knelpunten is het noodzakelijk om op korte termijn verbeterplannen voor de Overasseltsche vennen (samen met het Wychensche ven) uit te werken in concrete, uitvoerbare maatregelen op een manier dat ze niet negatief uitpakken voor de landbouw, de bewoners, de recreatie en de belevingswaarde. Wanneer we nu niets doen, gaat het vennencomplex als vochtig natuurgebied namelijk verloren en valt er in de toekomst niets meer te herstellen.
De verbeteringen zijn in te delen naar de volgende thema’s:
Dempen van sloten en greppels in het vennengebied, voor zover ze geen waterhuishoudkundige functie hebben. Hierdoor wordt het water in het gebied vastgehouden. Omzetting van naaldbos in heidegebied zorgt voor verhoging van de grondwaterstanden. Daarnaast zou de afvoer van water in het landbouwgebied tussen de A 73 en het vennengebied aangepakt moeten worden en het peil van de waterloop bij de Bullenkamp enigszins verhoogd. In een zone ten zuiden van het Wijchense ven wordt de bovenste bodemlaag van 30 cm afgegraven en worden slootpatronen aangepast. Afgraven zorgt ervoor dat de plantenwortels dichter bij het grondwater komen.
Uit modelberekeningen blijkt dat de hierboven beschreven ingrepen geen enkele negatieve invloed (verhoging van de grondwaterstand) hebben in de Nijmeegse wijken Dukenburg en Wezenhof.
In perioden met hevige neerslag kan de landbouw in het Overasseltse Broek hinder hebben van wateroverlast. Het beste is om overtollige neerslag op geschikte plekken te verzamelen (waterberging). Dat kan in een waterloop door deze te verbreden. Als de oevers van een flauwe helling worden voorzien en aangrenzend poelen worden gemaakt ontstaat een natuurvriendelijke inrichting van de watergang. In het Overasseltsche Broek wordt zo het maken van waterberging gekoppeld aan de ecologische verbindingszone Heumen - Horssen. Daartoe worden aan de zuidzijde van het vennengebied natuurvriendelijke oevers aangelegd langs de Leigraaf (onderdeel Zeedijkse Leigraaf / Balgoysche wetering). Langs de watergang Bullekamp zal aan één kant van de watergang een natuurvriendelijke oever worden aangelegd.
Tenslotte zal de waterkwaliteit in het Wijchensche ven beter worden door bij Alverna een helofytenfilter (met riet en moerasplanten) aan te leggen voor de zuivering van het water dat periodiek bij hevige neerslag vanuit het riool het ven in stroomt. Bovendien wordt een stuw aan de noordzijde verhoogd. Hierdoor stroomt geen vuil gebiedsvreemd water meer het ven in.
Nieuwe natuur wordt gerealiseerd op de graslanden in de zone ten zuiden van het Wychensche ven, in de zone tussen de A73 en het vennengebied en op de drogere (hoger gelegen) verpachte landbouwgronden in het vennengebied. Daarnaast wordt de ecologische verbindingszone Heumen – Horssen gerealiseerd.
Het uiteindelijke doel is om over een oppervlakte van ca. 70 ha bos om te vormen. Het wordt geen kale vlakte. Er blijven boomgroepen en -groepjes. Vooral de loofbomen en –bosjes blijven behouden. Er zullen vooral bomen worden verwijderd tussen de laaggelegen natte heide/venranden en het bovenste deel van de omringende zandduinen. Hierdoor wordt een verminderde verdamping en daarmee een grotere lokale grondwatervoorraad in de stuifzandruggen bereikt. Hiervandaan stroomt het grondwater vervolgens ondergronds naar de lager gelegen vennen en natte heiden. Het bos buiten de directe invloedssfeer van de vennen en natte heide blijft voor een groot deel gehandhaafd.
Door beheer, zoals begrazing met schapen, lokaal maaien, branden en plaggen wordt de ontwikkeling van natte en droge heide gestimuleerd. Hierdoor worden de nu nog geïsoleerd gelegen vennen met elkaar verbonden, waardoor de migratie van soorten (insecten, reptielen en amfibieën) en een toename van het aantal soorten worden bevorderd.
Het unieke stuifduinen landschap wordt door de ingrepen ook weer veel beter zichtbaar en beleefbaar.
Landbouw verdient een volwaardige plaats in de omgeving van het vennengebied. De landbouw moet door voldoende compensatie, kavelruil, (en eventueel verplaatsing) beter worden van het maatregelenplan. Om de verbeteringsmogelijkheden in beeld te krijgen zijn gesprekken met boeren gevoerd.
Het vennengebied behoudt de belangrijke functie voor extensieve recreatie (wandelaars, ruiters). Door de indeling en toegankelijkheid te verbeteren wordt de belevingswaarde voor de natuurgerichte recreant vergroot. Bereikbaarheid en beleving van het gebied zijn belangrijke aandachtspunten. Parkeervoorzieningen, korte en lange wandelroutes met informatiepanelen over de natuur en het landschap zullen daar onderdeel van zijn.
© Waterschap Rivierenland - Proclaimer