Dit is een oude versie van de regelgeving. Gebruik de zoekfunctie voor de nu geldende regelgeving. link naar regelgevingen zoekpagina
Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Waterschap Rivierenland

Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
Organisatie Waterschap Rivierenland
Organisatietype Waterschap
Officiële naam regeling Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland
Citeertitel Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland 2010
Vastgesteld door dagelijks bestuur
Onderwerp bestuur en recht
Eigen onderwerp milieu – water
Externe bijlagen exb-2016-4285 exb-2016-4286 exb-2016-4287 exb-2016-4288 exb-2016-4289 exb-2016-4290 exb-2016-4291 exb-2016-4292 exb-2016-4293 exb-2016-4294 exb-2016-4295 exb-2016-4296 exb-2016-4297 exb-2016-4298

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

1) Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 14-12-2010

2) Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Waterschapsblad Waterschap Rivierenland, 29-12-2010

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend.

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2011 01-01-2012 diverse tekstuele wijzingen

14-12-2010

Waterschapsblad Waterschap Rivierenland, 29-12-2010

201042162
10-09-2010 01-01-2011 toevoeging beleidsregel 5.25

17-08-2010

Kontakt Alblasserwaard, 09-09-2009

201025006
22-12-2009 10-09-2010 nieuwe regeling

01-12-2009

Kontakt Alblasserwaard, 17-12-2009

200941684

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland

1. Waarom zijn er beleidsregels en hoe werken ze?

1.1. Inleiding

Waterschap Rivierenland mag zijn taken onder andere uitvoeren op grond van een wet (verordening) genaamd: de Keur Waterschap Rivierenland 2009, verder aangehaald als "Keur". Hierin staat wat er gedaan moet worden (geboden) en wat er niet mag (verboden) bij een watergang of bij een waterkering (dijken e.d.).

In de geboden staat voorgeschreven wat gedaan moet worden om te zorgen dat de watergangen en waterkeringen in stand blijven. In de verboden staan die zaken welke in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van watergangen of waterkeringen.

Verder staan er in de Keur ook regels die gaan over onderhoudsverplichtingen voor aanwonenden langs watergangen en waterkeringen.

1. Algemene regels: alleen melding

Voor bepaalde activiteiten vlakbij een watergang of waterkering die weinig invloed hebben zijn algemene regels opgesteld. Voldoen de uit te voeren activiteiten aan de voorwaarden in de algemene regels, is geen watervergunning nodig. Dit houdt in dat de uit te voeren activiteit alleen schriftelijk moet worden 'gemeld' bij het waterschap, waarna men een toestemmingsbrief ontvangt.

Het voordeel hiervan is dat er geen kosten (leges) betaald hoeven te worden en er geen bezwaarprocedure doorlopen hoeft te worden. Kortom: kosteloos en snel (binnen maximaal 14 dagen ontvangt u toestemming).

2. Watervergunning

Voor alle uit te voeren activiteiten die niet voldoen aan de algemene regels, kan een watervergunning worden aangevraagd. Omdat het over een verbod gaat, wil het waterschap deze activiteiten eigenlijk niet. Daarom zal de aanvrager duidelijk moeten maken waarom de activiteit voor hem van belang is. Als dat belang niet duidelijk is, of het waterschap vindt het belang niet groot genoeg ten opzichte van het belang van het waterschap of derden (buren e.d.), zal een aanvraag voor een watervergunning worden geweigerd. De waterwet stelt in dit verband dat een besluit op grond van de Keur het zogenaamde 'nee-tenzij' principe kent.

Watervergunningen worden alleen verleend als het belang voor de waterkering of de watergang niet in het gedrang komt. Om duidelijk te maken wat het waterschap belangrijk vindt, zijn beleidsregels (zie ook 1.2) opgesteld. Hierin zijn duidelijke, vaste uitgangspunten omschreven over wat belangrijk is bij veel voorkomende activiteiten. Op deze manier is het ook voor de burger duidelijk aan welke voorwaarden hij moet voldoen om een watervergunning te krijgen.

1.2. Beleidsregels

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt het voor het waterschap mogelijk beleidsregels vast te stellen. Deze beleidsregels moeten er voor zorgen dat aanvragen om een watervergunning steeds op dezelfde manier worden beoordeeld. Het waterschap kan alleen beleidsregels vaststellen voor die zaken waar ze volgens de wet bevoegd toe is.

Voordeel beleidsregels

Beleidsregels geven de burger de zekerheid dat vergelijkbare activiteiten op dezelfde manier beoordeeld worden. Omdat een beleidsregel een besluit in de zin van de Awb is, moet zowel het waterschap als de burger zich aan de beleidsregel houden. De burger mag dus verwachten dat hij/zij een watervergunning krijgt als de activiteit die hij/zij wil uitvoeren, voldoet aan de beleidsregel. Aan de andere kant moet het waterschap een aanvraag om een watervergunning weigeren als de aanvraag niet voldoet aan de beleidsregel.

Afwijken van de beleidsregel

In bijzondere gevallen kan van een beleidsregel worden afgeweken. Bijvoorbeeld omdat het belang van de aanvrager groter is dan het belang dat het waterschap. Andersom kan ook: dan werkt het waterschap niet mee, terwijl dat volgens de beleidsregels wel zou kunnen. Ook kan soms een precieze toepassing van de beleidsregel gevolgen hebben die niet met die beleidsregel bedoeld waren. In die gevallen kan het waterschap afwijken. Het besluit moet dan wel goed gemotiveerd worden.

Bezwaar en beroep

Het instellen van bezwaar of beroep is mogelijk tegen besluiten (zoals watervergunningen), waarvan de beleidsregels de basis vormen. Daarbij kan een rechter, als hij een beleidsregel (helemaal of gedeeltes daaruit), niet rechtmatig vindt, de beleidsregel alsnog onverbindend verklaren.

2. Algemene toetsingscriteria watervergunningen wateren en waterkeringen

2.1 Inleiding

Waterschap Rivierenland heeft een openbare taak. Deze komt onder andere voort uit de toepassing van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 en de legger, en richt zich vooral op de bescherming en instandhouding van de bestaande waterstaatswerken (wateren en waterkeringen). De Keur verbiedt allerlei werken en handelingen die waterstaatswerken nadelig kunnen beïnvloeden. Voor werken en handelingen die  meestal onder voorschriften- toch kunnen worden toegelaten kent de Keur een watervergunningsmogelijkheid.

Het waterschap heeft twee belangrijke hoofdtaken:

  • Zorg voor de waterkerende functie van waterkeringen en daarmee voor de veiligheid van het gehele beheergebied. De waterkeringen hebben vaak een regionaal of zelfs bovenregionaal belang.

  • Zorg voor het watersysteem. Dit houdt zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve zorg in.

Voor beide taken geeft het waterschap daarbij uitvoering aan wet- en regelgeving van rijk en provincies.

Aanvragen voor een (water)vergunning voor activiteiten in of nabij watergangen en waterkeringen worden getoetst aan:

  • algemene toetsingscriteria: deze toetsingscriteria gelden in beginsel voor alle aanvragen voor een watervergunning;

  • bijzondere toetsingscriteria: deze toetsingscriteria gelden in beginsel alleen voor een of meer specifieke werken en/of werkzaamheden, zoals het plaatsen van een duiker of een brug.

Als bijzondere criteria afwijken van de algemene, dan prevaleren de bijzondere criteria.

2.2. Watertoetsadvies

Beleidsregels hebben zowel externe als interne werking. Beleidsregels zijn in principe ook voor het opstellen van een watertoetsadvies richtinggevend. Als daarom voor nieuw stedelijk gebied een positief watertoetsadvies is afgegeven, wordt de aanvraag om watervergunning in principe vooral aan dat advies getoetst. In veel gevallen zal dat tot een vlotte watervergunningsprocedure kunnen leiden.

3. Algemene toetsingscriteria ter waarborging van de constructie, dewaterhuishoudkundige functie en het doelmatig beheer en onderhoud van wateren

3.1. Inleiding

Watergangen worden onderverdeeld in drie categorieën:

  • A-watergang: heeft een aan- en afvoerende en bergende functie;

  • B-watergang: heeft een afvoerende en bergende functie;

  • C-watergang: heeft alleen een bergende functie.

In en naast watergangen zijn kern- en beschermingszones aangewezen. Deze zones zijn opgenomen in de legger.

De algemene toetsingscriteria voor wateren vallen uiteen in twee onderdelen. Deze onderdelen zijn hieronder aangegeven en uitgewerkt. In die gevallen waarin de aanvraag voor een watervergunning niet voldoet aan de vereiste criteria, zal door overleg met de initiatiefnemer en aanpassing van de aanvraag om watervergunning door de initiatiefnemer, de waterstaatkundige functie alsnog moeten worden gewaarborgd.

Aanvragen worden beoordeeld op:

  • Toetsingscriteria die de constructie en waterhuishoudkundige functie van wateren waarborgen. Om de afvoer van water te waarborgen, is het belangrijk dat de constructie en de functie van de watergang aan de eisen voldoet. Voor bestaande watergangen wordt daarbij getoetst aan de legger, voor nieuwe watergangen zijn de concrete eisen in deze beleidsregels opgenomen. Afmeting, vorm en eventuele obstakels zijn daarbij belangrijke criteria

  • Toetsingscriteria die het doelmatig onderhoud van A- en B-watergangen waarborgen. Het beheer en onderhoud van A-watergangen en het beheer van B-watergangen is een belangrijke taak van het waterschap. Door het toenemende tekort aan ruimte in het beheergebied van het waterschap en ook door wensen van burgers, wordt steeds meer gebruik gemaakt van de kanten van watergangen. Dit betekent veelal dat daarmee het doelmatig onderhoud van een watergang wordt bemoeilijkt. Om hiertegen voldoende zekerheden in te bouwen, zijn duidelijke regels opgesteld voor de gevallen waarin al dan niet watervergunning kan worden verleend.

3.2. Constructie en waterhuishoudkundige functie

3.2.1. Kernzone

Met uitzondering van die werken en werkzaamheden die in de bijzondere criteria zijn omschreven, worden in de bij de legger aangewezen kernzone géén werken en/of werkzaamheden toegestaan.

3.2.2. Stabiliteit taluds

  • a.

    Een nieuw talud van een A- of B-watergang mag in principe niet steiler zijn dan 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).

  • b.

    Voorkomen moet worden dat de stabiliteit van het talud door een (bouw)werk wordt aangetast.

Door de toegenomen druk die het (bouw)werk veroorzaakt, kan het gebeuren dat het talud instabiel wordt en onderuitzakt. Binnen 1,50 meter uit de insteek van A-watergangen of boezems in landelijk gebied en binnen 1 meter uit de insteek in stedelijk gebied mogen daarom geen objecten en geen ophogingen steiler dan 1:2 aangebracht worden.

Voor B-watergangen geldt op grond van de legger een standaardbeschermingszone van 1 meter uit de insteek.

3.2.3. Functie van de watergang

Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt hebben watergangen vooral een functie voor de afvoer, aanvoer en/of berging van water. Ook hebben watergangen een ecologische functie. Algemeen uitgangspunt bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning voor werken/werkzaamheden in of nabij deze watergangen is dan ook dat de functie van de watergang voor de afvoer, aanvoer en/of berging van water niet in gevaar komt.

Bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning op dit algemene toetsingscriterium wordt onder meer gekeken naar de volgende waterhuishoudkundige aspecten:

  • a.

    Doorstroomcapaciteit watergang. Als in de nieuwe situatie de doorstroomfunctie wordt aangetast, moet deze functie geheel worden gecompenseerd.

  • b.

    Bergingscapaciteit watergang. De bestaande bergingscapaciteit moet worden gewaarborgd. Afname van berging dient volledig te worden gecompenseerd in hetzelfde peilvak. Het aantal te compenseren kubieke meters wordt berekend op basis van een peilstijging van 30 cm boven zomerpeil of boezempeil. Een uitzondering hierop vormen de gebieden van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Omdat de bergingscapaciteit in het watersysteem in dit gebied beduidend geringer is dan in de overige gebiedsdelen, wordt hier gerekend met een maximale peilstijging van 20 centimeter.Voor het winterbed van de Linge en voor de boezemgebieden in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden gelden specifieke bepalingen die in de bijzondere criteria verder worden beschreven.

  • c.

    Ecologie Bij de behandeling van aanvragen voor een watervergunning, wordt beoordeeld wat het effect is op de ecologie. Dit geldt met name voor watergangen gelegen in gebieden met specifieke natuurdoelen.

Als algemeen criterium geldt in deze gebieden het stand-stillbeginsel. Dit beginsel houdt in dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot achteruitgang van de huidige situatie, tenzij de negatieve effecten (op bijvoorbeeld ecologie of waterkwantiteit) volledig worden gecompenseerd.

Zo is het niet toegestaan om werken (bijvoorbeeld steigers en vlonders) op locaties aan te brengen waar natuurvriendelijke oevers of ecologische verbindingszones liggen of zijn gepland, tenzij het negatieve effect op de ecologie volledig wordt gecompenseerd.

Het stand-stillbeginsel geldt in de gebieden met de functies:

  • Natte landnatuur (incl. TOP-lijstgebieden);

  • HEN/SED-wateren;

  • weidevogelgebieden;

  • KRW-oppervlaktewaterlichamen.

De gebieden met deze specifieke functies zijn weergegeven op de bijlagen 3a, 3b, en 3c. Als de Flora- en Faunawet op de voorgenomen werken van toepassing is, zal het waterschap daarop attenderen.

3.2.4 Afmetingen watergang

Afhankelijk van de bodemomstandigheden zijn de minimale maten van nieuwe watergangen als volgt.

A-watergangen

  • Het talud moet minimaal een schuinte hebben van 1:2, Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).

  • Bodembreedte minimaal 0,70 meter.

  • Bodemhoogte 1 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem de genoemde bodemhoogte van 1 meter onder zomer/boezempeil niet toelaat, kan een geringere waterdiepte dan 1 meter worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebied en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.

Deze criteria gelden voor zowel nieuwe watergangen als de verlenging en/of verbreding van bestaande watergangen. Als in bestaande watergangen het uit te voeren werk een lengte kent van minder dan 100 meter gelden deze eisen niet. In die gevallen moeten de bestaande leggerafmetingen worden toegepast en moeten bestaande bodemhoogtes worden aangesloten om bodemvallen en drempels te voorkomen.

B-watergangen

  • Talud: een schuinte van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).

  • Bodembreedte 0,50 meter.

  • Bodemhoogte 0,50 meter onder zomerpeil of boezempeil, als dit is vastgesteld. Als de fysische gesteldheid van de bodem de genoemde bodemhoogte niet toelaat, kan een andere bodemhoogte worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebieden en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.

Plas-drasoever

  • Een plas-drasoever ligt 30 cm onder zomerpeil.

  • Het talud boven de plas-drasoever is minimaal 1:3.

  • Het plas-drasbanket is minimaal 1 meter breed.

  • De oever wordt bij voorkeur niet te strak, maar met variabele breedte aangelegd.

[Figuur 1: profiel waterbergingsoever: plas-dras; red. niet opgenomen in de tekst, zie onder "bijlagen"]

3.2.5. Open water

Het waterschap hecht groot belang aan het zoveel mogelijk instandhouden van (en compenseren in) open water als onderdeel van het watersysteem. Daarom worden lange duikers, bassins, kratten e.d. zoveel mogelijk geweerd.

3.2.6. Compensatie in C-watergangen

Compensatie in een C-watergang wordt in het algemeen niet toegestaan. Dit tenzij de C-watergang na de compensatie kan worden opgewaardeerd naar een B-watergang   en een rechtstreekse verbinding zal hebben met A- of B-watergangen. Uitzonderingen worden beschreven in de bijzondere toetsingscriteria.  

3.3. Doelmatig onderhoud van A- en B- watergangen

3.3.1. Onderhoudsstrook

Een onderhoudsstrook is een in principe obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt.

Bij de behandeling van de watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het onderhoud van de watergang naar behoren, dus doelmatig kan worden uitgevoerd. Gezien de grote variëteit aan watergangen binnen het beheergebied van het waterschap is het niet mogelijk om voor elke denkbare situatie dekkende criteria te hebben. In de legger zijn de afmetingen van de watergangen, inclusief de beschermingszones, vastgelegd. Deze beschermingszones hebben vooral ten doel om de watergang toegankelijk te houden voor - doorgaans machinaal - uit te voeren onderhoud.

Vanuit een flexibel leggerbeheer kan de beschermingszone breder of smaller zijn in verband met andere te beschermen belangen. In het volgende hoofdstuk worden, bij de beleidsregel voor objecten, bijzondere criteria genoemd die doelmatig onderhoud moeten waarborgen.

3.3.2. Varend onderhoud

In die gevallen waarin onderhoud varend wordt gepleegd, worden aanvragen voor een watervergunning (voor bijv. duikers en bruggen) getoetst aan de volgende criteria:

  • minimale bodembreedte van 2 meter; boven die 2 meter moet een minimale waterdiepte zijn van 1 meter onder zomerpeil of boezempeil;

  • de doorvaartbreedte op de waterlijn minimaal 2,25 meter blijven (ook naast eventueel mee te maaien natuurvriendelijke oevers);

  • er moet minimaal 75 meter lengte van de te onderhouden watergang aanwezig blijven;

  • er moet voldoende doorvaarthoogte overblijven ter plaatse van de aanwezige kruisingen met infrastructurele werken, oftewel minimaal 1,00 meter ten opzichte van zomerpeil of boezempeil; In het gebied van Alblasserwaard en Vijfheerenlanden kan in verband met de maaiveldhoogte een kleinere maat worden toegelaten;

  • er moeten vanaf de openbare weg goed bereikbare locaties aanwezig zijn waar een maaiboot te water kan worden gelaten;

  • er moet op elke lengte van ca 150 meter een vuiltrekplaats aanwezig zijn waar maaisel uit de watergang kan worden verwijderd en op een voertuig kan worden geladen om zo te worden afgevoerd. Deze vuiltrekplaatsen dienen minimaal de afmetingen te hebben die in de te verlenen watervergunning zullen worden voorgeschreven;

  • er moet een locatie in de watergang aanwezig van 6 meter bij 6 meter (met een waterdiepte minimaal 1 meter (onder zomerpeil of boezempeil)) waar een maaiboot gekeerd kan worden (zodat maaisel kan worden opgeduwd).

3.3.3. Om onderhoud aan natuurvriendelijke oevers goed uit te kunnen voeren, gelden de volgende eisen:

  • a.

    Het talud moet minimaal 1:6 of flauwer zijn;

  • b.

    De natuurvriendelijke oever moet goed toegankelijk zijn voor onderhoudsmaterieel;

  • c.

    Bij toepassing van een plas-draszone moet een onderhoudstrook van minimaal 4 meter breed langs de natuurvriendelijke oever beschikbaar zijn.

4. Algemene toetsingscriteria ter waarborging van de constructie en waterstaatkundige functie van waterkeringen

4.1. Inleiding

Waterkeringen zijn ontworpen om een maatgevende afvoer te kunnen weerstaan. Ze zijn in het algemeen niet sterker gemaakt dan hiervoor nodig is. Bij het ontwerpen van waterkeringen is in het verleden weinig rekening gehouden met eventuele toekomstige niet-waterkerende elementen zoals bomen, gebouwen en andere objecten.

Later in de kern- of beschermingszone aangebrachte niet-waterkerende elementen hebben invloed op de kwaliteit van de waterkering doordat ze:

  • de waterkerende functie kunnen aantasten

  • een toekomstige verzwaring kunnen belemmeren cq aanzienlijk duurder maken

  • doelmatig beheer en onderhoud bemoeilijken.

Typen waterkeringen

Het waterschap onderscheidt twee typen waterkeringen, te weten:

  • primaire waterkeringen. Dit zijn waterkeringen welke vooral liggen langs de grote rivieren (Maas, Nederrijn/Lek en de Waal/Merwede) en door het Rijk zijn aangewezen op grond van de Waterwet.

  • regionale waterkeringenDit zijn waterkeringen gelegen binnen het beheergebied van het waterschap vooral langs de boezemwateren en de kanalen. Regionale waterkeringen worden of zijn aangewezen op grond van een provinciale verordening. Daarnaast onderscheidt het waterschap regionale waterkeringen die niet door de provincie worden aangewezen, maar wel van belang worden geacht en die op basis van de Keur zijn aangewezen.

In bijlage 4 is een overzichtskaart van de primaire en regionale waterkeringen opgenomen.

De primaire waterkeringen worden onderverdeeld in zogenaamde categorie A, B en C waterkeringen (omschrijving volgens Waterwet):

  • Categorie A: waterkeringen die behoren tot stelsels die dijkringgebieden  al dan niet met hoge gronden  omsluiten en direct buitenwater keren;

  • Categorie B: waterkeringen die voor dijkringgebieden zijn gelegen en buitenwater keren;

  • Categorie C: waterkeringen, niet bestemd tot directe kering van buitenwater.

De regionale waterkeringen zijn onderverdeeld in 3 groepen (1, 2 en 3).

  • Categorie 1: waterkeringen die buitenwater keren (bijv. zomerkaden, voorlandkeringen);

  • Categorie 2: waterkeringen die ander water keren (bijv. boezemkaden, polderkaden, waterkeringen langs regionale rivieren, kanaaldijken);

  • Categorie 3: 'droge' waterkeringen (bijv. slaperdijken, compartimenteringsdijken).

Toetsingscriteria

De algemene toetsingscriteria voor het waarborgen van de waterstaatkundige functie van waterkeringen vallen uiteen in een aantal onderdelen. Deze onderdelen zijn hieronder aangegeven en uitgewerkt. In die gevallen waar de aanvraag voor een watervergunning niet voldoet aan de vereiste criteria, zal door overleg met de initiatiefnemer en aanpassing van de plannen door de initiatiefnemer, de waterstaatkundige functie alsnog moeten worden gewaarborgd.

Aanvragen worden beoordeeld op de volgende criteria:

4.2. Beheer

Het waterschap is onder andere verantwoordelijk voor het beheer van de waterkeringen. Onder beheer wordt verstaan het geheel van activiteiten dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de functie van de waterkering blijft voldoen aan de daarvoor vastgestelde eisen en normen. Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het noodzakelijk te inspecteren en te monitoren. Bij de aanvraag voor een watervergunning zal altijd de toets plaatsvinden of het object van vergunningverlening belemmerend werkt voor de inspectie en monitoring.

4.3. Onderhoud

Het waterschap wil het dijkonderhoud op een doelmatige manier uitvoeren. Zonder onderhoud neemt de kwaliteit van de waterkering af en daarmee de vereiste veiligheid. Bij het toetsen van een watervergunningaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een doelmatige wijze mogelijk is;

4.4. Functiescheiding

Tussen voorzieningen voor de waterkerende functie en voorzieningen voor andere functies moet een duidelijke scheiding aanwezig zijn. Bij andere functies moet men onder andere denken aan wegen, bebouwing, recreatief- of ander medegebruik. Verweving van functies is niet gewenst. De functie van de waterkering is van primair belang. Andere functies zijn ondergeschikt aan de waterkerende functie. Eventuele andere functies worden aan de waterkering aangepast, niet andersom.

Functiescheiding geldt in principe voor alle waterkeringen, zowel voor primaire waterkeringen als voor regionale waterkeringen.

4.5.  Afmetingen en zonering van waterkering volgens legger en Keur

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een watervergunning wordt onderscheid gemaakt tussen de primaire en regionale waterkeringen. De veiligheidsnorm verschilt namelijk per dijkring of kadevak.

Bij alle waterkeringen wordt rekening gehouden met het behoud van de waterkerende functie en het kunnen uitvoeren van doelmatig beheer en onderhoud (zie punt 1 en 2). Bovendien wordt bij een aanvraag getoetst in hoeverre ruimte is gereserveerd voor toekomstige aanpassingen en/of versterkingen aan de waterkering.

4.5.1. Afmetingen

In de leggers zijn de noodzakelijke afmetingen van de waterkering vastgelegd. Voor initiatieven wordt alleen een watervergunning verleend wanneer deze buiten het leggerprofiel en/of het profiel van vrije ruimte plaatsvinden (zie onder 6).

Voor waterkeringen waarvoor een legger niet is vastgesteld geldt de ligging en het profiel zoals deze in het terrein aanwezig is. Bij beoordeling van aanvragen voor een watervergunning nabij deze waterkeringen wordt dan ook alleen rekening gehouden met het huidige (beheer)profiel. Dit geldt ook voor waterkeringen, waarvoor wel een legger is voorgeschreven, maar deze nog niet is vastgesteld .

4.5.2. Zonering

In de Keur staat vermeld dat de kernzone en de beschermingszone samen het waterstaatswerk (waterkering) vormen. Daarnaast wordt ook een buitenbeschermingszone onderscheiden. Exacte afmetingen van de zoneringen zijn beschreven in de legger. Voor de situatie waar geen legger aanwezig is, is de overgangsbepaling van artikel 7.3 van de Keur van toepassing. Hierin is voor waterkeringen, waarvoor het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven, en/of waarvoor het vaststellen van een legger wel is voorgeschreven maar deze nog niet is vastgesteld, een zonering benoemd.

4.6. Profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.)

Primaire waterkeringen worden ontworpen en aangelegd op basis van eisen die door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden vastgesteld. Deze eisen gaan uit van een maatgevend hoogwater (MHW) berekend op een bepaalde rivierafvoer bij Lobith of bij Borgharen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering en bodemdaling zijn toekomstige dijkversterkingen niet uitgesloten. Het is niet wenselijk, voor de burgers niet én voor het waterschap niet om in de toekomst bijvoorbeeld bebouwing, leidingen en andere werken te moeten verwijderen om een dijkversterking mogelijk te maken. Het is daarom van belang kapitaalintensieve investeringen (denk aan bouwwerken, transportleidingen, sportvelden e.d.) zo te situeren dat een dijkversterking zonder sloop en/of andere aanpassingen aan kapitaalintensieve investeringen toch goed mogelijk blijft. Dit wordt bereikt door deze ontwikkelingen op duurzaamheid te toetsen aan de hand van het profiel van vrije ruimte. In bijlage 5 is nader uitgelegd hoe dit p.v.v.r. wordt bepaald als deze niet in de legger is opgenomen.

Voor regionale waterkeringen wordt getoetst aan de legger en het eventueel daarin opgenomen profiel van vrije ruimte. Als geen legger is vastgesteld, wordt getoetst aan het bestaande profiel (beheerprofiel).

4.7. Waterkering volgens toetsing onvoldoende

Het waterschap toetst de primaire waterkeringen eens in de zes jaar.

Als blijkt dat naar aanleiding van de toetsing trajecten van de waterkering worden afgekeurd moet het waterschap maatregelen nemen om de waterkering te laten voldoen aan de gestelde eisen. Als het te maken werk waarvoor watervergunning wordt aangevraagd de dijkversterking zou hinderen of als verwacht kan worden dat uitvoering van de dijkversterking het te maken werk negatief kan beïnvloeden, verleent het waterschap geen watervergunning.

4.8. Beheerprofiel handhaven

Bepaalde trajecten van waterkeringen zijn overgedimensioneerd. Dit wil zeggen dat de waterkering meer dan voldoet aan de huidige eisen. Deze overmaat is niet altijd een blijvende situatie, maar kan op den duur verdwijnen door zettingen, bodemdaling, toenemende belastingen of verandering van het ontwerp door wijziging van de randvoorwaarden. Daarom wordt bij beoordeling van plannen zoveel mogelijk uitgegaan van het bestaande profiel (beheerprofiel).

4.9. Dijksluitingsperiode

Ter bescherming van de waterkering is een dijksluitingsperiode bepaald waarin uitvoering van werkzaamheden in en nabij waterkeringen niet of beperkt wordt toegestaan. De dijksluitingsperiode geldt van 15 oktober tot 1 april. Buiten deze periode geldt er ook een dijksluiting tijdens hoogwaterperiodes.

De dijksluitingsperiode geldt voor de primaire en voor de regionale waterkeringen met uitzondering van het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek)

4.10. Vervangende waterkering

Een vervangende waterkering komt in plaats van traditionele grondwaterkeringen of onderdelen daarvan. Een vervangende waterkering is in verhouding duurder, en moeilijker aan te passen in een toekomstige situatie. Daarom wordt deze slechts in uitzonderlijke situaties toegestaan. Bijvoorbeeld als meerdere (publieke) belangen en/of omstandigheden zich verzetten tegen een traditionele waterkering nu en/of in de toekomst.

  • a.

    Constructies die worden gebruikt als vervangende waterkering dienen onderdeel uit te maken van de waterkering en als functioneel element gescheiden te worden van andere niet-waterkerende functies (zie ook punt functiescheiding).

  • b.

    Het beheer en onderhoud van deze constructies moet geregeld worden volgens de richtlijn 'Beheer en Onderhoud van constructies' door het college van dijkgraaf en heemraden vastgesteld op 3-2-2006.

  • c.

    Het ontwerp van deze vervangende waterkering moet gebaseerd zijn op de relevante beschikbare leidraden en richtlijnen voor waterkerende constructies.

  • d.

    Om voor zowel de primaire waterkeringen als de regionale waterkeringen de waterkerende functie te waarborgen, zal het waterschap eisen dat hij privaatrechtelijk eigenaar wordt of op een andere wijze zeggenschap krijgt over de vervangende waterkering.

4.11. LNC-waarden

Het waterschap heeft in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in sterke waterkeringen, maar ook in mooie waterkeringen. Bij elke dijkversterking is veel aandacht uitgegaan naar landschap-, natuur- en cultuurwaarden (LNC-waarden). Daarom is het belangrijk om deze waarden blijvend te beschermen. Ontwikkelingen op en nabij de waterkering worden getoetst aan de LNC-visie van het waterschap. Zolang er geen LNC-visie is opgesteld zal de ontwikkeling getoetst worden aan de landschapsplannen die bij de dijkversterking zijn opgesteld. Het waterschap zal in overleg met andere overheden trachten de LNC-waarden zoveel mogelijk te beschermen.

5 De beleidsregels

 

5.1 Werkzaamheden in watergangen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten.

Verklaring van een aantal begrippen

Onder werkzaamheden worden in dit geval activiteiten verstaan waardoor waterstaatswerken en hun beschermingszones veranderd worden. Ook activiteiten die geen verandering beogen, maar waardoor er toch veranderingen in de waterstaatswerken of hun beschermingszones optreedt, vallen onder dit begrip.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel geldt voor alle watergangen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland die in de legger zijn vastgelegd.

Raakvlakken met ander beleid

Deze beleidsregel heeft raakvlakken met alle overige beleidsregels met betrekking tot werkzaamheden die op de één of andere manier van invloed (kunnen) zijn op de staat van de waterstaatswerken.

Daarnaast gelden er algemene regels voor werkzaamheden die regelmatig worden uitgevoerd en die weinig invloed hebben op de waterhuishouding. Voor het dempen van en compenseren in C-watergangen is er een Algemene Regel (zie bijlage 1 nr. 3).

Doel van het beleid

Beschermen van de functie van watergangen

Deze beleidsregel wil de functie van watergangen beschermen. Het gaat er daarbij om dat de water aan- en afvoer, de waterberging en het profiel van de watergangen minstens hetzelfde blijven. Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig onderhoud en inspecties van watergangen uit te kunnen voeren.

Beschermen van het watersysteem

Grond is kostbaar. Daarom is er een neiging deze maximaal te benutten. Dat gaat vaak ten koste van de ruimte die beschikbaar moet zijn voor watergangen. Door demping of versmalling van watergangen neemt deze ruimte af. In principe hebben alle wijzigingen van het profiel van een watergang invloed op de berging en op de aan- en afvoer van water in een gebied. Dit geldt ook voor watergangen die onder normale omstandigheden droogvallen.

Ook werkzaamheden die niet direct het profiel van de watergang veranderen, kunnen toch van invloed zijn op het profiel. Bijvoorbeeld omdat taluds onstabiel worden en inzakken.

Aan dergelijke werkzaamheden kan worden meegewerkt als het watersysteem als geheel niet verandert. Dit betekent dus dat in principe aan- en afvoer- en bergingscapaciteit minstens gelijk moet blijven.

Als de berging als gevolg van de werkzaamheden minder wordt, moet hiervoor worden gecompenseerd. Dat betekent dat binnen hetzelfde peilvak, zo dicht mogelijk bij de ingreep, eenzelfde hoeveelheid waterberging gegraven moet worden.

Onder waterberging wordt verstaan de hoeveelheid water (in m3) die in de watergang verzameld kan worden boven het zomer(boezem) peil.

Het waterschap wil zoveel mogelijk A-watergangen in eigendom hebben. Dit om zeker te weten dat het onderhoud van deze belangrijke watergangen goed uitgevoerd wordt. In slecht onderhouden watergangen is een goede aan- en afvoer van water niet gegarandeerd.

Het waterschap moedigt het graven van waterbergende oevers aan. Waterbergende oevers hebben namelijk twee voordelen:

- voor verbreding van de watergang hoeft niet zo diep ontgraven te worden. Er hoeft dan dus minder grond afgevoerd te worden;

- bij dempen van watergangen gaat natuur verloren. De aanleg van natuurvriendelijke oevers compenseert dit verlies.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.

1. De aanvrager moet bij de aanvraag om watervergunning aangeven op welke manier en op welke plek de vermindering van het bergend vermogen van de watergang zal worden gecompenseerd.

2. Compensatie kan gemaakt worden door:

- het graven van een nieuwe watergang;

- het verbreden van een bestaande watergang.

3. De compensatie moet vooraf en bij voorkeur gebeuren in een B-watergang.

4. Alleen als er een C-watergang wordt gedempt, mag er worden gecompenseerd door het verbreden van een C-watergang. Hiervoor geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nummer 3).

5. Als de te verbreden watergang machinaal vanaf één kant moet worden onderhouden, mag de bovenbreedte van de watergang na de verbreding niet breder worden dan 8 meter.

6. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor de compensatie. De compensatie moet in eerste instantie gebeuren op het eigendom van de aanvrager.

7. Het is niet toegestaan vernauwingen in het profiel van de watergang te maken. Dit geldt tijdens de werkzaamheden en ook daarna.

5.2 Werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne en de boezemgebieden van het Merwedekanaal, de Zouweboezem/Oude Zederik

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder worden ook werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne verstaan.

Verklaring van een aantal begrippen

Deze beleidsregel geldt voor alle werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne die:

tot gevolg hebben dat permanent ruimte in beslag wordt genomen, EN waarbij die ruimte op zo'n plek is, dat de waterberging wordt verminderd.Het gaat hierbij meestal om gebouwen of andere bouwwerken. Maar kan ook gaan om opslagterreinen. Op deze terreinen is de opslag meestal wisselend, maar er is gemiddeld wel altijd een bepaalde hoeveelheid materiaal aanwezig. Omdat het winterbed een waterbergende functie heeft, kan er minder water worden geborgen als bebouwing wordt aangebracht. Het verlies aan waterberging dient daarom helemaal te worden gecompenseerd. Bij het aanbrengen van bebouwing (of opslag) wordt bepaald met hoeveel kubieke meter de waterberging afneemt. Deze kubieke meters moeten worden teruggebracht, bijvoorbeeld door het afgraven van een oever.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Voor deze beleidsregel is het winterbed van de Linge en de Korne het gebied tussen de rivier en de dijken en vanaf de stuw Buren en de Julianastuw tot de kanaalsluis in Gorinchem. Als het hard en lang regent of als er om een andere reden veel water afgevoerd moet worden, kan het voorkomen dat de rivieren uit hun oevers treden. Het winterbed zorgt er dan voor dat het teveel aan water tijdelijk kan worden geborgen, totdat de waterstand in de rivier zo ver is gedaald dat het water weer op een normale manier kan worden afgevoerd.Het Merwedekanaal, de Zouweboezem/Oude Zederik en wateren die hiermee en met de Linge in directe verbinding staan, hebben hetzelfde peilregime als de Linge. Daarom geldt ook voor deze boezemgebieden deze beleidsregel.

Raakvlakken met ander beleid

Naast de compensatie van de ingenomen kubieke meters waterberging, moet ook de versnelde afvoer worden gecompenseerd. De regels hiervoor staan in beleidsregel 5.17. Voor werkzaamheden in de boezemgebieden in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, evenals voor werkzaamheden in waterbergingsgebieden, gelden aparte beleidsregels (nr. 5.3 en 5.4).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van het winterbed van de Linge en de Korne, als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om de instandhouding van de belangrijke waterbergende functie van het winterbed van de Linge en de Korne.

Toelichting op de beleidsregel

Waterberging

Het winterbed van de Linge en de Korne heeft een zeer belangrijke waterbergende functie. Als de rivieren buiten hun oevers treden, wordt het water geborgen in het winterbed. Het winterbed is dus een noodvoorziening die zijn functie altijd moet behouden. Op die manier wordt voorkomen dat de rivieren overstromen en daarbij grote schade aanrichten in bewoonde gebieden en aan percelen die op verschillende manieren in gebruik zijn. Bij het maken van bebouwing in het winterbed wordt gerekend met de berging die daadwerkelijk wordt weggenomen. De ingenomen kubieke meters worden bijvoorbeeld binnen een bepaalde hoogte ten opzichte van NAP bepaald, omdat het waterpeil maar tot deze maximale hoogte kan stijgen. Voor werkzaamheden onder het maaiveld is wel een vergunning nodig, maar omdat daarbij geen waterbergingsverlies optreedt, is daarvoor geen compensatie nodig.

Bij nieuwbouw vindt ook een uitbreiding van het verhard oppervlak plaats. Daardoor is er sprake van een versnelde afvoer van hemelwater. Ook hiervoor moet extra waterberging worden gegraven. Na 2050 zal er nog maar weinig ruimte zijn om extra waterberging in het winterbed mogelijk te maken. Daarom moet in het winterbed van de Linge en de Korne voor compensatie van verhard oppervlak 20% meer waterberging gemaakt te worden dan daarbuiten. Dat betekent dat er 476 m3 per hectare verhard oppervlak moet worden gecompenseerd.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria.

1. Er geldt een compensatieplicht voor iedere vorm van ruimtebeslag ten gevolge van activiteiten die in het winterbed, tussen de Lingedijken en vanaf de stuw Buren en de Julianastuw tot de kanaalsluis in Gorinchem, worden uitgevoerd beneden NAP +3,00 meter.

2. Compensatie moet plaats vinden:

- in het winterbed van de Linge tussen NAP +1,00 meter en NAP +3,00 meter, of

- in het winterbed van de Linge, bovenstrooms van de Julianastuw tot aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Dit kan alleen worden gerealiseerd als de compensatie binnen hetzelfde peilniveau plaatsvindt (dus tussen dezelfde peilhoogten als waar het ruimtebeslag wordt ingenomen).

3. Bij het compenseren van ingenomen ruimtebeslag geldt een algemene vrijstelling van de compensatieplicht van 100 m3.

4. Deze vrijstelling is eenmalig. Als er naar het oordeel van het waterschap sprake is van cumulatie van meerdere vormen van nieuwbouw of uitbreidingen die ieder op zich een kleinere inhoud dan 100 m3 omvatten, moet wel aan de compensatieplicht worden voldaan, waarbij dan de vrijstelling van 100 m3 wel op het totaal in mindering mag worden gebracht.

5. De compensatieplicht voor gesloten gebouwen en bouwwerken is 100%. Hierbij wordt gerekend vanaf de bovenkant van het oorspronkelijke maaiveldniveau en voor zover het maaiveld zich tussen NAP + 1,00 en NAP + 3,00 bevindt.

6. Voor (delen van) gebouwen en bouwwerken die onder maaiveldniveau worden aangebracht, geldt géén compensatieplicht. Wel moet de onder het maaiveld weggenomen grond worden afgevoerd naar een locatie die zich buiten het winterbed van de Linge bevindt.

7. Bij vervanging van bestaande gebouwen, bouwwerken of andere boven het maaiveld aanwezige voorzieningen, is de eis voor compensatie alleen van toepassing op dat deel van de vervanging dat groter is dan het oorspronkelijke gebouw, bouwwerk of voorziening. Als een bestaand gebouw van 1.000 m3 bijvoorbeeld wordt vervangen door een nieuw gebouw met een volume van 2.000 m3, geldt een compensatieplicht voor 900 m3.

8. Op deze compensatieplicht is het veroorzakerbeginsel van toepassing. Dit houdt in dat de aanvrager om watervergunning voor voorzieningen die onder deze beleidsregel vallen, zelf verantwoordelijk is voor de compensatie.

5.3 Werkzaamheden in boezemgebieden in Alblasserwaard en Vijfheerenlanden

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder worden ook werkzaamheden in de boezemgebieden van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden verstaan.

Verklaring van een aantal begrippen

Met werkzaamheden in boezemgebieden worden activiteiten bedoeld die verlies van het waterbergende vermogen van de boezemgebieden tot gevolg hebben. Bijvoorbeeld bebouwing of ophoging van het terrein. Vanwege de belangrijke waterbergende functie van boezemgebieden moet het verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden volledig worden gecompenseerd.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden die liggen tussen de boezemkades.

Deze beleidsregel gaat over die plaatsen in het boezemgebied, waar het maaiveld ligt tussen het vastgestelde boezempeil en het vastgestelde maximale peil + 0,25 meter. Het vastgestelde maximale peil is het peil in boezemgebieden, wanneer, door een hogere afvoer van water, een beroep moet worden gedaan op het waterbergend vermogen.

Raakvlakken met ander beleid

Deze beleidsregel komt voor wat betreft de compensatieverplichting overeen met de beleidsregel voor werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne. Ze zijn verschillend op het punt van de versnelde afvoer van hemelwater door de uitbreiding van het verhard oppervlak: in de boezemgebieden hoeft daarvoor niet te worden gecompenseerd.

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van de boezemgebieden als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om instandhouding van de belangrijke waterbergende functie van de boezemgebieden.

De boezemgebieden hebben een zeer belangrijke waterbergende functie. Als de watergangen en riviertjes buiten hun oevers treden, wordt het water geborgen in de boezem. De boezem is dus een noodvoorziening die zijn functie altijd moet behouden. Op die manier wordt voorkomen dat de rivieren en watergangen overstromen en daarbij grote schade aanrichten in bewoonde gebieden en aan percelen die op verschillende manieren in gebruik zijn.

Bij het maken van bebouwing in het boezemgebied wordt rekening gehouden met de berging die daadwerkelijk wordt weggenomen. De ingenomen kubieke meters worden om die reden bepaald binnen het boezempeil en het vastgestelde maximale peil + 0,25 meter.

Voor werkzaamheden onder het maaiveld is ook een vergunning nodig. Omdat daarbij geen waterbergingsverlies optreedt, is daarvoor geen compensatie nodig.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria.

1. Elke afname van de bergingscapaciteit tussen het boezempeil en het vastgestelde maximale peil +0,25 meter, zoals het dempen van watergangen, het wijzigen van het profiel van watergangen, het ophogen van het maaiveld, het plegen van nieuwbouw, uitbreiding van bestaande bouwwerken, of overige werken, moet voor 100% worden gecompenseerd. Compensatie moet plaatsvinden binnen hetzelfde boezemgebied.

2. Voor open constructies, zoals carports, is de compensatieplicht 10%. Ook hier wordt gerekend tussen het boezempeil en het vastgestelde maximale peil +0,25 meter.

3. Bij het compenseren van ingenomen ruimtebeslag geldt een algemene vrijstelling van de compensatieplicht van 5 m3.

5.4 Werkzaamheden in waterbergingsgebieden

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder worden ook werkzaamheden in waterbergingsgebieden verstaan.

Verklaring van een aantal begrippen

Bij werkzaamheden in waterbergingsgebieden gaat het vooral om activiteiten die een verlies aan waterbergingscapaciteit van de waterbergingsgebieden tot gevolg hebben. Daarbij kan gedacht worden aan bebouwing en ophoging van het terrein. Vanwege de belangrijke waterbergende functie van boezemgebieden dient het verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden volledig te worden gecompenseerd.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Waterbergingsgebieden zijn gebieden die periodiek kunnen overstromen, zodat voorkomen kan worden dat elders wateroverlast optreedt

Deze beleidsregel is van toepassing op waterbergingsgebieden die als zodanig op de legger zijn aangegeven. Het winterbed van de Linge en de Korne en de boezemgebieden in de Alblasserwaard zijn ook waterbergingsgebieden, maar vallen niet onder deze beleidsregel.

Raakvlakken met ander beleid

Voor het winterbed van de Linge en de Korne en de boezemgebieden in de Alblasserwaard gelden andere beleidsregels over de compensatieverplichting (nr. 5.2 en 5.3).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterbergingsgebieden, als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om de instandhouding van de belangrijke waterbergende functie van de waterbergingsgebieden.

Toelichting op de beleidsregel

Waterberging

Sommige gebieden zijn planologisch zo vastgelegd, dat ze (grote) hoeveelheden water kunnen bergen. Er wordt daarbij ook ingespeeld op toenemende neerslaghoeveelheden in de toekomst en de daarmee samenhangende verhoogde waterafvoer. Deze extra ruimte kan zowel gevonden worden in nieuwe gebieden die nu nog niet regelmatig inunderen, als in het langer vasthouden van het water in bestaande gebieden die wel regelmatig inunderen.

Binnen de in de legger aangewezen waterbergingsgebieden dient de eigenaar/gerechtigde/gebruiker te gedogen dat die gronden vanuit het oppervlaktewater tijdelijk inunderen en/of dat water tijdelijk op zijn grond wordt vastgehouden.

Waterbergingsgebieden zijn van groot waterhuishoudkundig belang, omdat ze kunnen worden ingezet bij het voorkomen van wateroverlast op andere plaatsen. Voor werkzaamheden in waterbergingsgebieden zijn er dan ook voorschriften die de instandhouding van de volledige waterbergingscapaciteit van de waterbergingsgebieden kunnen waarborgen.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria:

1. Elke afname van het waterbergend vermogen tussen het maaiveld volgens AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) en de bij legger vastgestelde inundatiehoogte moet worden gecompenseerd.

2. Compensatie moet plaatsvinden binnen hetzelfde waterbergingsgebied.

3. Bij ontwikkelingsplannen in een waterbergingsgebied moet in overleg met het waterschap de bouwhoogte, fundering en vloerpeil voor grote gebouwen worden bepaald.

5.5 Het plaatsen van objecten in en langs watergangen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van objecten in en langs watergangen.

Verklaring van een aantal begrippen

Voor de term "objecten" bestaat geen eenduidige omschrijving. Objecten zijn zeer verschillend van aard en worden om zeer verschillende redenen geplaatst.

Onder objecten kunnen bijvoorbeeld (bouw)werken, toestellen, vlonders en beplanting worden verstaan. Voor een aantal veel voorkomende objecten zijn specifieke beleids- en algemene regels opgesteld. Voor alle overige objecten is er deze beleidsregel.

Vanwege de diversiteit aan objecten en de verschillende functies die aan de objecten worden toegewezen, worden watervergunningsaanvragen voor het plaatsen van objecten per geval beoordeeld.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op objecten in alle watergangen en/of in de beschermingszone van A-watergangen, waarbij de beschermingszone volgens de legger een breedte heeft van 4 meter. Een uitzondering hierop vormen de gebieden in de Alm en Biesbosch en de gebieden van Albasserwaard en Vijfheerenlanden, waar volgens de legger een beschermingszone van 5 meter wordt gehanteerd.

Voor B-watergangen geldt dat de tweezijdige beschermingszone van 1 meter te allen tijde vrij dient te blijven van obstakels. Het hebben en plaatsen van objecten binnen deze toch al smalle zone wordt niet toegestaan.

Raakvlakken met ander beleid

Voor een aantal werken, beplantingen en objecten zijn beleidsregels, maar ook algemene regels opgesteld. Gedacht kan worden aan hekwerken, steigers en bomen. Zie bijlage 1 voor een lijst met werken/beplantingen waarvoor algemene regels zijn opgesteld. Wanneer bij het plaatsen van deze werken, beplantingen en objecten niet kan worden voldaan aan de algemene regels of aan de specifieke beleidsregels worden deze werken, beplanting en objecten beschouwd als objecten in deze zin van deze beleidsregel (nr. 5.5).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van objecten gaat het er met name om dat doelmatig onderhoud niet wordt belemmerd en de stabiliteit van de taluds wordt gewaarborgd.

Toelichting op de beleidsregel

Doorstroming, waterberging en waterkwaliteit

Sommige objectenbevinden zich vanuit hun functie in het natte profiel van A-watergangen, waardoor ze van invloed kunnen zijn op de doorstroming en de waterberging. Hoe groter het object, hoe meer de doorstroming van de watergang wordt beïnvloed en hoe meer waterberging er wordt weggenomen. Daarnaast kan het materiaal waaruit het object bestaat of de manier waarop het object wordt geplaatst, van invloed zijn op de waterkwaliteit. Aangezien objecten sterk verschillend kunnen zijn, zal iedere aanvraag hierop apart getoetst worden.

Onderhoud

Objecten die binnen de beschermingszone van A-watergangen worden geplaatst kunnen het doelmatig onderhoud van die watergangen belemmeren. De beschermingszone heeft tot voornaamste doel dat machinaal onderhoud kan plaatsvinden. Daarnaast bestaat de kans dat maaisel en baggerspecie via het talud terug in het water glijdt wanneer er sprake is van een (te) smalle beschermingszone. Objecten binnen de beschermingszone zijn dan ook in principe niet gewenst.

Stabiliteit

Een object kan van invloed zijn op de stabiliteit van het talud van een watergang, als het object te dicht op de insteek van de watergang wordt geplaatst. Het talud zou daardoor kunnen verzakken, waardoor de doorstroming van de watergang verminderd wordt. Daarnaast zou materiaal, afkomstig van het object, in de watergang terecht kunnen komen, wat weer van invloed zou kunnen zijn op de waterkwaliteit.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria:

1. Als een object in de beschermingszone van een A-watergang wordt geplaatst, is machinaal onderhoud vanaf de betreffende oever niet meer mogelijk. In dat geval zou het onderhoud altijd vanaf de overliggende oever plaats moeten vinden. Een watervergunning kan dan alleen worden verleend, als:

- aan die overzijde een goed toegankelijk openbaar eigendom aanwezig is, óf

- aan die overzijde een obstakelvrije onderhoudsstrook ligt die in eigendom bij het waterschap is, óf

- wanneer er aan die zijde een zakelijk recht gevestigd is met de eigenaar van het overliggende perceel.

2. Als een zakelijk recht gevestigd moet worden met de eigenaar van het overliggende perceel, moet de betreffende eigenaar in zo'n zakelijk recht:

- het eenzijdig onderhoud van de watergang vanaf zijn/haar perceel accepteren;

- altijd toegang verlenen tot zijn/haar perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel;

- de algehele ontvangstplicht van zowel maaisel/bagger e.d. afkomstig van het onderhoud van de watergang accepteren.

3. Alle kosten, zoals kosten voor de vastlegging van afspraken, vestiging en een evt. wijziging van een zakelijk recht of extra onderhoudskosten, zijn voor rekening van de aanvrager.

4. Een watergang moet altijd voor onderhoud en inspecties van beide zijden bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder punt 1 en 2 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de ene zone mogelijk, als de watergang vanaf de andere zijde goed kan worden onderhouden.

5. Aan de kant van de watergang waarvoor een watervergunning voor een object is verleend, moet in landelijk gebied dan altijd nog een strook van 1,50 meter vrij blijven. In stedelijk gebied is die strook minimaal 1,00 m. breed. Deze strook is bedoeld o.a. voor inspecties en onderhoud te voet, voor de berging van maaisel (ontvangstplicht), voor de stabiliteit van de taluds en om bijvoorbeeld teveel directe bladval in oppervlaktewater te voorkomen.

6. Een aanvraag voor het plaatsen van objecten binnen de zones van 1,50 meter, respectievelijk 1,00 meter uit de insteek, wordt om deze reden in principe altijd afgewezen.

7. Als objecten worden aangebracht die de belemmeringen onder 1 niet met zich mee brengen, kan een watervergunning verleend worden tot aan de insteek van de watergang. Te denken valt aan (sier)bestrating, vlonders e.d. In verband met belemmering van het onderhoud is anti-worteldoek in de beschermingszone van een A-watergang nooit toegestaan.

8. Of doelmatig onderhoud aan een watergang kan plaatsvinden wordt ook bepaald door de breedte van die watergang. Een watergang met een bovenbreedte tot 8,00 meter kan vanaf één oever worden onderhouden. Bij watergangen met een bovenbreedte van meer dan 8,00 meter is dat niet mogelijk. Dat betekent dat tweezijdig onderhoud bij dergelijke watergangen mogelijk moet zijn. Dit betekent dat in dergelijke gevallen dan ook wordt vastgehouden aan de in de legger vastgestelde beschermingszones aan beide zijden van de watergang.

9. Als een watergang normaliter varend (met een zgn. maaiboot) wordt onderhouden, betekent dit niet dat er geen onderhoudsstrook nodig is. Ook in dat geval moet in principe aan beide zijden zo´n werkstrook beschikbaar zijn. Voor emissieschermen is een uitzondering op deze regel vastgesteld. Zie hiervoor beleidsregel 5.11: "Het plaatsen van een emissiescherm in de boom- en fruitteelt langs een A-watergang".

10. Ook voor stedelijk en met name nieuw stedelijk gebied zullen deze regels niet onverkort worden toegepast. Gezien de schaarsheid van ruimte daar, kan met de legger maatwerk worden gemaakt In overleg met initiatiefnemers als gemeente of projectontwikkelaar kunnen afspraken worden gemaakt over inrichting en onderhoud. Hierbij kunnen keurzones die afspraken bevestigen. Met dit doel is de specifieke beleidsregel nr. 5.15 opgenomen.

11. Om de bereikbaarheid van kunstwerken (zoals stuwen e.d.) te waarborgen, mogen objecten binnen keurzones niet worden geplaatst binnen een straal van 10,00 meter van een stuw en binnen 8,00 m. van overige kunstwerken, gemeten in zowel boven- als benedenstroomse richting.

12. Bij verzoeken om watervergunning voor het plaatsen van objecten langs beduikerde A-watergangen, kan in principe watervergunning worden verleend tot 1,50 meter uit het hart van de duiker aan weerszijden van de watergang. Er is dan géén zakelijk recht aan de overzijde nodig. Binnen deze 1,50 meter wordt géén watervergunning verleend.

5.6 Het plaatsen van dammen met duikers in watergangen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van een dam met duiker in een watergang of het verbinden van watergangen door middel van een dam met duiker.

Verklaring van een aantal begrippen

Een dam met duiker wordt door de Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland beschouwd als een (kunst)werk. Onder een duiker wordt een ronde (en in sommige gevallen rechthoekige) buis verstaan. Een duiker bestaat meestal uit meerdere delen en wordt bij de aanleg van een perceelsontsluiting in de watergang geplaatst om de doorstroming van de watergang zeker te stellen.

Daarnaast worden dammen met duikers ook wel gebruikt om watergangen met elkaar te verbinden.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op dammen met duikers in alle watergangen. Voor dammen met duikers in B- en C-watergangen geldt bovendien een algemene regel.

Raakvlakken met ander beleid

Voor het plaatsen van dammen met duikers in B- en C-watergangen geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nummers 7 en 17)Een andere mogelijkheid om een perceel te ontsluiten is door het plaatsen van een brug. Voor het plaatsen van bruggen over A-watergangen geldt een aparte beleidsregel.(nummer 5.7) Voor het plaatsen van bruggen over B- en C-watergangen geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 8).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van dammen met duikers gaat het er om dat de doorstroming van watergangen is gewaarborgd, dat er zo min mogelijk waterbergingsverlies optreedt en dat doelmatig onderhoud aan de watergang niet wordt belemmerd.

Toelichting op de beleidsregel

Dammen met duikers worden meestal geplaatst om percelen naar de openbare weg te ontsluiten of om twee naast elkaar gelegen percelen te ontsluiten. Bij het toetsen of een dam met duiker noodzakelijk is, en ook bij het toetsen van de gewenste afmetingen, wordt rekening gehouden met verschillende aandachtspunten. Dit zijn: de functie van de dam met duiker, de afmetingen van de watergang, al aanwezige ontsluitingen van het betreffende perceel en of het een ontsluiting van een woon- of een bedrijfsperceel betreft.

Doorstroming en waterberging

Bij het plaatsen van een duiker treedt een vernauwing op van de betreffende watergang, waardoor de doorstroming van de watergang vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het verlenen van een vergunning voor een dam met duiker. Dammen met duikers worden alleen toegestaan als de noodzaak kan worden aangetoond. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker, de plaats van de dam met duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen de watergang zich bevindt te garanderen.

Als het gaat om de doorstroming en de waterberging van een watergang zijn voornamelijk de diameter en de lengte van de duikerbuis van belang. Hoe kleiner de diameter en hoe groter de lengte van de duikerbuis, hoe meer opstuwing en verlies aan waterberging er in de watergang optreedt. Hoe groter dus ook het negatieve effect op de waterhuishouding is.

Afhankelijk van de functie en de afmetingen van de watergang worden er minimale eisen gesteld aan de afmetingen van de dam met duiker.

Daarnaast is ook de functie van de duiker bepalend voor de maximale buislengte. Voor dammen met duikers die gebruikt worden als ontsluiting van percelen gelden standaard maximale duikerlengtes. De maximaal toegestane afmetingen van infrastructurele duikers (duikers die onder wegen doorlopen om oppervlaktewateren aan weerszijden van die wegen te verbinden) worden per geval bepaald.

Onderhoud

De locatie van een dam met duiker is van belang voor doelmatig onderhoud aan een watergang. Om goed onderhoud te kunnen plegen is het van belang dat de watergang goed bereikbaar is voor (machinaal) onderhoud. De dam met duiker mag daarom niet te dicht op andere (kunst)werken worden geplaatst.

Ecologische functie en waterkwaliteit

Dammen met duikers kunnen een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit en ook op de ecologische functie van de betreffende watergang. In sommige gevallen kunnen in een watervergunning daarom extra voorschriften worden opgenomen om de waterkwaliteit en de ecologische functie te waarborgen. Dit gebeurt met name bij relatief lange (infrastructurele) duikers en duikers in ecologische verbindingszones.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Voor het plaatsen van dammen met duikers in B- en C-watergangen gelden algemene regels (zie bijlage 1, de nrs. 7 en 17). Als kan worden voldaan aan de algemene regel is geen watervergunning van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 nodig. Voor dammen met duikers die niet aan de algemene regel voldoen gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.

1. Watervergunningen voor dammen met duikers worden alleen verleend indien het om een de ontsluiting van een perceel gaat dat niet op een andere manier is of kan worden ontsloten. Per perceel wordt in principe één dam met duiker toegestaan, meer dammen met duikers worden niet toegestaan, tenzij door de aanvrager wordt aangetoond dat dit redelijkerwijs noodzakelijk is.

2. Aan aanvragen om beduikering van een watergang wordt niet meegewerkt als het gaat om andere functies dan een perceelsontsluiting, zoals parkeren of tuinvergroting.

3. Om de negatieve effecten van dammen met duikers op de waterhuishouding zoveel mogelijk te beperken wordt alleen aan aanvragen meegewerkt als de aanvrager de noodzaak van de dam met duiker aantoont.

4. In zowel landelijk als stedelijk gebied, geldt dat de minimale doorsnede van een duiker in een A- watergang 800 mm moet zijn. In stedelijk gebied geldt dat de minimale doorsnede van een duiker in een B- watergang 800 mm en in het landelijk gebied 500 mm moet zijn. Voor C-watergangen geldt een minimale doorsnede van 500 mm.

5. Bij alle A-watergangen breder dan 4,00 meter (op zomerpeilniveau) is minstens een duiker met een doorsnede van 1.000 mm vereist. Dit in verband met het tegengaan van extreme vernauwingen ('flessenhalzen") en onderhoudsproblemen (o.a. verstoppingen door drijfvuil).

6. Het onderhoud aan een watergang mag niet worden beperkt door de dam met duiker. Watergangen die met maaiboten worden onderhouden, moeten daarom voorzien worden van vaarduikers. Vaarduikers moeten voldoen aan de volgende eisen:

-  vaarduikers moeten over de gehele doorvaarthoogte (1,00 meter boven waterpeil) een minimale breedte van 2,00 meter hebben;

- alle vaarduikers moeten een waterdiepte van minimaal 1,00 meter hebben;

- alle vaarduikers moeten een doorvaarthoogte van minimaal 1,00 meter ten opzichte van zomerpeil of boezempeil hebben.

7. De vrije doorstroming (ruimte in de duiker boven het waterpeil) in A-watergangen moet bij zomerpeil of boezempeil 1/3 deel van de duikerdiameter zijn, met een minimum van 200 mm.

Voor B-watergangen en C-watergangen geldt dat dit bij winterpeil 1/5 van de duikerdiameter moet zijn, met een minimum van 200 mm.

8. Voor particuliere voorzieningen geldt bovendien dat als een dam met duikers bedoeld is om toegang te verlenen tot een huiskavel, de totale duikerlengte maximaal 10,00 meter mag zijn.

9. Voor bedrijfsmatige doeleinden geldt een maximaal toegestane duikerlengte van 18,00 meter. Bij dergelijke lengtes kan een grotere diameter worden voorgeschreven. Als de aanvrager redelijkerwijs aantoont dat een grotere lengte nodig is, kan van deze maat worden afgeweken als de aanvrager in overleg met het waterschap een overdimensionering van de duiker zal toepassen.

10. Als de aanvrager dit wil, kan hij keermuren toepassen om zo een maximale bovenbreedte van de ontsluiting te realiseren. Hiervoor zullen voorschriften worden opgenomen in de watervergunning.

11. Voor alle infrastructurele, particuliere en bedrijfsmatige voorzieningen moet de noodzaak van de benodigde duikerlengte worden gemotiveerd. Voor méér dan de noodzakelijke duikerlengte voor perceelsontsluiting dan wel kruisingen van infrastructurele voorzieningen, zal geen watervergunning worden verleend.

12. Voor infrastructurele werken geldt dat voor het totaal uit te voeren werk bij het ontwerp bergingscompensatie wordt geëist. Ook moeten specifieke ontwerpeisen overeen worden gekomen. Er geldt geen compensatieplicht voor andere dammen met duikers.

13. Bij duikers langer dan 30,00 meter moeten, minimaal om de 30,00 meter, inspectieputten worden aangebracht. Een uitzondering hierop zijn zogenaamde vaarduikers in watergangen die varend worden onderhouden.

14. Duikers met een bocht of een knik dienen ter hoogte van de knik c.q. bocht eveneens een inspectieput te hebben.

15. Als een put wordt toegepast, moet deze voldoen aan de minimale afmetingen volgens de geldende ARBO-regels.

16. Toe te passen materiaal voor duikers is in principe beton. Ander materiaal wordt ook toegelaten, als de aanvrager de gelijkwaardigheid met beton (ter zake van levensduur, opstuwing en drukvastheid) aantoont.

17. De minimale afstand tussen een te plaatsen dam met duiker en een ander object in de watergang moet 8,00 meter bedragen.

18. Binnen 20,00 meter benedenstrooms van een stuw mogen geen dammen met duikers worden geplaatst.

19. Duikers die haaks op een watergang uitkomen, moeten met het talud mee afgeschuind worden. Hierbij mag als laatste element geen (inge)korte duikerbuis worden gebruikt. Dit in verband met kans op verzakking van dit laatste element.

20. De opstuwing die een dam met duiker mag veroorzaken mag maximaal 5 mm bij maatgevende afvoer (1,5 l/s/ha) zijn. Dezelfde maximale opstuwing van 5 mm geldt als criterium voor wateraanvoer (0,3 l/s/ha). Als er sprake is van kwel, dan moet de maatgevende afvoer verhoogd worden met de kwelafvoer. Of getoetst wordt aan aanvoerdebiet of kweldebiet (ter verduidelijking: dat is het aantal kubieke meters water dat een bepaald punt per tijdseenheid passeert) is afhankelijk van de locatie van de te plaatsen duiker in het gebied.

21. Als een duiker in een gebied ligt dat is ingericht voor nachtvorstbestrijding, moet de diameter van de duiker worden aangepast op het aanvoerdebiet voor nachtvorstbestrijding.

22. Door het verlenen van een watervergunning voor het plaatsen van een dam met duiker mogen niet alle reserves gebruikt worden. Met andere woorden: de eerste aanvrager mag niet beperkend worden voor de volgende aanvragers. Per watergang wordt aan de hand van de hydrologische berekeningen van de bemalinggebieden de maximale extra toelaatbare opstuwing bepaald, rekening houdend met boven  en benedenstrooms gelegen gebieden.

5.7 Het plaatsen van bruggen over A-watergangen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van bruggen over watergangen.

Verklaring van een aantal begrippen

Een brug wordt meestal geplaatst om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen over watergangen te verbinden. Een brug kan uit verschillende materialen bestaan.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op bruggen die over A-watergangen worden geplaatst. Aangezien bruggen minder waterberging weg nemen en niet tot weinig van invloed zijn op de doorstroming van een watergang, hebben bruggen de voorkeur boven dammen met duikers

Raakvlakken met ander beleid

Voor het plaatsen van bruggen over B- en C-watergangen geldt een algemene regel.(zie bijlage 1, nummer 8)

Soms worden de brughoofden van een bepaald soort bruggen in de kernzone geplaatst. Daardoor krijgen ze meer het karakter van een (WACO-)duiker. Dergelijke 'bruggen' worden dan ook als duikers getoetst aan beleidsregel 5.6: "Het plaatsen van dammen met duikers in A- watergangen die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland".

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van bruggen over A-watergangen gaat het er voornamelijk om dat de brug het doelmatig onderhoud aan de watergang niet belemmert en dat de stabiliteit van de taluds wordt gewaarborgd.

Toelichting op de beleidsregel

Doorstroming, waterberging en waterkwaliteit

Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in het natte profiel van de watergang, heeft de brug vrijwel geen effect op de doorstroming van de watergang. Bij lange bruggen worden wel vaak pijlers gebruikt. Daardoor kan de doorstroming enigszins worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van vuil wanneer de ondersteuningspunten/pijlers te dicht op elkaar zijn geplaatst. Het materiaal waaruit de brug bestaat kan van invloed zijn op de waterkwaliteit. Er kunnen daarom eisen gesteld worden aan het gebruikte materiaal.

Onderhoud

Bij een brug over een A-watergang is het belangrijk dat de brug het doelmatig onderhoud aan de watergang niet belemmert. Er worden daarom eisen gesteld aan de hoogte van de brug ten opzichte van het zomerpeil en de afstand tussen eventuele pijlers. Daarnaast is het ook belangrijk hoever de brug afligt van een ander (kunst)werk. Wanneer een brug bijvoorbeeld te dicht op een andere brug of een dam met duiker is geplaatst zou dat kunnen betekenen dat doelmatig onderhoud met behulp van machines moeilijk wordt.

Stabiliteit

Bij het plaatsen van bruggen moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds/oevers. Bruggen kunnen een aanzienlijk gewicht hebben en als er geen sprake is van een goede ondersteuning, zou dat kunnen leiden tot het verzakken van de oevers. Er worden daarom eisen gesteld aan de positie van de brug ten opzichte van de watergang.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Voor het plaatsen van bruggen over B- en C-watergangen gelden algemene regels (zie bijlage 1, nummer 8). Als wordt voldaan aan de algemene regel is geen watervergunning op basis van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 nodig.

Voor bruggen die niet aan de algemene regel voldoen gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.

1. Voor watergangen met een bovenbreedte tot 7,00 meter geldt dat bruggen met pijlers niet zijn toegestaan.

2. Voor watergangen met een bovenbreedte van meer dan 7,00 meter geldt dat eventueel toegepaste pijlers minstens een onderlinge afstand van 2,25 meter moeten hebben.

3. Om onnodige opstuwing te voorkomen, moeten de pijlers rond van vorm zijn.

4. De brughoofden mogen de stabiliteit van de oevers niet aantasten.

5. Aan bruggen in vaarwegen kunnen aanvullende voorschriften verbonden worden ten aanzien van de doorvaart en de afwatering van het wegdek.

5.8 Het plaatsen van steigers

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van steigers.

Verklaring van een aantal begrippen

Onder een steiger wordt een (houten) constructie verstaan die gedeeltelijk over een watergang is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel. Een steiger wordt (meestal) voor recreatieve doeleinden geplaatst, bijvoorbeeld om vis- of vaarwater goed te kunnen bereiken.

In de praktijk blijkt dat er nogal eens verwarring bestaat over het onderscheid tussen een steiger en een drijvende vlonder of ponton die met peilfluctuaties meebewegen. Drijvende vlonders en/of pontons in de beschermingszones van A-watergangen belemmeren het doelmatig onderhoud, zorgen voor opstuwing en zijn ecologisch ongewenst. Voor drijvende vlonders en pontons wordt dan ook geen watervergunning verleend. Overkragende vlonders, dus vlonders die vanaf het aangrenzende perceel zwevend over de watergang steken, worden aangemerkt als steiger. Niet-overkragende vlonders op het maaiveld in de beschermingszone vallen onder objecten (beleidsregel.nummer 5.5 Het plaatsen van objecten in en langs watergangen).

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op steigers en vlonders die geplaatst worden in watergangen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Voor het plaatsen van kleine steigers is een algemene regel opgesteld. (zie bijlage 1 nummer 19) Wanneer niet aan de voorwaarden van de algemene regel kan worden voldaan, wordt aan deze beleidsregel getoetst. Op boenstoepen in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden is beleidsregel 5.9 van toepassing.

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van steigers gaat het er met name om dat de doorstroming van watergangen niet wordt belemmerd. Ook het doelmatig onderhoud aan een watergang kan worden belemmerd door de aanwezigheid van een steiger. Daarnaast kan een steiger invloed hebben op de ecologische kwaliteit van een watergang.

Toelichting op de beleidsregel

Doorstroming

De aanwezigheid van steigers in een watergang, heeft een negatief effect op de doorstroming van de watergang. De aanwezigheid van palen in het natte profiel zou ook kunnen zorgen voor een ophoping van drijfvuil, waardoor de doorstroming verder wordt beïnvloed en opstuwing van water het gevolg kan zijn. In vaarwegen is het daarnaast van belang dat er voldoende ruimte overblijft voor vaarverkeer. Voorkomen moet worden dat steigers zo groot worden dat het vaarkeer wordt gehinderd.

Onderhoud

Door de aanwezigheid van een steiger in een watergang kan het doelmatig onderhoud aan die watergang worden belemmerd. Het talud direct onder de steiger kan namelijk niet worden bereikt. Daarnaast worden steigers vaak doorgetrokken tot op het achterliggende perceel. Wanneer een constructie wordt aangebracht binnen de beschermingszone van een A-watergang, zou dat het onderhoud met zwaar materieel kunnen belemmeren. In watergangen die varend worden onderhouden moet voorkomen worden dat de watergangen te smal worden voor maaiboten.

Steigers worden dan ook alleen toegestaan in watergangen die hiervoor voldoende ruimte bieden.

Ecologie

Wanneer constructies zoals steigers over watergangen worden geplaatst, kan dat een negatief effect hebben op de ecologische gesteldheid van de watergangen. Onder de steiger kan bijvoorbeeld geen zonlicht schijnen. Daarom worden er maximale afmetingen van de steiger voorgeschreven.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. De watergang moet een minimale bovenbreedte van 7,00 meter hebben en aansluiten op eigendom of bezit van de aanvrager;

2. De steiger mag een in de Keur aangewezen vaarweg niet versmallen tot minder dan 12,00 m (i.v.m. het elkaar kunnen passeren van vaartuigen);

3. De steiger mag niet haaks op de vaarweg worden aangelegd;

4. Uit ecologisch oogpunt (lichtinval) mag de steiger maximaal 1,00 m uit de insteek reiken.

5. De steiger moet minimaal 1,50 meter uit de perceelgrens die haaks op de watergang staat, blijven. Per perceel is er dus minimaal 3,00 meter oever zonder steiger. Hiermee wordt voorkomen dat derdenbelangen worden geraakt, blijft het in- en uitgaan van waterdieren mogelijk en is de bereikbaarheid voor inspectie en onderhoud geborgd.

6. De steiger mag maximaal 35% van de breedte van het perceel beslaan. Als dit leidt tot een steiger kleiner dan 6,00 m, dan is verlenging van de steiger toegestaan tot maximaal 6,00 m. Hierbij moet de afstand van 2 x 1,50 meter uit de perceelsgrens in stand blijven.

7. De steiger mag maximaal 12,00 m lang zijn. Een vaartuig heeft dan voldoende ruimte om af te meren en uit ecologisch belang is een groter ruimtebeslag ongewenst.

8. De onder de steiger te plaatsen palen moet rond van vorm zijn.

9. De onderzijde van de steiger moet minimaal 30 cm boven zomerpeil of boezempeil liggen. Voor de watergangen in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden is dit 20 cm.

10. Voor steigers die als collectieve voorziening worden gewenst (bijv. vissteiger) geldt dat de aanvrager een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar van de oever moet overleggen.

5.9 Het aanleggen en hebben van boenstoepen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van boenstoepen.

Verklaring van een aantal begrippen

In het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden werd pas begin van de vorige eeuw waterleiding aangelegd. Voor water voor de vaat, was en dieren werd water uit de sloot getapt. Het gebruik van het toen nog schone slootwater was noodzakelijk en gebruikelijk in dit gebied. Voor dit doel waren in de kernzone van de watergang zogenoemde boenstoepen aangelegd. Later gebruikten de boeren deze boenstoepen om hun melkbussen erop te zetten.

Bij veel boerderijen in de Alblasserwaard werden sommige boenstoepen bovendien "overdekt".

De boenstoep ligt in de kernzone van een watergang. Tussen de boenstoep en het eigendom van de aanwonende ligt veelal een weg en een berm. In die zin voldoet de boenstoep niet aan de criteria die gelden voor steigers (een direct belang voor aangrenzende eigenaren). Echter vanwege het cultuurhistorische belang van deze boenstoepen, acht het waterschap het gewenst een beleidsregel op te stellen die het mogelijk moet maken om toch watervergunning te verlenen voor het aanleggen en hebben van een boenstoep in het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op díe watergangen in het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, waar van oudsher boenstoepen aanwezig zijn.

Raakvlakken met ander beleid

Aanvragen voor het plaatsen van gelijksoortige constructies buiten het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden worden getoetst aan de beleidsregel voor steigers (5.8) en/of objecten (5.5).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van boenstoepen gaat het er vooral om dat de doorstroming van watergangen niet wordt gehinderd. Ook het doelmatig onderhoud aan een watergang kan worden belemmerd door de aanwezigheid van een boenstoep. Daarnaast kan een boenstoep invloed hebben op de ecologische kwaliteit van een watergang.

Toelichting op de beleidsregel

Doorstroming

De aanwezigheid van boenstoepen in een watergang kan een negatief effect hebben op de doorstroming van de watergang. De aanwezigheid van het werk in het profiel zou ook kunnen zorgen voor een ophoping van drijfvuil, waardoor de doorstroming verder wordt beïnvloed en opstuwing van water het gevolg kan zijn.

Onderhoud

Door de aanwezigheid van een boenstoep in een watergang kan het doelmatig onderhoud aan die watergang worden belemmerd. Het talud direct onder de boenstoep kan namelijk niet worden bereikt.

Ecologie

Wanneer constructies zoals boenstoepen over watergangen worden geplaatst, kan dat een negatief effect hebben op de ecologische gesteldheid van de watergangen. Onder de boenstoep kan bijvoorbeeld geen zonlicht schijnen. Daarom worden er maximale afmetingen van de boenstoep voorgeschreven.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. De aanleg van boenstoepen is alleen toegestaan in watergangen in het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, daar waar deze van oudsher aanwezig zijn;

2. Een watervergunning voor een boenstoep wordt uitsluitend verleend aan aanvragers die rechthebbende zijn t.a.v. een woning, die in de directe nabijheid is gelegen van de beoogde locatie van de boenstoep;

3. Boenstoepen mogen maximaal 1,50 meter breed en 0,70 meter diep zijn;

4. De aanvrager moet een gebruiksovereenkomst sluiten met de eigenaar van de grond waarin de boenstoep zich bevindt.

5.10 Het kruisen van A- en B-watergangen met kabels en leidingen en het aanbrengen van kabels en leidingen binnen de beschermingszone van A-watergangen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het kruisen van watergangen met kabels en leidingen en het leggen van kabels en leidingen binnen de beschermingszone van watergangen.

Verklaring van een aantal begrippen

Kabels en leidingen worden meestal aangelegd voor de uitbreiding van gas-, elektriciteits-, water- en/of telecommunicatienetwerken. Omdat deze kabels en leidingen voor iedereen belangrijk zijn, wordt er voor deze werken in principe altijd een watervergunning verleend.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op kabels en leidingen die A- en B-watergangen kruisen en op het leggen van kabels en leidingen binnen de beschermingszone van A-watergangen.

Omdat de beschermingszones langs B-watergangen doorgaans volgens de legger een breedte hebben van 1 m. worden alle soorten werkzaamheden binnen de beschermingszone van B-watergangen in principe altijd geweigerd. Dit geldt dus ook voor kabel-/leidingwerkzaamheden.

Raakvlakken met ander beleid

Voor het kruisen van C-watergangen met kabels en leidingen is er een Algemene Regel (Zie bijlage 1, nr.5). Voor het kruisen van waterkeringen met kabels en leidingen geldt een aparte beleidsregel (nr. 5.28).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van kabels en leidingen gaat het er om dat de doorstroming van een watergang niet negatief wordt beïnvloed en dat de stabiliteit van de oevers wordt gewaarborgd.

Toelichting op de beleidsregel

Stabiliteit van de oever

Bij het leggen van kabels en leidingen wordt gebruik gemaakt van open ontgravingen en/of boringen. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van een watergang plaatsvinden, kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever. Wanneer een leiding eenmaal is ingegraven zou het voor kunnen komen dat deze beschadigd raakt. In het geval van een gas- of waterleiding zou dat tot gevolg kunnen hebben dat de stabiliteit van een oever wordt aangetast, bijvoorbeeld door uitspoeling of explosiegevaar. Er worden daarom eisen gesteld aan de afmetingen van een ontgraving (maximale breedte en diepte van de geul) en aan de afstand van de uit voeren werkzaamheden ten opzicht van de insteek van de watergang.

DoorstromingDe doorstroming van watergangen mag niet worden gehinderd. Daarom mogen kabels en leidingen niet door het profiel van de watergang lopen. Er zijn voorschriften met betrekking tot de diepte waarop kabels en leidingen moeten worden aangebracht ten opzichte van het leggerprofiel.

Onderhoud

Kabel- en leidingwerkzaamheden hebben tijdens de uitvoering weinig effect op de doelmatigheid van het onderhoud. Aan het profiel van de watergang en de beschermingszones verandert immers niets.

Wat met betrekking tot het onderhoud wel van belang is, is dat kabels en leidingen niet beschadigd mogen worden als er onderhoudswerkzaamheden aan de watergang worden uitgevoerd. Ook daarom zijn er voorschriften over de diepte waarop kabels en leidingen worden aangebracht.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.

1. Kabels en leidingen die parallel aan watergangen zullen worden aangelegd, moeten minstens 1 meter uit de insteek liggen Dit om de stabiliteit van bestaande taluds niet aan te tasten.

2. Bij gestuurde boringen en bij open ontgravingen moeten kabels en leidingen minimaal één meter onder het leggerprofiel worden aangelegd.

3. Bij het kruisen van watergangen op de plaats waar ook een dam met duiker ligt, moeten kabels en leidingen ook 1 meter onder het leggerprofiel worden gelegd, tenzij:

- de duiker al bovenlangs door bestaande kabels en leidingen wordt gekruist én

- er sprake is van een dam met duiker die aan de huidige waterhuishoudkundige eisen voldoet;

- de duiker een zogenaamde infrastructurele duiker betreft.

4. Bij het maken van gestuurde boringen moet worden voldaan aan de richtlijnen volgens NEN 3650 en 3651.

5. Voor boringen onder watergangen die zijn aangewezen als vaarweg, is een minimale dekking van twee meter onder het leggerprofiel een eis.

6. In het veenweidegebied van de gemeenten Culemborg, Geldermalsen en Gorinchem en het gehele gebied van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden mogen kabels en/of leidingen die een watergang kruisen, uitsluitend worden uitgevoerd door middel van een gestuurde boring.

7. In overige delen van het beheersgebied heeft een gestuurde boring de voorkeur. De aanvrager zal de noodzaak van een open ontgraving moeten onderbouwen.

5.11 Het plaatsen van een emissiescherm in de boom- en fruitteelt langs een A-watergang

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van een emissiescherm in de beschermingszone van A watergangen.

Verklaring van een aantal begrippen

Een emissiescherm is een rij bomen, een haag of een andere voorziening, die tot doel heeft de drift van bestrijdingsmiddelen naar oppervlaktewater te beperken. Een emissiescherm is pas een emissiescherm als het wordt toegepast in de agrarische sector en alleen wanneer het tot doel heeft de emissie van bestrijdingsmiddelen naar oppervlaktewater te verminderen.

Een haag langs een A-watergang die grenst aan een particuliere tuin is geen emissiescherm en dus geldt daar een andere beleidsregel voor (5.5, Objecten).

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op emissieschermen die worden geplaatst in de beschermingszone van A-watergangen.

Raakvlakken met ander beleid

Een emissiescherm wordt meestal verplicht geplaatst in het kader van het "Lozingenbesluit open teelt en veehouderij", waarin wordt gestreefd naar het reduceren van emissies naar het oppervlaktewater. Vanwege de noodzaak van een emissiescherm wordt met het verlenen van een watervergunning voor een emissiescherm vrij soepel omgegaan, mits aan de hieronder beschreven voorschriften kan worden voldaan.

Beplantingen die niet tot doel hebben de emissie van bestrijdingsmiddelen tegen te gaan, maar die wel in de beschermingszone van A-watergangen worden geplaatst, worden getoetst aan beleidsregel nr. 5.5 (Objecten).

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het watersysteem. Bij het plaatsen van een emissiescherm is het in dat kader van belang dat de stabiliteit van de oever niet wordt aangetast en dat doelmatig onderhoud van de betreffende watergang niet wordt belemmerd.

Toelichting op de beleidsregel

Stabiliteit

Als beplanting te dicht op de insteek van een watergang wordt geplaatst, kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever. Daarom worden dan ook eisen gesteld aan de minimale afstand van het emissiescherm ten opzichte van de insteek van de betreffende watergang.

Onderhoud

A-watergangen hebben aan beide kanten een beschermingszone van 4,00 of 5,00 meter, gemeten vanuit de insteek. Die beschermingszone is nodig om doelmatig onderhoud met groot materieel te kunnen waarborgen. Het plaatsen van een emissiescherm binnen de beschermingszone zou het doelmatig onderhoud kunnen belemmeren. Emissieschermen zijn dan ook alleen toegestaan als kan worden voldaan aan de hieronder genoemde toetsingscriteria.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. Als een emissiescherm langs een A-watergang wordt geplaatst, is machinaal onderhoud vanaf de betreffende oever niet meer mogelijk. Een watervergunning kan dan alleen worden verleend als:

- aan die overzijde een goed toegankelijk openbaar eigendom aanwezig is, óf

- aan die overzijde een obstakelvrije onderhoudsstrook ligt die in eigendom bij het waterschap is, óf

- wanneer er aan die zijde een overeenkomst gesloten is tussen de aanvrager om watervergunning en de eigenaar of pachter van het overliggende perceel.

2. Als een overeenkomst gesloten moet worden, moet de overliggende pachter of eigenaar :

- met het eenzijdig onderhoud van de watergang vanaf zijn/haar perceel instemmen;

- toegang verlenen voor het uitvoeren van eventueel grootschalig onderhoud vanaf zijn/haar perceel en altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan materieel en personen die in opdracht van het waterschap werken;

- de algehele ontvangstplicht van zowel maaisel alsook bagger e.d. afkomstig van het regulier onderhoud van de watergang te aanvaarden. Een en ander wordt vastgelegd in de "modelovereenkomst emissieschermen".

3. In het geval van zogenaamde 'aangewezen vaarsloten' (watergangen die varend worden onderhouden), kan worden afgeweken van punt 2. Langs deze, over het algemeen bredere watergangen, kan aan beide kanten een watervergunning worden verleend voor het plaatsen van een emissiescherm.

4. De open ruimte tussen het emissiescherm en de door het waterschap aangegeven insteek van de A watergang moet altijd minstens 1,50 meter zijn;

5. De strook tussen het emissiescherm en de insteek van de watergang moet door de watervergunninghouder worden onderhouden. Eventueel overhangende takken en dergelijke moeten worden verwijderd en opgeruimd;

6. Alle kosten komen ten laste van de aanvrager (vastlegging afspraken/extra onderhoudskosten en kosten van derden);

7. Op aanwijzing van de rayonopzichter moet de hoogte van het emissiescherm worden teruggesnoeid voor het uitvoeren van groot onderhoud. Afhankelijk van de wens van de aanvrager, kan dit op twee verschillende hoogtes:

- het emissiescherm wordt teruggesnoeid naar een hoogte van 1,50 meter. Er moet dan wel altijd een beschermingszone van 4,00 meter achter het emissiescherm vrij blijven van obstakels, zodat met een kraan achter het emissiescherm kan worden gereden. In het gebied van Alm en Biesbosch moet de beschermingszone 5,00 meter zijn;

- het emissiescherm wordt teruggesnoeid naar een hoogte van 0,25 meter, zodat met een kraan over het emissiescherm kan worden gereden zonder deze te beschadigen. De obstakelvrije beschermingszone van 4,00 (of 5,00 meter in het gebied van Alm en Biesbosch en Alblasserwaard en Vijfheerenlanden) wordt dan gemeten vanaf de insteek van de watergang.

Bij de aanvraag moet de aanvrager verklaren aan welke mogelijkheid hij/zij de voorkeur geeft.

5.12 Het plaatsen van hekwerken haaks op A-watergangen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van een hekwerk haaks op een A-watergang.

Verklaring van een aantal begrippen

Een hekwerk is een afscheiding die met name ten doel heeft een terrein af te sluiten en die doorgaans bestaat uit een houten of stalen constructie. Een dergelijke constructie wordt als een hekwerk gezien wanneer de hoogte meer bedraagt dan 1,00 meter.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op hekwerken die haaks op A-watergangen worden geplaatst.

Raakvlakken met ander beleid

Aanvragen voor hekwerken die parallel aan een A-watergang worden geplaatst worden getoetst aan beleidsregel 5.5: Het plaatsen van objecten in en langs watergangen.

Er is verschil tussen hekwerken en afrasteringen. Van een afrastering is sprake wanneer het gaat om de "standaard" palen met draad van maximaal 1,00 meter hoog. Doorgaans hebben deze voorzieningen een veekerende functie. Voor het plaatsen van een afrastering die parallel aan de watergang zullen worden geplaatst, geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 14).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van hekwerken gaat het er met name om dat er voldoende ruimte overblijft voor doelmatig onderhoud aan de watergangen en dat de stabiliteit van de oever wordt gewaarborgd.

Toelichting op de beleidsregel

Onderhoud

Langs A-watergangen ligt aan beide zijden een beschermingszone van 4,00 meter (of 5,00 meter in het gebied van Alm en Biesbosch en Alblasserwaard en Vijfheerenlanden). Deze beschermingszones hebben tot doel dat doelmatig onderhoud met groot materieel door het waterschap kan worden uitgevoerd. Het plaatsen van een hekwerk binnen de beschermingszone heeft dan ook tot gevolg dat het onderhoud vanaf de betreffende zijde van de watergang wordt belemmerd. De vraag of doelmatig onderhoud kan worden uitgevoerd is dan ook bepalend voor het al dan niet verlenen van een watervergunning.

Stabiliteit van de oever

Een hekwerk kan een vrij zware constructie zijn. Voorkomen moet worden dat het profiel van een watergang wordt aangetast door het plaatsen van een hekwerk.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. Voor hekwerken haaks op de watergang in agrarisch gebied gelden de volgende voorwaarden:

- op de onderhoudsstrook langs de watergang wordt een poort geplaatst met een doorgang van minimaal 4,00 meter

- de poort is voorzien is van een standaardslot van het waterschap, of de poort kan op een eenvoudige manier met de hand worden open gemaakt.

- de sluitzijde van de poort moet aan de zijde van de watergang komen. De poort opent dan van het water af richting het perceel.

- hekwerk en poort moeten in overleg met het waterschap worden geplaatst.

2. Afrasteringen die ten behoeve van veekering haaks op A-watergangen worden aangebracht, kunnen worden toegestaan, als deze ter hoogte van de watergang zijn voorzien van voldoende isolerende handgrepen. De afrasteringen met handgrepen zijn aan te merken als een lichte veekerende constructie. De handgrepen dienen zodanig in de afrastering te worden aangebracht, dat op eenvoudige wijze (dus zonder gebruik van sloten e.d.) een opening van minimaal 4,00 meter. breed kan worden gemaakt.

3. Voor hekwerken in stedelijk gebied gelden de volgende voorwaarden:

- hekwerken en poorten mogen alleen geplaatst worden aan het begin en eind van een onderhoudsroute;

- op de onderhoudsstrook langs de watergang wordt een poort geplaatst met een doorgang van minimaal 4,00 meter

- de poort is voorzien is van een standaardslot van het waterschap, of de poort kan op een eenvoudige manier met de hand worden open gemaakt.

- de sluitzijde van de poort moet aan de zijde van de watergang komen. De poort opent dan van het water af richting het perceel.

- hekwerk en poort moeten in overleg met het waterschap worden geplaatst.

4. Voor hekwerken op industrieterreinen gelden de volgende voorwaarden:

- hekwerken en poorten mogen alleen geplaatst worden aan het begin en eind van een onderhoudsroute; alleen als de aanvrager een zwaarwegend belang kan aantonen, kan hiervan worden afgeweken.

- op de onderhoudsstrook langs de watergang wordt een poort geplaatst met een doorgang van minimaal 4,00 meter

- de poort is voorzien is van een standaardslot van het waterschap, of de poort kan op een eenvoudige manier met de hand worden open gemaakt. Als de verzekering anders eist, kan een andere cilinder geplaatst worden na overleg met de teamleider van het rayon.

- De sluitzijde van de poort moet bij de watergang komen. De poort opent dan van het water af richting het perceel.

- Hekwerk en poort moeten in overleg met het waterschap worden geplaatst.

- permanente opslag op de onderhoudsstrook is niet toegestaan;

- de onderhoudsstrook moet bij de eerste aanzegging vrij worden gemaakt van objecten zoals auto's en opslagmaterialen.

- kosten die gemaakt worden als er geen gehoor wordt gegeven op het verzoek van WSRL om de strook vrij te maken voor onderhoud aan de watergang worden op de watervergunninghouder verhaald. (het op en neer rijden van de aannemer)

5. Eventueel aan te brengen waaiers haaks op A-watergangen mogen niet in het natte profiel van de watergang worden geplaatst i.v.m. vuilophoping. Deze moeten zich dus minimaal 30 cm boven zomerpeil of boezempeil bevinden.

5.13 Voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben.

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over de keurartikelen 3.1, eerste lid onder b en 3.1, tweede lid:

3., eerste lid onder b: Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van onderbemaling.

3.1., tweede lid: Zonder vergunning van het bestuur is het verboden in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden.

Verklaring van een aantal begrippen

Meestal is het bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben de bedoeling het waterpeil van enkele percelen zo te beïnvloeden dat de bereikbaarheid en mogelijkheden voor bewerking beter worden. Bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben kan worden gedacht aan het afdammen van wateraanvoerende watergangen en het plaatsen van een pomp.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Het waterschap is, volgens de Waterwet, verantwoordelijk voor het peilbeheer. De waterstanden, en daarmee de drooglegging in gebieden, worden in peilbesluiten vastgelegd. Door een peilbesluit wordt het waterschap verplicht maatregelen te treffen die ervoor moeten zorgen dat de waterstand niet hoger of lager wordt dan de vastgestelde peilen. Als het waterschap voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben heeft goedgekeurd, wordt dit dan ook in de peilbesluiten opgenomen.

Bij het instandhouden van een peil zijn vele belangen gemoeid en dus is het van belang dat, in het geval van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben, een peilbesluit in een openbare procedure wordt gebracht, zodat ook de belangen van derden zijn gewaarborgd.

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het waterhuishoudkundige systeem. In het geval van een voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben wordt het waterpeil en dus ook het watersysteem beïnvloed. Zo kan er een versnippering van het waterbeheer optreden, evenals een vermindering van het bergend vermogen. Voorkomen moet worden dat het watersysteem dusdanig negatief wordt beïnvloed dat het niet meer optimaal functioneert.

Toelichting op de beleidsregel

Voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebbenen kunnen niet alleen de waterhuishouding negatief beïnvloeden; ook de (functie) van de omliggende percelen kunnen worden aangetast. Soms kunnen voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben tot verdroging leiden. In veengebieden kan het bovendien leiden tot een versnelling van de bodemdaling. Om deze negatieve effecten te voorkomen, worden voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben in het algemeen als onwenselijk gezien. Als met een watervergunning wel een voorziening die peilafwijkingen tot gevolg heeft, kan worden toegestaan, zal er in vrijwel alle gevallen maatwerk moeten worden geleverd, waarbij alle relevante belangen moeten worden afgewogen.

Doorstroming

Bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben worden meestal één of meer kunstwerken in één of meer watergangen geplaatst. Hierbij kan gedacht worden aan dichte dammen en (al dan niet automatische) stuwen. Het plaatsen van dergelijke kunstwerken heeft uiteraard gevolgen voor de doorstroming van de betrokken watergang(en). Voorkomen moet worden dat de afwatering van het betreffende gebied in gevaar komt. Dit geldt zowel voor de gebieden waar, door middel van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben, een kunstmatig peil wordt toegepast, als voor de omringende gebieden.

Waterberging

Bij de toepassing van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben, wordt binnen een peilvak ook waterberging weggenomen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als in een natuurgebied een relatief hoog peil wordt gehanteerd. Omgekeerd kan een lager waterpeil, bijvoorbeeld voor agrarisch gebruik van de omringende percelen, leiden tot een tekort aan water dat wordt gebruikt voor nachtvorstbestrijding of voor andere functies.

De verschillende belangen die in een betreffend gebied spelen moeten goed worden afgewogen voordat over voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben een besluit wordt genomen.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. Voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben zijn in het algemeen onwenselijk. Een watervergunning wordt alleen verleend als uit de toets van de aanvraag blijkt dat de voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben géén negatieve consequenties zullen hebben voor de omgeving of als deze consequenties met voorschriften voldoende zijn af te vangen.

2. De noodzaak van de voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben moet worden aangetoond. Het peil dat is aangegeven in het peilenplan sluit het best aan op het peilvak en de omgeving. Een afwijking van het peil moet dan ook gebaseerd zijn op de specifieke eigenschappen en functies van de percelen waar de aanvraag over gaat.

Om deze noodzaak aan te tonen, worden dezelfde aspecten en criteria als bij het vaststellen van een peilenplan gebruikt. Maaiveldhoogte, grondgebruik en bodemsoort bepalen de gewenste drooglegging voor het perceel. Aanvragers moeten deze gegevens aanleveren bij het indienen van de aanvraag.

3. Als een aanvraag om een watervergunning voor voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben wordt geweigerd, kan de aanvrager vragen om een wijziging van het betrokken peilbesluit. Voor een besluit op dat verzoek is een wettelijke procedure nodig. Deze procedure garandeert dat alle belangen voldoende rechtsbescherming krijgen.

5.14 Stoffen of voorwerpen en huisdieren

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder c:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (vaste) stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben, of te (be)houden.

Verklaring van een aantal begrippen

Stoffen kunnen, als ze in het water terechtkomen, schadelijke effecten hebben op de kwaliteit van het watersysteem. Stoffen kunnen zowel chemisch (zeep, verf) als organisch (mest, melk) zijn.Onder voorwerpen worden alle voorwerpen verstaan die, als ze binnen de keurzone worden geplaatst, op de een of andere manier van invloed kunnen zijn op het watersysteem.

Onder huisdieren kunnen in principe alle gedomesticeerde dieren worden verstaan. In de meeste gevallen gaat het om vee in de agrarische sector, zoals koeien, paarden en schapen, dat zich vaak in weilanden bevinden die door water zijn omgeven.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele watersysteem binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Wanneer het gaat om stoffen wordt er dan ook geen onderscheid gemaakt in A , B- of C-watergangen, aangezien al deze watergangen op de één of de andere manier met elkaar in verbinding staan. Een stof in een C-watergang zou bijvoorbeeld via B-watergangen in een A-watergang terecht kunnen komen en daar grote schade aan kunnen richten aan bijvoorbeeld de ecologische gesteldheid.

Raakvlakken met ander beleid

Deze beleidsregel heeft geen specifieke raakvlakken met ander beleid, anders dat werken en beplantingen in, op, onder en boven de keurzone ook verboden zijn. Wel wordt bij de toetsing van aangevraagde werken ook rekening gehouden met deze beleidsregel. Zo is het bij een demping van een watergang bijvoorbeeld van belang dat er schone grond wordt gebruikt en wordt bij veehouderij, op percelen welke aan water grenzen, het plaatsen van een voldoende veekerende constructie verplicht gesteld.

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het watersysteem. Door het voorschrijven van deze beleidsregel kan de instandhouding van zowel de waterkwaliteit (ecologie) als de waterkwantiteit (berging en doorstroom) van het watersysteem worden gewaarborgd. Veiligheid speelt daarbij ook een belangrijke rol.

Toelichting op de beleidsregel

Waterkwaliteit

Wanneer stoffen, wat voor stoffen dan ook, in het watersysteem terecht komen, kunnen deze (zeer) negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit hebben. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid en de mate van schadelijkheid van de in het watersysteem gebrachte stof. De lozing van sommige stoffen op het oppervlaktewater kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de ecologie; niet alleen in het watersysteem, maar ook daarbuiten. Eén van de vele risico's van een lozing van schadelijke stoffen betreft bijvoorbeeld vissterfte, een goede indicatie dat er iets mis is met de waterkwaliteit. Vogels kunnen vervolgens schade ondervinden wanneer zij zieke vissen opeten, enzovoorts.

Daarnaast is de kwaliteit van het oppervlaktewater ook van belang voor agrariërs die het water gebruiken om het land te besproeien bij nachtvorstbestrijding of in tijden van droogte. Aangezien het daarbij vaak om de productie van voedsel gaat, is het van belang dat er bij het sproeien schoon oppervlaktewater wordt gebruikt.

Stoffen kunnen ook voortkomen uit voorwerpen die met het water reageren. Gecreosoteerd hout of metalen kunnen, wanneer zij in het water terecht komen, mogelijke schadelijke stoffen uitscheiden.

Doorstroming

Wanneer voorwerpen in een watergang terecht komen heeft dat uiteraard een effect op de doorstroming van de watergang. Hoe groot dat effect is, is afhankelijk van de vorm en de grootte van het voorwerp. In de regel worden er geen voorwerpen, anders dan daarvoor specifiek opgestelde algemene regels of beleidsregels, in de keurzone toegestaan.

Huisdieren kunnen van invloed zijn op de doorstroming van een watergang, bijvoorbeeld doordat zij de oever vertrappen en daardoor het profiel van de watergang kleiner maken. Ook kan het voorkomen dat, bij afwezigheid van een veekerende constructie, vee in de watergang zelf terecht komt, met alle mogelijke gevolgen van dien.

In overleg met het waterschap kunnen drinkplaatsen voor vee wel worden toegestaan. Als het nodig is om voor de in richting van drinkplaatsen werkzaamheden uit te voeren, is daarvoor een watervergunning nodig. Deze vergunning moet aangevraagd worden voordat met de werkzaamheden wordt begonnen.

Waterkeringen

Het hebben of houden van vee op primaire waterkeringen is niet toegestaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor die gedeeltes van de dijk, waar een gebruiks-/beheersovereenkomst met het waterschap is gesloten.

Natuurvriendelijke oevers.

Op natuurvriendelijke oevers kan vee ecologische schade aanbrengen. Het hebben of houden van vee of het aanleggen van drinkplaatsen is daarom daar niet toegestaan.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Voor deze beleidsregel zijn geen bijzondere criteria opgesteld.

5.15 Het (ver)graven van (nieuwe) watergangen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken. Hieronder wordt ook verstaan het (ver)graven van watergangen.

Verklaring van een aantal begrippen

Onder oppervlaktewaterlichamen worden in deze context watergangen verstaan die onderdeel vormen van, of van invloed zijn op, het watersysteem. Er zijn verschillende soorten watergangen:

- A-watergang: aan- en afvoerende en bergende functie;

- B-watergang: afvoerende en bergende functie;

- C-watergang: bergende functie.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel heeft betrekking op alle watergangen, voor zover deze onderdeel zijn of zullen worden van het watersysteem dat wordt beheerd door Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Nieuwe watergangen worden meestal gegraven als compensatie voor de demping van watergangen en/of voor de versnelde afvoer van hemelwater ten gevolge van de uitbreiding van verhard oppervlak. Een demping van een watergang wordt getoetst aan de algemene toetsingcriteria. Voor het lozen van hemelwater van nieuw verhard oppervlak geldt een aparte beleidsregel (nummer 5.17).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het watersysteem. In dit geval gaat het om het voorkomen van stremming en stuwing in de aan- en afvoer van water, het waarborgen van een goede stabiliteit van het talud, het behouden van voldoende berging, het aanleggen van voldoende natuurvriendelijke oevers en ecologische verbindingszones en het uitvoeren van doelmatig onderhoud.

Toelichting op de beleidsregel

Voor bestaand stedelijk gebied worden bij de overname van het beheer afspraken gemaakt over onderhoud en de onderhoudsmogelijkheden. Voor nieuw stedelijk gebied zullen in de ontwerpfase al afspraken over het waarborgen van doelmatig onderhoud kunnen worden gemaakt. Beide vormen van afspraken kunnen vervolgens in de legger worden bevestigd, zodat daarmee ook een adequate keurbescherming ontstaat. Het maatwerk houdt daarbij in dat zo weinig mogelijk onnodige gebruiksbeperkingen op andermans eigendom zullen worden gelegd. Met de nieuwe, meer flexibele legger zal in dit verband veel beter maatwerk kunnen worden geleverd.

Bij de aanleg van een nieuw watersysteem in een nieuwbouwplan kan het voornemen bij gemeente of projectontwikkelaar bestaan om grond aan particulieren uit te geven tot aan de A-watergang. In dat geval moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. De belangrijkste voorwaarden zijn dat doelmatige onderhoudsmogelijkheden en de bergingsfunctie voor water moeten worden gegarandeerd.

Onder "toetsingscriteria" worden de bijzondere toetsingscriteria in verband hiermee vermeld.

Als dergelijke afspraken zijn gemaakt en vastgelegd, zal daarmee bij de watervergunningverlening rekening worden gehouden.

Doorstroming

Als nieuwe watergangen worden gegraven is het van belang dat de doorstroming van de watergangen is gewaarborgd. Daarnaast heeft het graven van nieuwe watergangen een effect op de doorstroming van het reeds bestaande watersysteem. Negatieve gevolgen voor de doorstroming van bestaande watergangen dienen te worden voorkomen.

Waterberging

Als een nieuwe of vergraven watergang is of wordt aangesloten op het bestaande watersysteem, moet de watergang voldoen aan minimale afmetingen, zodat de waterberging, als onderdeel van het totale watersysteem, kan worden gewaarborgd. Afhankelijk van de functie van de watergang kunnen aanvullende eisen worden gesteld. Zo moet bij nieuwe A-watergangen in stedelijk gebied, 35% van de oeverlengte bestaan uit een natuurvriendelijke oever. In het kader van watertoets of vooroverleg kan deze 35% ook worden gerealiseerd in de vorm van alternatieve ecologische voorzieningen.

Het graven van watergangen in kwelgevoelige gebieden kan leiden tot een toename van de kwel. In die gevallen kan het waterschap aanvullende compensatie voorschrijven.

Onderhoud

Bij het graven van een nieuwe watergang of het vergraven van een bestaande watergang, moet rekening worden gehouden met de manier waarop het onderhoud aan de watergang wordt uitgevoerd.

Bij A-watergangen wordt een beschermingszone van 4 meter (of 5 meter in de gebieden van Alm en Biesbosch en de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden) toegepast. Bij B-watergangen is dat 1 meter.

Met betrekking tot de afmetingen van de nieuwe watergang moet dus niet alleen rekening gehouden worden met de afmetingen van de watergang zelf, maar ook met de beschermingszones. Dit is vooral belangrijk als er sprake is van meerdere perceelseigenaren. In het geval van B-watergangen, bijvoorbeeld, zijn de eigenaren van de aangrenzende percelen verantwoordelijk voor het onderhoud van de watergang. Met deze onderhoudsplicht, evenals het instandhouden van de obstakelvrije beschermingszone, moet voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden door alle belanghebbenden zijn ingestemd.

In hoeverre er van de onderhoudsroutes aan weerszijden van een watergang gebruik wordt gemaakt, hangt daarnaast af van de afmetingen van de watergang en het materieel dat bij het onderhoud wordt gebruikt. Een A-watergang met een bovenbreedte van meer dan 8 meter moet altijd tweezijdig onderhouden kunnen worden. Als een A-watergang in stedelijk gebied varend wordt onderhouden kan aan afwijkende beschermingszones worden gedacht. Deze moeten dan wel in de legger vastgelegd worden. De 'flexibele legger' kent mogelijkheden om van de minimale afmetingen van de beschermingszones in stedelijk gebied af te wijken. Dit moet echter per geval worden getoetst. In de ontwerpfase kunnen hierover afspraken met het waterschap worden gemaakt, indien en voorzover doelmatig onderhoud als beschreven in deze beleidsregel, mogelijk blijft.

Het aansluiten van nieuwe watergangen op A-watergangen mag het doelmatig onderhoud aan de A watergang niet hinderen. Doorgaande onderhoudsroutes mogen dus niet zomaar worden onderbroken. Het waterschap kan voor het doelmatig onderhoud dan ook aanvullende eisen stellen.

Stabiliteit

Het is bij nieuwe en te vergraven watergangen belangrijk dat de stabiliteit van het talud wordt gewaarborgd. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Afhankelijk van de status van de watergang kunnen aanvullende eisen worden gesteld.

Toetsingscriteria

Aanvragen voor nieuwe waterstaatswerken worden getoetst aan de algemene toetsingscriteria. De afmetingen van A- en B-watergangen zijn daarin als volgt vastgesteld:

A-watergangen

Het talud moet minimaal een schuinte hebben van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).

Bodembreedte minimaal 0,70 m. Bodemhoogte 1,00 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem deze bodemhoogte niet toelaat, kan een geringere waterdiepte dan 1 meter worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebied en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.

Deze criteria gelden voor zowel nieuwe watergangen als de verlenging en/of verbreding van bestaande watergangen. Als in bestaande watergangen het uit te voeren werk een lengte kent van minder dan 100 m. gelden deze eisen niet. In die gevallen moeten de bestaande leggerafmetingen worden toegepast en moet een bestaande bodemhoogte worden aangesloten om bodemvallen en drempels te voorkomen.

B-watergangen

Talud: een schuinte van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler). Bodembreedte 0,50 m. Bodemhoogte 0,50 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem deze bodemhoogte niet toelaat, kan een andere bodemhoogte worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebieden en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.

Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. De aanvrager moet er voor zorgen dat zich aan beide kanten van nieuwe watergangen geen obstakels bevinden. Deze zones moeten de watergangen vooral toegankelijk maken voor het onderhoud aan de watergangen. Voor zowel rijdend als varend onderhoud moeten de zones langs A-watergangen doorgaans 4,00 meter ( 5,00 meter in de gebieden van Alm en Biesbosch en Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden) breed zijn. Deze afmetingen worden in de legger bepaald. Als één zijde alleen voor handmatig onderhoud bereikbaar moet zijn, dan moet deze zone minimaal 1,50 meter breed zijn. Voor B-watergangen geldt aan beide kanten een beschermingszone van 1 meter.

2. Specifiek voor het stedelijk gebied geldt dat de volgende eisen worden gesteld:

- oppervlaktewater moet voldoende omvang hebben;

- de doorstroming in watergangen moet gewaarborgd zijn;

- nieuw aan te leggen watergangen, moeten zo worden uitgevoerd dat minstens 35% van de oeverlengte, natuurvriendelijk wordt uitgevoerd, tenzij in overleg met het waterschap voor een gelijke hoeveelheid alternatieve ecologische voorzieningen wordt gekozen.

- eenzijdig obstakelvrije zones (grondstroken voor machinaal onderhoud) zijn mogelijk als het onderhoud gewaarborgd blijft;

- Als één zijde alleen voor handmatig onderhoud bereikbaar moet zijn, dan moet de zone minimaal 1,00 meter breed zijn.

- In beschermingszones van 4,00 m. of 5,00 m. breed kan incidenteel beplanting als bossages e.d. worden toegelaten mits deze doelmatig machinaal onderhoud niet belemmeren. Parallel aan de watergang mag zo'n bossage daarom geen grotere breedte dan 3,00 m. bereiken. Bovendien moet in die gevallen aan de landzijde van de bossage een obstakelvrije ruimte 4,00 m. respectievelijk 5,00 m. aanwezig blijven.

3. Aan het voornemen van een aanvrager om watervergunning om grond aan particulieren uit te geven tot aan de A-watergang, zonder dat er door middel van de legger publiekrechtelijke beperkingen op het eigendom van die particulieren zullen worden gelegd kan in principe worden meegewerkt als:

- aan de overkant van de watergang een onderhoudsstrook met een breedte van respectievelijk 4,00 of 5,00 meter ligt op openbaar eigendom of op grond in eigendom bij het waterschap;

- de bergende functie van de watergang duurzaam gewaarborgd wordt door al bij de aanleg van de betreffende watergang, parallel aan de watergang een overbreedte van 2,00 meter te realiseren. Deze overbreedte zal in de legger minimaal een C-status krijgen. Binnen deze overbreedte is het plaatsen van steigers toegestaan. Het doel is hierbij niet dat de overbreedte kan worden gedempt, of dat tuinen worden verlengd door het plaatsen van damwanden in de overbreedte, maar wel dat wensen m.b.t. steigertjes e.d. zonder meer mogelijk zijn, en wel door middel van een melding in plaats van een watervergunning. De aangrenzende eigenaar zal door de verkoper geïnformeerd worden over de instandhoudingsplicht van de overbreedte zoals die in het ontwerpprofiel (zie figuur 1) was opgenomen.

[Figuur 2: uitgifte grond aan particulieren aan de A-watergang; red. niet opgenomen in de tekst, zie onder "bijlagen"]

5. Een watervergunning om bij de aanleg van een nieuw watersysteem in een nieuwbouwplan de vereiste onderhoudsstrook te combineren met een flauw talud, wordt in principe verleend als:

- de betreffende onderhoudsstrook op een bovenwatertalud van 1:6 of flauwer wordt aangelegd;

- de onderhoudsstrook een breedte heeft van 5,00 meter, gerekend vanaf een niveau van 0,30 meter boven het zomerpeil of boezempeil (zie figuur 2). Bovendien dient de oever goed toegankelijk te zijn voor onderhoudsmaterieel.

[Figuur 3: onderhoudsstrook gecombineerd met flauw talud; red. niet opgenomen in de tekst, zie onder "bijlagen"]

6. Als nieuwe watergangen met plas-dras-oevers worden aangelegd, gelden de volgende uitgangspunten (zie figuur 4).

- Ondertalud: minimaal een schuinte van 1:2.

- Plas-drasbanket: minimaal 2,00 m breed.

- Boventalud: minimaal een schuinte van 1:2, minimaal een schuinte van 1:3.

- Diepte plas-drasbanket: +/- 10 cm onder winterpeil, maximaal 30 cm onder zomerpeil.

- Vooroever: om te voorkomen dat maaisel of afval op het plas-drastalud terechtkomt, is het wenselijk om een vooroever aan te leggen, gelegen op 5-10 cm boven zomerpeil. De vooroever moet om ecologische redenen iedere 25,00 meter voorzien zijn van openingen van 1,00 meter breed.

- Peilfluctuaties: dit type oever is minder geschikt in watergangen met grote peilschommelingen, vanwege de kans op ongewenste droogval van het plas-drasbanket.

- Stroming: in watergangen met een sterke stroming is dit type oever minder geschikt dan een flauw talud, vanwege de grotere kans op erosie.

[Figuur 4: Principetekening plas-drasoever; red. niet opgenomen in de tekst, zie onder "bijlagen"]

5.16. Meld- en vergunningsplicht lozen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.7 onder a:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden:

- meer dan 100 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als A-wateren;

- meer dan 30 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als B-wateren;

- meer dan 1 m3 water per uur te lozen in oppervlaktewaterlichamen die in de legger staan vermeld als C-wateren.

Keurartikel 3.7 onder b:

Degene die tot maximaal 100 m3 water per uur loost in oppervlaktewaterlichamen die op de legger staan vermeld als A-wateren, dient de lozing (ten minste 14 dagen van te voren) te melden aan het bestuur;

Degene die water loost in wateren die op de legger staan vermeld als zijnde B-wateren, meldt de wijze van lozing aan het bestuursorgaan als de hoeveelheid te lozen water meer dan 30 m3/uur bedraagt.

Verklaring van een aantal begrippen

Deze beleidsregel gaat over het lozen van water op een watergang in het algemeen. Er is onderscheid gemaakt in tijdelijke en permanente lozingen. Tijdelijke lozingen komen voor in gevallen waar, ten behoeve van bijvoorbeeld nieuwbouwwerkzaamheden, bronneringswerkzaamheden worden uitgevoerd. Permanente lozingen komen vaak voor ter plaatse van (hemelwater)riooloverstorten en bij bedrijven die veel water verbruiken voor, bijvoorbeeld, de bloementeelt.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op alle watergangen welke zijn gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Voor het lozen van bronneringswater geldt er een Algemene Regel (zie bijlage 1, nr. 13). Voor lozingen van hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak wordt verwezen naar beleidsregel 5.17.

Voor het lozen van water in watergangen die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland moet een uitstroomvoorziening worden aangebracht. Voor het maken en plaatsen van een uitstroomvoorziening geldt een algemene regel.(zie bijlage 1, nummer 20)

Het is belangrijk dat het geloosde water van een zodanige kwaliteit is dat de lozing ervan geen schadelijke gevolgen heeft voor de kwaliteit van het oppervlaktewater waarin wordt geloosd. Afhankelijk van de herkomst, hoeveelheid en de kwaliteit van het te lozen water, moet de aanvrager een melding doen op basis van één van de besluiten waarin algemene regels zijn opgenomen voor lozingen, of een watervergunning aanvragen bij de afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland.

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het voorkomen van een overbelasting van het watersysteem. Het lozen van water op watergangen heeft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt voornamelijk een effect op de bergingscapaciteit van die watergangen, maar de doorstroming en de waterkwaliteit kunnen ook worden beïnvloed. Aan de hand van de afmetingen en de status van een watergang kan de maximaal toelaatbare hoeveelheid te lozen water worden bepaald.

Toelichting op de beleidsregel

Waterberging

Het watersysteem is van groot belang voor de waterberging. Watergangen moeten zodanig worden aangelegd dat ze zijn berekend op piekbelastingen als het hard regent. Een lozing op een watergang mag de waterbergingscapaciteit van die watergang niet verminderen. Daarnaast is het van belang dat grote peilschommelingen worden voorkomen.

Doorstroming

Een watergang moet voldoende doorstromen om een bepaalde hoeveelheid te lozen water af te kunnen voeren. De aanwezigheid van dammen met duikers, bijvoorbeeld, kan hierop van invloed zijn en dat moet dan ook in de berekeningen, met betrekking tot de maximaal toelaatbare hoeveelheid te lozen water, moeten worden meegenomen.

Stabiliteit van de oever

De hoeveelheid te lozen water op een watergang kan van geval tot geval enorm verschillen. Afhankelijk van de hoeveelheid te lozen water en de snelheid waarmee het water op het oppervlaktewater wordt geloosd, kan de lozing schade aan de watergang veroorzaken. Waar een lozingspunt in het talud wordt aangebracht, zou aan de overliggende oever uitspoeling van grond kunnen plaatsvinden. Dit moet voorkomen worden. Daarom kan het waterschap hiervoor aanvullende eisen stellen.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. Tijdelijke lozingen worden in principe alleen toegestaan in A- of B-watergangen.

2. Een riool mag alleen overstorten in een A-watergang met voldoende doorstroming of in een retentievoorziening. Als de ontvangende watergang niet een A-status heeft, moet deze worden opgewaardeerd tot A watergang.

3. De watergang waarin vanuit een riooloverstort wordt geloosd, mag niet doodlopend zijn.

4. Per overstort zijn de volgende gegevens nodig voor de toetsing:

- Detailkaart locatie (x,y), (zodat geen twijfel is over ligging ten opzichte van kunstwerken).

- Maximaal debiet (m3/s) uit overstort in de huidige en toekomstige situatie bij bovenvermelde neerslagsituatie.

- Totale hoeveelheid overstortwater (m3) en de duur van de overstort

5.17 Lozen vanaf nieuw verhard oppervlak

Kader

 

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.5:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak op een oppervlaktewaterlichaam te lozen.

Verklaring van een aantal begrippen

Onder nieuw verhard oppervlak kunnen alle oppervlakken worden verstaan die voor nieuwbouwwoningen, wegen, etc., verhard worden Hierdoor kan het hemelwater ter plaatse niet langer in de (voorheen onverharde) grond infiltreren. Daardoor treedt er een versnelde afvoer van het hemelwater op. Deze 'extra' afvoer van hemelwater kan worden geneutraliseerd door het vergroten van de bergingscapaciteit van het watersysteem. De compensatiemaatregelen moeten zo dicht mogelijk bij het nieuw verhard oppervlak worden gemaakt en in ieder geval in hetzelfde peilvak als waar de verharding wordt aangebracht.

Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel heeft betrekking op de gebieden waar de uitbreiding van het verhard oppervlak, in zowel stedelijk als landelijk gebied, van invloed kan zijn op de waterhuishouding van het watersysteem dat wordt beheerd door Waterschap Rivierenland.

Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor landelijk gebied. (Voor kleinere oppervlaktes hoeft dus niet te worden gecompenseerd, bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht).

Voor de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur is bij de toetsingscriteria een afwijkende regeling opgenomen. Dit heeft te maken met het feit dat men (in de meeste gevallen) op grond van andere eisen toch al een bassin moet bouwen voor goed gietwater. Zo'n bassin leent zich in een wat groter formaat ook voor het compenseren van uitbreiding van verhard oppervlak. Er geldt hierbij wel een hogere norm voor de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur dan voor andere sectoren. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening wordt T=50 als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren vuistregel gesteld wordt op 580 m3/ha (in plaats van 436 m3/ha).

Bij een halfverhard oppervlak kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, afhankelijk van de aard van de verharding. Deze situaties zullen afzonderlijk moeten worden berekend.

Raakvlakken met ander beleid

De versnelde afvoer van hemelwater wordt meestal gecompenseerd door het graven van nieuwe watergangen en/of het verbreden van bestaande watergangen. Deze watergangen moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn beschreven in beleidsregel 5.15, "Het (ver)graven van (nieuwe) watergangen".

Bij nieuwe lozingen van hemelwater van bestaand verhard oppervlak, zogenaamde afkoppeling, worden aanvragen getoetst aan de Beslisboom Afkoppelen en Compensatie. Per geval wordt getoetst of de afvoer van het hemelwater op watergangen moet worden gecompenseerd.

Er is ook raakvlak met beleidsregel 5.2: Werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne. Voor het maken van uitstroomvoorzieningen in een A-watergang geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 20).

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is om de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak in het beheersgebied te beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet dus, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans-neutraal plaatsvinden.

Toelichting op de beleidsregel

Waterberging en afvoer

Regenwater dat op een onverharde bodem valt dringt voor een belangrijk deel in de bodem. Het komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in oppervlaktewater. (wegzijging en kwel). Slechts een klein deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater.

Ter plaatse van verhard oppervlak zal het regenwater nauwelijks of niet in de bodem dringen. Vrijwel al het water stroomt direct af naar het oppervlaktewatersysteem en/of naar het rioleringssysteem. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen.

De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van nieuwe watergangen of het vergroten van bestaande watergangen. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. Er geldt geen compensatieverplichting in individuele gevallen als het verhard oppervlak op het omringende perceel loost en de afstand tot een watergang, binnen hetzelfde of een lager gelegen peilvak, groter is dan 100 meter. In individuele gevallen geldt er ook geen compensatieplicht voor de in de agrarische sector gangbare koe- en kavelpaden (hieronder vallen niet de verharde inrit en erfverharding).

2. Om bij een maatgevende bui de landelijke afvoernorm van 1,5 l/s/ha niet te overschrijden, wordt de vuistregel van een te realiseren compensatie van 436 m3 per ha verhard oppervlak gehanteerd (gebaseerd op T=10+10%). Daarbij mag het peil niet meer dan 20 cm stijgen in de deelgebieden die op bijlage 2 zijn aangegeven. In de overige gebieden bedraagt de maximale peilstijging 30 cm.

3. In het kader van een watertoetsadvies kan het waterschap om locatiespecifieke, waterhuishoudkundige redenen afwijken van de maximale peilstijging. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitbreiding van nieuw stedelijk gebied. In dat geval wordt de uitbreiding in het kader van de watertoets getoetst op een aantal maatgevende situaties en bijbehorende waterhuishoudkundige eisen. Deze staan beschreven in de Handreiking Watertoets van Waterschap Rivierenland. Aanvragen om watervergunning voor nieuw stedelijk gebied worden daarom aan een eventueel aanwezig positief watertoetsadvies getoetst. Bij het ontbreken van een dergelijk positief watertoetsadvies wordt voor deze gebieden een maximale peilstijging van 20 c.q. 30 cm gehanteerd.

4. Er geldt een vrijstelling van de compensatieplicht voor lozen vanaf nieuw verhard oppervlak van 500 m2 binnen stedelijk gebied (bebouwde kom) en 1.500 m2 in landelijk gebied.

5. Als het te verharden oppervlak kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m² en op zichzelf staat (door de aanvrager kan worden aangetoond dat niet te verwachten valt dat de verharde oppervlakte later veel groter zal worden door aanbouw of uitbreiding met kleinere delen), is geen compensatie nodig. Als het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd.

6. Bij hemelwaterlozing van een verhard oppervlak groter dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², moet de aanvrager voorzieningen treffen om de landelijk afvoer te realiseren door middel van:

- het creëren van extra waterberging op het eigen terrein door middel van het graven of vergroten van oppervlaktewater, en/of

- het creëren van extra retentie in de watergang waarop wordt geloosd door vergroten van het profiel van de watergang, en/of

- het graven van nieuw water binnen hetzelfde peilvak en aangesloten op bestaande A- of B-watergangen.

7. Compensatie voor verhard oppervlak kan zowel plaatsvinden in nieuw water als in bestaand water. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken. Het waterschap toetst vervolgens of dat voldoende is. Soms heeft het waterschap om locatiespecifieke redenen een voorkeur heeft voor compensatie in nieuw dan wel bestaand water. Als er compensatie plaatsvindt in bestaand water, dan gaat de voorkeur uit naar compensatie in B-watergangen boven compensatie in A-watergangen. Dit onder andere op basis van het veroorzakersbeginsel. Daarbij is compensatie in A-watergangen minder gewenst vanwege optredende problemen in de sfeer van eigendom en onderhoud.

8. Als de aanvrager kan aantonen dat compensatie in een B- of A-watergang redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het waterschap ook compensatie in bestaande of nieuwe C-wateren toelaten.

9. In het stedelijk gebied kan een uitbreiding tussen 500 m² en 1.500 m² worden gecompenseerd door participatie in een waterbergingsbank. De aanvrager moet dan door middel van een verklaring van de gemeente welke een watervergunning heeft voor een waterbergingsbank, kunnen aantonen dat op deze manier wordt voldaan aan de compensatieplicht.

10. In eerste instantie moet de berging bij het lozingspunt worden gemaakt. Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, dan kan de berging elders in het peilvak worden gerealiseerd. De aanvrager is in dat geval ook verantwoordelijk voor een voldoende aanvoer vanaf de lozing naar de berging. Daardoor kunnen tussen het lozingspunt en de berging geen problemen ontstaan. Als geloosd wordt op een ander water dan waar de compensatie wordt gemaakt, moet het watergangensysteem tussen het lozingspunt en de locatie van de gemaakte compensatie voldoende capaciteit hebben om te voorkomen dat door de lozing te grote peilstijging, opstuwing of stroomsnelheid kan ontstaan. De aanvrager moet dit door middel van een hydraulische berekening aantonen.

11. Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilvlak niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilvlak plaatsvindt.

12. In het kader van duurzaam bouwen en bestrijding van verdroging, kan ook het infiltreren van schoon dakwater in de grond in principe als mogelijkheid worden geaccepteerd. Bij de aanvraag moet de afmeting en constructie van de infiltratievoorziening goed in beeld worden gebracht. Bij compensatie van het nieuw verhard oppervlak in de vorm van een wadi, wordt als uitgangspunt voor de compensatieberekening T=100+10% als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren vuistregel gesteld wordt op 664 m3/ha. Aanvrager moet aantonen dat de infiltratievoorziening goed kan functioneren en dat geen versnelde afvoer naar het oppervlaktewater zal ontstaan. In het grootste gedeelte van het beheergebied is infiltratie niet mogelijk, omdat de grondslag (klei, veen) niet geschikt is. Het waterschap wijst de gebieden aan waar infiltratie toegestaan is.

13. Van de compensatieplicht voor nieuw verhard oppervlak, kan de oppervlakte van recent gesloopte gebouwen worden afgetrokken. De sloop mag niet langer dan 5 jaar geleden zijn geweest en er moet gesloopt zijn met het doel om te herbouwen. De eigenaar die gesloopt heeft moet wel zelf de aanvraag indienen. Deze regel geldt niet voor rechtsopvolgers, omdat deze de gekochte grond zonder de gesloopte gebouwen aantreffen en voor nieuw verhard oppervlak met de gebruikelijke compensatie rekening moeten houden.

14. In principe kan voor overcompensatie watervergunning worden verleend, als de watervergunninghouder de overcompensatie binnen maximaal 5 jaar na de dag waarop de watervergunning werd verzonden zal inzetten. De watervergunninghouder kan gemaakte overcompensatie niet aan anderen overdragen. Deze regel geldt niet voor een gemeentelijke waterbergingsbank.

15. Voor nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur geldt dat compensatie van hemelwater voor maximaal 75% in een te bouwen bassin mag plaatsvinden. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening wordt T=50 als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren vuistregel gesteld wordt op 580 m3/ha.

16. Bij pot- en containercultuur op lavabakken geldt dat lavabakken enerzijds als nieuw verhard oppervlak gelden, terwijl anderzijds de bakken zelf bergend vermogen bezitten. Voor de toepassing van het compensatiebeleid wordt het bergend vermogen van de lavabakken zelf, gesteld op 50%.

Voor de compensatieberekening van lavabakken geldt daarom een vuistregel van 290 m3/ha.  Deze compensatie mag ook voor maximaal 75% in een bassin plaatsvinden.

17. Voor de compensatie van minimaal 25% nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw (buiten het bassin) geldt de voorkeurreeks als vermeld onder punt 6 en het criterium als vermeld onder punt 10.

5.18. Grondwateronttrekkingen

Inleiding

In de Waterwet (art 6.5.b) is aangegeven dat het waterschap het bevoegd gezag is voor het onttrekken en infiltreren van grondwater. Uitzondering vormt een drietal categorieën waar de provincie bevoegd gezag is: drinkwaterwinning, bodemenergie systemen en industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar.

Bij de invulling van de rol als bevoegd gezag vormt het beleid van de provincies Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Utrecht en van het waterschap, zoals vastgelegd in respectievelijke provinciale waterplannen en Waterbeheerplan de basis. Hierbij zijn voor de grondwateronttrekking de volgende doelen aangegeven:

- Doelmatige en duurzame benutting van het grondwater.

- In beeld (laten) brengen van gevolgen van de onttrekking en beëindiging en waar relevant laten toepassen van mitigerende maatregelen;

Via vergunningverlening stelt het waterschap eisen aan deze activiteiten. De basis hiervoor is de Keur. Voor de grondwateronttrekkingen en infiltraties is daarin aangegeven bij welke grenzen sprake is van een plicht tot vergunning en/of melding. Tevens is aangegeven dat sprake is van algemene voorschriften die voor alle onttrekkingen gelden.

In deze beleidsregel worden de beleidsdoeleinden zodanig uitgewerkt dat ze effectief kunnen worden toegepast als kader voor vergunningverlening. Daarnaast worden de algemene voorschriften nader gespecificeerd. De beleidsregel biedt daarbij zowel een kader voor de vergunningverlening als informatie naar de burger over de uitwerking van het beleid omtrent grondwaterbeheer.

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.9: Watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem

1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden:

a. grondwater te onttrekken, als de hoeveelheid te onttrekken water meer kan bedragen dan 10 m3 per uur;

b. grondwater te onttrekken ten behoeve van het permanent droog houden of beschermen van ondergrondse bouwwerken

c. water in de bodem te infiltreren, als de hoeveelheid te infiltreren water meer kan bedragen dan 10 m3 per uur.

2. Geen vergunning krachtens het vorige lid onder a. is vereist, als het betreft het onttrekken van grondwater uitsluitend voor:

a. bronbemaling of proefbemaling, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 100 m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden en niet meer bedraagt dan 100.000 m3;

b. grondwatersanering en bodemsanering, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 20 m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan 36 maanden en niet meer bedraagt dan 100.000 m3;

c. beregening, bevloeiing of veedrenking, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 60 m3 per uur;

d. een noodvoorziening;

e. overige doeleinden, indien de hoeveelheden te onttrekken grondwater minder bedragen dan 10 m3 per uur en 50.000 m3 per kalenderjaar.

3. Geen vergunning krachtens het eerste lid is vereist, als het gaat om het onder vrij verval onttrekken van grondwater bij de ontwatering en afwatering van gronden, met uitzondering van de gebieden zoals aangegeven op de kaart zoals bedoeld in artikel 3.4. (drainagekaart)

Verklaring van een aantal begrippen

Er is sprake van infiltratie als er schoon water in de bodem wordt gebracht met als doel dit op een later tijdstip te onttrekken. Schoon water is water dat voldoet aan de chemische waterkwaliteitsnormen genoemd in de "Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewater".

Retourbemaling is het terugbrengen van schoon grondwater dat eerder aan de bodem was onttrokken. Bij bronneringen kan in bepaalde gevallen het schone grondwater worden geretourneerd in de bodem. Retourneren in de bodem vindt plaats om de gevolgschade van een bronnering te beperken.

De Waterwet biedt geen mogelijkheid het retourneren van grondwater te reguleren.

Wel kan de aanvrager een retourbemaling in de aanvraag voor een grondwateronttrekking meenemen als maatregel om de gevolgschade van de onttrekking te beperken. Nadeel hierbij is dat als tijdens de uitvoering van de onttrekking blijkt dat de retourbemaling niet uitvoerbaar is, geen inzicht meer bestaat op de gevolgen van de onttrekking. In dat geval wordt er grondwater onttrokken in afwijking van de watervergunning en moet de nieuwe situatie door middel van een nieuwe aanvraag inzichtelijk worden gemaakt.

Waar geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele beheergebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid of regelgeving.

In het algemeen kan worden gesteld dat daar waar grondwater wordt onttrokken, ook grondwater moet worden afgevoerd. Dit kan door middel van retourbemaling in de bodem, lozing als bronneringswater of als afvalwater op oppervlaktewater of riool. Bij lozing op riool of oppervlaktewater is de regelgeving vanuit het Besluit Lozen buiten inrichtingen, Besluit Algemene regels inrichtingen milieubeheer en de vergunningsplicht Waterwet van belang. Dit voor wat de kwalitatieve aspecten betreft. Ook deze regelingen kennen de mogelijkheden om de doelmatigheid van de activiteit te toetsen en te waarborgen. Bij vergunningverlening voor de grondwateronttrekkingen zullen ook deze toetsingscriteria integraal moeten worden meegewogen.

Voor infiltratie van hemelwater met als doel dit vervolgens te onttrekken worden de eisen van de grondwaterkwaliteitsbeheerder (Wet Bodembescherming) gevolgd ten aanzien van de kwalitatieve aspecten zoals monitoring en behandeling. Naar verwachting komt er in 2010 een algemene maatregel van bestuur over dit onderwerp.

Doel van het beleid

Het doel van het beleid is om zo effectief mogelijk en zo weinig mogelijk grondwater te onttrekken aan het watersysteem. Daarnaast richt het beleid zich op het voorkomen van schade ten gevolge van deze onttrekkingen.

De pijlers zijn het borgen van duurzaam en doelmatige gebruik van grondwater, het in beeld (laten) brengen van effecten en het voorkomen van negatieve gevolgen. Daarbij zullen de onttrekking/infiltratie en de gevolgen daarvan worden beschouwd vanuit het integrale watersysteem inclusief de beleidsdoelen zoals de KRW -doelstellingen, verdrogingbestrijding, beheer strategische zoetwaterreserves en tegengaan van bodemdaling. Met name in het vooroverleg zal het waterschap actief in- brengen dat ook naar alternatieven moet worden gekeken om nadelige gevolgen voor het integrale watersysteem te beperken.

De toepassing van bovengenoemde uitgangspunten is ook afhankelijk van het doel waarvoor de onttrekking wordt uitgevoerd.

Toelichting op de beleidsregel

Bij grondwateronttrekkingen is het vergunningenbeleid afgestemd op:

- het doel waarvoor het grondwater wordt onttrokken en

- de mogelijke schade die kan voortkomen uit een dergelijke grondwateronttrekking.

De volgende gebruiksdoelen worden onderscheiden:

a) Koelwater- en proceswateronttrekkingen.

b) Grond- en grondwatersanering.

c) Bronneringen (bouwactiviteiten en aanleg infrastructuur).

d) Beregening (gietwater voor en bescherming tegen vorstschade van gewassen).

e) Permanente drooglegging (ondergrondse garages, tunnels e.d.).

f) Noodvoorzieningen (bluswater e.d.).

g) Veedrenking.

De effecten van de gevolgen van de onttrekkingen worden beperkt en rekening wordt gehouden met andere belanghebbenden.

Hierbij gaat het om:

a. Gevolgschade zoals:

- Schade aan gebouwen ten gevolge van zetting en verzakking,

- Schade aan gewassen in land en tuinbouw ten gevolge van veranderd waterpeil,

- Schade aan archeologische objecten ten gevolge van drooglegging,

- Schade aan natuur ten gevolge van veranderd waterpeil,

- Ongewenste verspreiding van grond- en grondwaterverontreinigingen ten gevolge van grondwaterstromingen,

- Ongewenste effecten op de hoeveelheid en kwaliteit van de openbare drinkwatervoorraden.

b. Onderlinge beïnvloeding van andere onttrekkingen.

c. Retourbemaling.

Toetsingscriteria

Grondwateronttrekkingen moeten zo doelmatig en duurzaam mogelijk en met de laagst mogelijke hoeveelheid te onttrekken grondwater worden uitgevoerd. De criteria hiervoor zijn afhankelijk van het doel van de onttrekking. Hierbij worden de volgende typen onttrekkingen onderscheiden met hun bijbehorende toetsingscriteria.

1. Koelwater en proceswateronttrekkingen

Grondwater dat wordt toegepast als koelwater en proceswater wordt getoetst aan doelmatig gebruik. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagwaardig en hoogwaardig gebruik. Een nieuwe of uitbreiding van onttrekkingen ten behoeve van doorstroomkoeling wordt niet toegestaan. Er bestaat voorkeur voor hergebruik van koelwater als proces of spoelwater bij bestaande doorstroomkoelsystemen. Ook is er voorkeur voor hergebruik van (gezuiverd) proceswater als spoelwater boven het gebruik van grondwater. Bij de beoordeling van doelmatigheid en alternatieven zal een integrale afweging worden gemaakt tussen alle factoren zoals kosten, milieubelasting, volksgezondheid en natuur.

2. Grond- en grondwatersanering

Een grondwateronttrekking moet voldoen aan de algemene zorgplicht van de Wet bodembescherming. Er moet een zorgvuldige afweging plaatsvinden van saneringstechnieken waarbij het belang van een minimale onttrekking evenredig wordt meegenomen. Een saneringsplan waarbinnen toestroming van schoon grondwater en verdunning van het ontrokken verontreinigde grondwater wordt voorkomen.

3. Bronneringen

Bij bronbemalingen moet worden gestreefd naar minimalisatie van de onttrekking door het aanpassen van bouwtechnieken (onderwaterbeton, damwanden e.d.) en zorgvuldige planning van de bouwwerkzaamheden. Grondwateronttrekking tijdens hoogwater in kwelgebieden moet worden voorkomen. Variabele peilbeheersing door middel dataloggers en gestuurde pompen wordt aanbevolen.

4. Beregening

Bij beregening moet bij voorkeur gebruik worden gemaakt van oppervlaktewater. Als er niet voldoende (schoon) oppervlaktewater aanwezig is of als ten gevolge van langdurige droogte het onttrekken van oppervlaktewater niet is toegestaan kan onttrekking van grondwater worden toegestaan.

5. Permanente drooglegging

Onderbemaling van onbepaalde tijd ten behoeve van drooglegging wordt, ongeacht de grootte van de onttrekking, niet toegestaan. Alleen als door de aanvrager wordt aangetoond dat dit redelijkerwijs niet is te voorkomen en als voldoende door de aanvrager is aangetoond dat het aangevraagde debiet niet aanmerkelijk zal toenemen (door ondeugdelijke constructies of materialen kan vergunning worden verleend.

6. Noodvoorzieningen en veedrenking

Geen beleidsregels

Een grondwateronttrekkingsvergunning is er op gericht om schade te voorkomen. Iedere voorgenomen onttrekking moet voor de volgende thema's aan de daarbij horende criteria worden getoetst:

1) Gevolgschade

Zetting

Volgens NEN 6740 is een klink kleiner dan 0,05 meter onder gebouwen of een klinkverhang kleiner dan 1:300 acceptabel. Als de grondwaterstand niet wordt verlaagd tot onder het niveau van de gemiddelde laagste grondwaterstand wordt er geen ontoelaatbare zetting verwacht.

Als de verlaging niet toelaatbaar is kunnen de volgende maatregelen worden voorgeschreven;

(1) beperken onttrekking door plaatsen damwanden ;

(2) retourbemaling toepassen;

(3) actuele staat van gebouwen opnemen;

(4) monitoren van de staat van bebouwing;

(5) monitoren van de verlaging van de grondwaterstand.

Landbouw

In het algemeen is een verlaging tot 0,05 meter ten opzichte van het bestaande grondwaterpeil ter plaatse van de landbouwgrond toelaatbaar. Bij verlagingen van meer dan 0,05 meter bij landbouwgronden met droogtegevoelige gewassen of grond, of bij kapitaalintensieve gewassen, zoals bij boom- en heesterteelt, kunnen de volgende maatregelen worden voorgeschreven:

(1) beperken onttrekking door plaatsen damwanden;

(2) retourbemaling toepassen;

(3) actuele staat van gewassen opnemen;

(4) monitoren van de staat van gewassen;

(5) monitoren van de verlaging van de grondwaterstand.

De noodzaak tot het nemen van maatregelen is ook afhankelijk van de duur van de onttrekking c.q. peilverlaging en de periode van het groeiseizoen.

Archeologie

In het algemeen is een verlaging tot 0,05 meter ter plaatse van het archeologisch object toelaatbaar. Bij een verlaging van meer dan 0,05 meter ter plaatse van het object vindt afstemming plaats met de Rijks Archeologische Dienst over de toelaatbaarheid van de onttrekking en de te voor te schrijven maatregelen.

Natuur

Veel natte natuurgebieden (zie kaart 11 uit het bijlagenrapport van het Waterbeheerplan 2010-2015) lijden onder verdroging. Een eventuele grondwateronttrekking in (de nabijheid van) deze gebieden kan een negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en/ of grondwaterstroming in die gebieden. Voor de natte natuurgebieden geldt in het algemeen dat een verlaging van de grondwaterstand in het gebied tot maximaal 0,05 meter toelaatbaar is voor tijdelijke onttrekkingen. Permanente onttrekkingen mogen geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand van natte natuurgebieden.

Specifieke regelgeving:

Voor alle Natura 2000 gebieden in het beheergebied van WSRL geldt dat een grondwateronttrekking in de nabijheid hiervan geen (negatieve) invloed mag hebben op de zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied. Veelal betekent dit dat een grondwateronttrekking in (de nabijheid van) een Natura 2000 gebied geen gevolgen mag hebben voor de grondwaterstand en/of grondwaterstroming in het gebied.

In Gelderland zijn beschermingszones natte landnatuur (zie kaart Provinciaal Waterplan) aangewezen. Voor deze beschermingszones geldt dat de inrichting en beheer van het waterhuishoudkundige systeem mede gericht is op:

(1) Het instellen van een peilbeheer en het bepalen van de maximale omvang van grondwateronttrekkingen zó, dat de (benedenstrooms gelegen) natte natuur is veiliggesteld;

(2) Het bewerkstelligen van een minimale nadelige invloed van menselijk handelen op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater;

(3) Het uitsluiten van nadelige effecten van grondwateronttrekkingen en oppervlaktewaterbeheer in de omgeving van de aangewezen gebieden.

De provincie Noord-Brabant kent een specifiek beschermingsbeleid voor alle natte natuurparels (zie kaart 11 uit het bijlagenrapport van het Waterbeheerplan 2010-2015, alle natte natuurparels in Noord-Brabant zijn aangewezen als TOP lijst gebied). Ingrepen in de waterhuishouding (waaronder dus grondwateronttrekkingen) die niet gericht zijn op behoud of versterking van de natuurwaarden zijn niet toegestaan binnen de natte natuurparels én in een zone daaromheen van gemiddeld 75,00 meter in het kleigebied.

Bodemverontreinigingen

In het algemeen zal een verlaging tot 0,05 meter ter plaatse van de grondwaterverontreiniging (bepaald door de contouren van grenswaarde grondwater) geen nadelige gevolgen hebben. Bij een verlaging van meer dan 0,05 meter wordt in overleg met het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming bepaald of de onttrekking toelaatbaar is en de aanvullende maatregelen moeten worden voorgeschreven.

Drinkwatervoorziening

Grondwateronttrekkingen die plaats vinden binnen een grondwaterbeschermingsgebied vinden plaats na afstemming met de provincie en het betreffende drinkwaterbedrijf over de toelaatbaarheid van de onttrekking en de voor te schrijven maatregelen.

Voor permanente onttrekkingen worden in deze gebieden geen vergunningen verleend. Uitsluitend voor tijdelijke onttrekkingen ten behoeve van grond(water)saneringen en civieltechnische bronneringen kan een vergunning worden verleend.

2) Andere onttrekkingen binnen invloedssfeer

De grondwateronttrekking mag geen nadelige invloed hebben op andere grondwateronttrekkingen die binnen de invloedssfeer liggen van de grondwateronttrekking. De gegevens van het Landelijk Grondwater Register zijn hiervoor bepalend.

3) Retourbemaling

Retourbemaling wordt alleen toegestaan om gevolgschade te beperken of te voorkomen.

Retourbemaling is dan ook alleen toegestaan als dit in de vergunning is voorgeschreven.

4) Bijzondere gebieden

In artikel 3.11 van de Keur is als aanscherping op artikel 3.9 het verbod opgenomen om zonder vergunning grondwater te onttrekken of te infiltreren boven een vastgesteld debiet in de navolgende gebieden:

- In de provincie Noord-Brabant voor alle onttrekkingen van meer dan 1 m3 per uur voor zover dit betrekking heeft op beschermde gebieden volgens de waterverordening van de provincie Noord Brabant

- In de provincie Zuid-Holland voor alle onttrekkingen voor zover dit betrekking heeft op milieubeschermingsgebieden volgens de Provinciale Milieuverordening van de provincie Zuid- Holland.

- In bijzondere gebieden zoals aangegeven in de Keur worden geen vergunningen verleend voor permanente onttrekkingen. Uitsluitend worden in die gebieden vergunningen verleend voor tijdelijke onttrekkingen ten behoeve van bouwkundige bronneringen en grond- en grondwatersaneringen.

5.19 Permanente bouwwerken in de kern- en beschermingszone van een waterkering

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen en hebben van bouwwerken in de kern- en beschermingszone van een waterkering.

Verklaring van een aantal begrippen

Onder werken worden ook bouwwerken en gebouwen verstaan. In de meeste gevallen gaat het om gebouwen waarin gewoond of gewerkt wordt, met de inrichtingselementen die daarbij horen.

In deze beleidsregel staan toetsingscriteria voor zowel bouwwerken met een zware/normale fundering bijvoorbeeld een huis, als bouwwerken met een lichte fundering bijvoorbeeld een hekwerk met poeren. Op een lichte fundering is alleen een eenvoudige constructie toegestaan.

Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen (primaire en regionale) binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Bij nieuwbouw in de kern- en beschermingszone van een waterkering worden bijna altijd kabels en leidingen aangelegd. Voor het maken van niet-dijkkruisende huisaansluitingen in de kern- en beschermingszone van een waterkering geldt een algemene regel (bijlage 1, nr. 24).

Voor het leggen van kabels en leidingen in de beschermingszone van een waterkering geldt een aparte beleidsregel (5.20).

Er wordt onderscheid gemaakt in permanente en semi-permanente bouwwerken/objecten.

Semi-permanente bouwwerken zijn niet voorzien van een in de grond aangebrachte, gestorte, geslagen of soortgelijke fundatie en het bouwwerk moet op eenvoudige wijze opgebouwd zijn uit geprefabriceerde en weer op eenvoudige wijze te demonteren elementen. Hierbij gaat het vaak om bouwwerken zoals tuinhuisjes. Voor deze bouwwerken in de beschermingszone geldt een algemene regel (bijlage 1, nr.27).

Voor het aanbrengen van beplanting, wegen en aanbermingen gelden aparte beleidsregels (5.21).

Voor het uitvoeren van interne verbouwingen van panden in de kern- en beschermingszone geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 25).

Voor het maken van diepe boringen voor Koude-Warmte-Opslag (KWO-systemene) geldt een aparte beleidsregel (5.25)

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Voor het plaatsen en hebben van bouwwerken in de kern- en beschermingszone van waterkeringen is het van belang dat de waterkerende functie en de stabiliteit van de waterkering is gewaarborgd, dat het doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering niet wordt bemoeilijkt en dat de dijken in de toekomst versterkt kunnen worden.

Toelichting op de beleidsregel

Waterschap Rivierenland wil in principe geen nieuwe bouwwerken toestaan in de kernzone van waterkeringen. De reden van dit verbod is dat bij een volgende dijkversterking vooral de ruimte in de kernzone van groot belang is.

Nieuw bouwen in de beschermingszone kan alleen als bij de bouwhoogte rekening gehouden wordt met de ruimte die nodig is voor toekomstige dijkversterking. Waterschap Rivierenland zal per geval op basis van de specifieke omstandigheden overwegen welke voorwaarden gesteld moeten worden. Hierbij worden zowel de constructie van de waterkering als de constructie en de functie van het bouwwerk beoordeeld.

Bouwwerken met een lichte fundering in de kern- en beschermingszone van waterkeringen kunnen worden toegestaan als ze horen bij bestaande bebouwing. Dit omdat ze beschouwd worden als inrichtingselement van bijv. de woning. Bijvoorbeeld een tuinmuurtje of tuinhek met lichte fundering. Voorwaarde is wel, dat ze bij toekomstige dijkversterking door of op kosten van de watervergunninghouder weggehaald worden. Ook mogen ze het bestaande leggerprofiel niet doorsnijden.

Waterkerende functie

Eén van de onderdelen van de waterkering is het buitentalud. Het is van groot belang dat het buitentalud bestand is tegen alle vormen van erosie om de waterkerende functie van de waterkering te garanderen. Daarom zal geen watervergunning verleend worden om op het buitentalud bouwwerken aan te brengen. In specifieke situaties kan een uitzondering worden gemaakt. Hiervoor zijn speciale toetsingscriteria.

Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen een extra nadelige invloed hebben op de waterkering. Voor dit soort bouwwerken binnen de kern- en beschermingszone wordt daarom geen watervergunning verleend.

Instandhouding profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.)

Het profiel van vrije ruimte geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige dijkversterking. Bij het beoordelen van watervergunningsaanvragen voor bouwwerken binnen de kern- en beschermingszone, is het belangrijk dat gebouwd gaat worden buiten het profiel van vrije ruimte. Waterschap Rivierenland verstrekt op verzoek een profiel van vrije ruimte. Dit profiel wordt vervolgens met de aanvrager besproken.

In het geval van verbouw van bestaande bebouwing zal het waterschap in het algemeen vergunning verlenen. Uiteraard worden daarbij wel voorwaarden gesteld om de waterkering te beschermen. Ook moet het mogelijk blijven om in de toekomst de waterkering te versterken.

Beheer en Onderhoud

Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het nodig deze periodiek te inspecteren. Bij vergunningsaanvragen zal altijd de toets plaatsvinden of de realisatie van een bouwwerk belemmerend werkt voor de inspectie en toezicht.

Het waterschap wil het dijkonderhoud op een doeltreffende en doelmatige manier uitvoeren. Objecten en/of veranderde inrichtingen van waterkeringen en onderhoudsstroken kunnen de bereikbaarheid voor het onderhoudsmaterieel belemmeren. Bij het toetsen van een watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is.

Toetsingscriteria

Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van semi-permanente objecten in de beschermingszone en voor het uitvoeren van interne verbouwingen van panden in de kern- en beschermingszone gelden algemene regels. Als wordt voldaan aan deze algemene regel(s), is geen watervergunning nodig.

Voor initiatieven die niet aan de algemene regel voldoen, gelden de volgende toetsingscriteria.

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria.

Nieuwbouw

1. In de kernzone is nieuwbouw van bouwwerken met een normale/zware fundering niet toegestaan, tenzij het bouwwerk zodanig is geconstrueerd dat de veiligheid van de dijk voor de komende 100 jaar geborgd is.

2. Permanente bouwwerken, speciale constructies en andere kapitaalsintensieve werken (bijvoorbeeld tennis/golfbanen), inclusief funderingen mogen het profiel van vrije ruimte of het leggerprofiel niet doorsnijden (zie figuur 5 en 6). Een uitzondering hierop zijn de palen van paalfundaties.

3. Beneden het profiel van vrije ruimte en/of het leggerprofiel mogen geen holle ruimtes (kruipruimten of ringbalken) worden gemaakt of aanwezig zijn.

4. Als bouwwerken binnen de beschermingszone, en buiten het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd, moet dat boven het volgens de legger vereiste maaiveld plaats te vinden. Daarbij mag het maaiveld niet worden verlaagd. Wel kan de aanleg van fundatie-/randbalken en vorstranden die horen bij plaatvloeren toegestaan worden als deze niet dieper dan de gebruikelijke vorstvrije (0,60 m. beneden maaiveld) grens worden aangelegd.

5. Afwijking van de beleidsregels ten aanzien van het aanbrengen van werken beneden het maaiveld is alleen mogelijk als aangetoond en eventueel berekend wordt dat hierdoor geen negatieve invloed op de stabiliteit en piping ontstaat.

6. De daadwerkelijke aanleg van het profiel van vrije ruimte nu of in de toekomst moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen werk ontstaat. Ook moet voor toekomstige dijkversterking voldoende werkruimte aanwezig blijven. De aanvrager moet door middel van berekeningen aantonen dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het toekomstige profiel van vrije ruimte.

7. De binnendijkse bebouwing moet, zonder rekening te houden met kabels en leidingen in de kruin of op het binnentalud, minimaal 2,00 meter uit de lijn van het binnentalud van het profiel van vrije ruimte worden aangelegd. (zie figuur 5). [Figuur 5: binnendijks bouwen; red. niet opgenomen in de tekst, zie onder "bijlagen"]

8. Voor de kabel- en leidingenstrook die beschikbaar moet zijn aan de dijkzijde na een eventuele dijkversterking, en de gronddekking die nodig is bij het leggen van kabels en leidingen, moet nieuwbouw op ten minste 4,00 meter uit het binnentalud van het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd (zie figuur 5).

Herbouw

9. Voor de vervanging van een bestaand bouwwerk door een (nagenoeg) geheel nieuwe constructie wordt geen watervergunning verleend tenzij volledig voldaan wordt aan alle waterkeringtechnische eisen.

10. Als minder dan de fundering + 2 buitenmuren van een bouwwerk blijven staan, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.

11. Als voor de herbouw aanpassing van de fundering nodig is, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.

12. Voor ver- of herbouw van een bestaand bouwwerk wordt geen watervergunning verleend als het bouwwerk in het kader van een vastgesteld of al bekend dijkversterkingplan geheel of gedeeltelijk verwijderd moet worden, tenzij het bouwwerk voldoet aan de criteria voor nieuwbouw en de bouwwerkzaamheden de uitvoering van de dijkversterkingswerken niet hinderen.

Uitbreiding

13. Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 100 m3. De inhoud van bij de verbouw/uitbreiding gesloopte stenen ruimtes, mogen hierbij worden opgeteld, mits deze niet zullen worden herbouwd of vervangen. . Voor uitbreiding en van bouwwerken binnen het profiel van vrije ruimte van de waterkeringen langs de Afgedamde Maas geldt in verband met overdimensionering geen beperking voor de grootte van de uitbreiding.

14. In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel van de waterkering worden gerealiseerd. Voor regionale waterkeringen geldt dat een doorsnijding van het beheerprofiel alleen mogelijk is wanneer uit onderzoek is gebleken dat de functie van de waterkering hierdoor niet wordt aangetast.

15. Een uitbreiding van een bouwwerk met meer dan 100 m³ wordt beschouwd als nieuwbouw.

Bouwwerken met een lichte fundering

16. In de kernzone is een bouwwerk met een lichte fundering toegestaan als:

- de onderkant van de constructie niet dieper reikt dan 30 cm, en

- het bouwwerk niet hoger is dan 1,00 meter. Een toegangspoort mag maximaal 2,00 meter hoog zijn.

- Het bouwwerk hoort bij bestaande bebouwing.

17. In de beschermingszone is een bouwwerk met een lichte fundering toegestaan als:

- de onderkant van de constructie niet dieper reikt dan 60 cm;

- er geen doorsnijding van het leggerprofiel is;

- het bouwwerk niet hoger is dan 1,00 meter. Een toegangspoort mag maximaal 2,00 meter hoog zijn.

- Het bouwwerk hoort bij bestaande bebouwing.

Buitendijks bouwen, herbouwen of verbouwen

18.   Voor buitendijks herbouwen gelden de volgende regels:

- als er een p.v.v.r. beschikbaar is, gelden dezelfde criteria als bij binnendijks bouwen;

- als er geen p.v.v.r. beschikbaar is, moet herbouw plaatsvinden buiten het profiel zoals aangegeven in figuur 6. Hierbij mag het bouwwerk nooit dichter bij de waterkering gebouwd worden dan in de bestaande situatie. [Figuur 6: buitendijks herbouwen; red. niet opgenomen in de tekst, zie onder "bijlagen"]

19. voor buitendijkse verbouwing gelden dezelfde regels als voor binnendijkse verbouwingen. Het p.v.v.r. wordt aangegeven in de legger. Als het p.v.v.r. niet beschikbaar is, geldt figuur 6.

Algemeen

20. Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen een extra nadelige invloed hebben op de waterkering Voor dit soort bouwwerken binnen de kern- en beschermingszone wordt daarom geen watervergunning verleend.

5.20 Kabels en leidingen in de kern- en beschermingszone van een waterkering

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-) beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het leggen van kabels en leidingen in de kern- en beschermingszone van een waterkering.

Verklaring van een aantal begrippen

Het waterschap onderscheidt in het kader van deze beleidsregel een aantal groepen kabels en leidingen:

Kabels: Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.

Mantelbuizen (drukloze leidingen): leidingen ter bescherming van (mediumvoerende) leidingen.

Kleine (druk)leidingen: Kleine (druk)leidingen (kleiner of gelijk aan Ø 110 mm en een inwendige druk lager en/of gelijk aan 10 Bar) zijn onder andere vrijverval rioleringen, drainage, mantelbuizen en kleine industriële leidingen.

Grote (druk)leidingen: Grote (druk)leidingen (groter dan Ø 110 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook kabels en leidingen welke onderdeel uitmaken van het hoofdtransportnet. Met name de voorzieningen voor de hoofdtransportnetten worden veelal gezien als kapitaalintensieve werken voor een periode van 50 jaar of meer en/of zijn in de toekomst moeilijk aan te passen. Daarom zijn hiervoor specifieke toetsingscriteria van toepassing.

Er wordt in deze beleidsregel onderscheid gemaakt tussen:

kabels en leidingen die parallel aan de waterkering in de kern- en beschermingszone van een waterkering worden aangebracht en kabels en leidingen die een waterkering kruisen.

Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Voor het maken van niet-dijkkruisende huisaansluitingen op het elektriciteits-,gas-,water-, riool-, en telecommunicatienet voor huizen die in de kern- en beschermingszone van een waterkering liggen, geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 24).

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van kabels en leidingen in de kern- en beschermingszone van een waterkering is het voornamelijk van belang dat de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.

Toelichting op de beleidsregel

De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten. Waterschap Rivierenland is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen binnen de kernzone en de beschermingszone van de waterkering. Het waterschap hanteert de 'nee, tenzij'-benadering bij het toetsen van watervergunningsaanvragen.

Waterkerende functie

Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering.

Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk in de kern- of beschermingszone moeten liggen, buiten die zones aan te leggen.

Kruisingen van leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een leiding die de waterkering kruist, vormt als het ware een tunnel (kwelweg) door of onder de waterkering. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de dijk als de leiding) zo klein mogelijk wordt.

Drainage

Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het leggerprofiel van de waterkering verhoogt echter het risico op aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering. Voor het aanbrengen en hebben van drainage wordt daarom alleen watervergunning verleend als er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.

Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. Het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij waterkeringen moet uitgevoerd worden zoals in de NEN 3650-serie is aangegeven.

2. Als de situatie dat toestaat moeten kabels en leidingen buiten de kern- en de beschermingszones worden gehouden (nee-tenzij principe). Als de gelegenheid zich voordoet, moeten de kabels en leidingen verlegd worden naar een tracé buiten de kern- en beschermingszone.

3. Bestaande tracés in de kern- en beschermingszone van waterkeringen kunnen benut blijven en eventueel uitgebreid wanneer:

- de veiligheid van de waterkering door de aanleg voldoende gewaarborgd blijft en

- wijziging van het bestaande tracé niet in verhouding staat tot het effect wat die wijziging heeft op de veiligheid van de waterkering;

Ook wanner er voldoende overhoogte ten opzichte van het leggerprofiel is, kan een bestaand tracé benut blijven en/of uitgebreid worden.

4. De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van kabel- en leidingwerkzaamheden worden gegarandeerd.

5. Kabels en leidingen mogen geen negatieve invloed hebben (ook niet bij falen) op al aanwezige kabels en leidingen.

6. Kruisingen van de waterkering met kabels en leidingen door middel van de zogenaamde HDD-techniek (horizontaal gestuurde boring) zijn alleen toegestaan als uit grondonderzoeken, kwelwegberekeningen en sterkteberekeningen volgens de NEN 3650-serie blijkt dat de waterkerende functie van de waterkering gegarandeerd blijft.

7. De zogenaamde "rakettechniek" is binnen de kern- en beschermingszone van de waterkering niet toegestaan

8. Bij sleufloze technieken moet een sterkte- en muddrukberekening worden uitgevoerd. Deze berekening moet gebaseerd zijn op in de buurt van de aanleglocatie uitgevoerd grondmechanisch en hydrologisch onderzoek en/of lokaal bekende parameters en dient door het waterschap goedgekeurd te worden.

9. Bij grote (druk)leidingen moet bij een open ontgraving ook een sterkteberekening uitgevoerd worden.

10. De toepassing van mantelbuizen parallel aan de waterkering wordt alleen toegestaan bij situaties waar het volgens de NEN 3650-serie noodzakelijk is. De mantelbuis moet dan buiten het leggerprofiel gelegd worden.

11. Leidingen waardoor als gevolg van falen een verweking- en/of explosiekrater kan ontstaan, moeten volledig buiten het leggerprofiel van de waterkering (incl. bijbehorende veiligheidszone) aangelegd worden.

Kruisingen

12. Kruisingen van kabels en leidingen met waterkeringen moeten de waterkering haaks kruisen. Daarbij moet de leidingkruising door middel van een open ontgraving aangelegd worden.

13. Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan als dit voor de stabiliteit van de waterkering nodig is en wanneer sprake is van glasvezelverbindingen of bundeling van een groot aantal kabels. Hierbij worden speciale eisen gesteld aan mantelbuizen, afdichtingen en voorzieningen daarvan conform NEN 3650-serie.

14. Een leidingkruising moet zodanig ontworpen en aangelegd worden dat:

a. de leiding als één stuk binnen de kern- en beschermingszones aangelegd wordt, en;

b. bij een sleufloze techniek de leiding (in het horizontale vlak) 5,00 meter uit een eerder aangebrachte leiding komt te liggen, en;

c. bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de hele kern- en beschermingszone minimaal 10,00 meter beneden het maaiveld ligt en 5,00 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij conform de NEN 3650-serie hiervan kan worden afgeweken.

15. Een leidingkruising dient drukloos gemaakt en afgesloten kunnen worden. Afsluiters dienen aan de binnendijkse en de buitendijkse zijde geplaatst te worden en dienen ook tijdens hoogwaterperiodes bereikbaar en bedienbaar zijn.

16. Er wordt geen watervergunning verleend om binnen de kernzone een aftakking en/of aansluiting te maken van een dijkkruisende kabel of leiding.

Diversen

17. Kabels en leidingen die gezien worden als een kapitaalintensief werk, met een levensduur van 50 jaar of meer, en/of in de toekomst moeilijk zijn aan te passen (bijv. grote drukleidingen of hoogspanningstracés) en waarvoor geen alternatief tracé beschikbaar is, mogen ter plaatse van de kruin aangelegd worden. Wel dienen deze aangelegd te worden boven het Maatgevend Hoog Water (incl. eventuele veiligheidszone) zoals behoort bij het profiel van vrije ruimte

18. Voor de aanleg van lokale voorzieningen van het openbare verlichtingsnet in en nabij de binnenkruinlijn van de waterkering wordt een watervergunning verleend als de voorzieningen vanwege de verkeersveiligheid noodzakelijk zijn en er verlichtingtechnisch geen alternatief is. Dergelijke voorzieningen zijn in de buitenkruinlijn niet toegestaan.

19. Voor het aanbrengen en hebben van drainage binnen de kern- of beschermingszone wordt alleen een watervergunning verleend wanneer er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.

5.21 Bomen en struiken binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het planten van bomen en struiken binnen de kern- en beschermingszones van waterkeringen.

Verklaring van een aantal begrippen

Bomen en struiken worden vaak geplant om de tuin in te richten of het landschap te verfraaien.

Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Het planten van bomen en struiken is vaak onderdeel van terreininrichting waarbij ook (semi-permanente) bouwwerken/objecten worden aangebracht. Voor het aanbrengen van semi-permanente bouwwerken geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 27).

Voor permanente bouwwerken binnen de kern- en beschermingszones van waterkeringen geldt een aparte beleidsregel (nummer 5.19).

Daarnaast geldt er een algemene regel voor het gebruik van percelen bij waterkeringen als tuin en bouwland (bijlage 1, nr. 22).

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het planten van bomen en struiken is het met name van belang dat de stabiliteit van de waterkering is gegarandeerd en dat er door de groei van wortelstelsels door een kleilaag geen 'piping' ontstaat.

Toelichting op de beleidsregel

Waterkerende functie

Beplanting dringt door de kleilaag en zorgt door het wortelstelsel voor gangen in de waterkering, Daardoor is er een vergroot risico op 'piping'. Ook belemmert schaduwwerking van de beplanting de groei van een goede erosiebestendige grasmat. Daarom is het waterschap zeer terughoudend in het verlenen van watervergunningen voor het aanbrengen van beplanting in de kernzone en ook maar iets minder terughoudend voor het aanbrengen van beplanting in de beschermingszone van de waterkering. Het waterschap hanteert hierbij de 'nee, tenzij'-benadering.

Beheer en onderhoud

Het waterschap wil de waterkeringen goed kunnen inspecteren. Dit gebeurt onder andere door het uitvoeren van visuele controles. Het talud van de dijk is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is visuele controle op uitspoeling door regen of overslaand water van het grondlichaam en van graafactiviteiten van dieren niet meer mogelijk. Daarom wordt geen watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande taludbekleding door een andere vorm van taludbedekking (bijv. antiworteldoek), al dan niet in combinatie met een bodembedekker.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.

Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. De aanwezigheid van de beplanting mag het doelmatig beheer en onderhoud op en nabij de waterkering niet belemmeren.

2. in de kernzone zijn bomen en struiken niet toegestaan

3. Het is niet toegestaan om:

- taludbekleding (gras of harde bekleding) te vervangen door andere bekleding, al dan niet in combinatie met een bodembedekker. Een uitzondering hierop zijn binnendijkse aanbermingen. Zie hiervoor toetsingscriterium 5 en 6;

- in plantgaten voorzieningen aan te brengen voor de beluchting of watervoorziening van aan te brengen beplanting;

- plantgaten voor hagen dieper te maken dan 25 cm beneden bestaand maaiveld;

4. Heggen en hagen mogen niet hoger worden dan maximaal 1,00 meter

5. Als er minimaal 1,00 meter overhoogte aanwezig is mag de erosiebestendige taludbekleding van binnendijkse aanbermingen langs primaire waterkeringen vanaf een afstand van 2,00 meter uit de binnenteen van de waterkering, zoals deze op de legger voorkomt, vervangen worden door andere vormen van taludbekleding.

6. Voor regionale waterkeringen geldt dat bij minimaal 0,50 meter overhoogte de erosiebestendige binnendijkse taludbekleding vanaf een afstand van 1 meter vanaf de binnenteen, zoals deze op de legger voorkomt, vervangen mag worden door andere vormen van taludbekleding.

7. Voor aanplant van bomen kan vanwege het plantseizoen in overleg met het waterschap worden afgeweken van de zogenaamde dijksluitingsperiode. Voor aanplant in deze periode wordt een watervergunning verleend als de aanplant niet tijdens hoogwater plaatsvindt en plantgaten in één werkgang worden gegraven, voorzien worden van beplanting en met uitkomende grond worden aangevuld en voldoende worden verdicht.

8. Voor beplanting op een pipingberm van een primaire waterkering en voor beplanting buiten de kernzone aan de buitendijkse zijde van alle waterkeringen, wordt alleen een watervergunning verleend als er een overhoogte ten opzichte van het leggerprofiel wordt aangebracht (zie tabel onder 2).

5.22 Wegen, parkeerplaatsen en perceelsontsluitingen (op- en afritten, trappen en aanbermingen) in de kern- en beschermingszone van een waterkering

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (hout)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het aanbrengen van werken, zoals wegen, op- en afritten en aanbermingen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen.

Verklaring van een aantal begrippen

Wegen, op- en afritten, trappen en aanbermingen dienen in het algemeen voor de ontsluiting van (bebouwde) gebieden, de bereikbaarheid van bebouwing en de toegang tot landbouwgronden en natuurgebieden.

Parkeerplaatsen zijn nodig om te voorkomen dat auto's in de wegberm parkeren en daarbij de waterkering beschadigen.

Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Wegen en ontsluiting worden vaak gerealiseerd ter plaatse van (nieuw)bouw. Voor bouwwerken in de kern- en beschermingszone van een waterkering geldt een aparte beleidsregel (5.19).

Voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan de openbare wegen op en nabij de waterkering, geldt een algemene regel (bijlage 1, nr. 26).

Kernzones zijn (meestal) eigendom van het waterschap. Daar waar wegen, parkeerplaatsen, op- en afritten op eigendom van het waterschap liggen, is naast een watervergunning ook een privaatrechtelijke overeenstemming met het waterschap nodig.

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van wegen, op- en afritten in de kern- en beschermingszone van waterkeringen is het voornamelijk van belang dat de stabiliteit , en dus ook de waterkerende functie van de waterkering, evenals het doelmatig onderhoud is gewaarborgd.

Toelichting op de beleidsregel

Waterkerende functie

Wegen, op- en afritten, trappen en aanbermingen hebben door hun aanwezigheid en het transport hierover een negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het dijkprofiel, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande grondlichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking.

De fundering en verharding mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding.

Beheer en onderhoud

Trappen, parkeerplaatsen, op- en afritten en aanbermingen tegen het talud van de waterkering maken doelmatig beheer en onderhoud moeilijker. In maaivakken zal de maaimachine voor ieder obstakel moeten wijken en moet handwerk uitgevoerd worden. Bestaande beweidingsvakken kunnen door aanbermingen, trappen en op- en afritten opgedeeld worden. Ook dit is niet wenselijk.

Daarnaast vormen aanbermingen, op- en afritten een extra belasting voor eventueel aanwezige leidingen.

Waterschap Rivierenland is daarom terughoudend in het toestaan van nieuwe aanbermingen, op- en afritten en trappen. Een watervergunning voor de aanleg van aanbermingen, trappen en op- en afritten tegen het talud van de waterkering kan alleen worden verleend als de constructie zo aangelegd wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uit te voeren beheer en onderhoud.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.

Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

1. Bij de aanleg van een nieuwe weg of pad moet rekening gehouden worden met toekomstige dijkversterking.

2. Per perceel gelegen aan de dijk is één ontsluiting toegestaan. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande aanbermingen, op- en afritten en/of trappen, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan, geen watervergunning verleend zal worden voor nieuwe ontsluitingen.

3. Bij splitsing van percelen moet de bestaande ontsluiting gehandhaafd blijven en moet deze voor de opgesplitste delen van het perceel als ontsluiting blijven dienen.

4. Nieuwe ontsluitingen kunnen worden toegestaan als er sprake is van inbreidingsplannen binnen de bebouwde kom. Het aantal ontsluitingen binnen het plan moet dan tot een minimum worden beperkt.

5. Op- en afritten en trappen dienen buiten het leggerprofiel van de waterkering aangelegd te worden en mogen de stabiliteit en de dijkbekleding van de waterkering niet negatief beïnvloeden.

6. Voor een goede aansluiting van materialen van bestaande en nieuwe werken wordt voor tijdelijk werk in het leggerprofiel altijd een watervergunning onder voorwaarden verleend.

7. In gebieden waar door de aanleg van grondophogingen grote zettingen verwacht worden, moet de initiatiefnemer door middel van berekeningen aantonen dat de ophoging geen nadelige gevolgen heeft voor, of kan veroorzaken aan, de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen (bijv. kabels en leidingen) en/of belendende percelen.

8. De wegverharding en onderliggende fundering dient zodanig aangelegd te worden dat de verkeersbelasting voldoende wordt verspreid naar het onderliggende dijklichaam en zonder dat er negatieve effecten op kunnen treden met betrekking tot de constructie en functie van de waterkering. Dit is van toepassing op zowel wegreconstructies als voor aanleg van nieuwe wegen.

9. Op- en afritten mogen worden voorzien van een wegverharding ter breedte van maximaal 2,50 meter met aan weerszijden een berm van maximaal 0,50 meter. De taluds moeten glooiend worden aangelegd in een schuinte van 1:2,5 tot 1:3. Voor bedrijfsmatig gebruik kan (na een goede motivering van de aanvraag) de wegverharding breder worden aangelegd tot maximaal 3,50 meter.

10. Wanneer de op- en afrit in een beheervak van Waterschap Rivierenland wordt aangelegd moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de op- en afrit geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel bij onderhoud door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt.

11. De plaats van aan te leggen trappen en op- en afritten en aanbermingen, moet worden afgestemd op het regulier beheer en onderhoud van de waterkering.

12. De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de aanberming, op- en afritten en trappen moeten in overeenstemming zijn met de bestemming/functie van het aangevraagde werk en mogen geen afbreuk doen aan LNC-waarden . Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op dijktaluds.

13. Voor op- en afritten aan de buitendijkse zijde die haaks op de waterkering zijn gesitueerd, wordt geen watervergunning verleend. Buitendijkse op- en afritten moeten zo worden aangelegd dat zij niet stromingbelemmerend of erosiebevorderend werken. Ook mogen zij geen aanleiding geven tot ophoping van drijfvuil. Richtlijnen en/of eisen op basis van de Waterwet kunnen medebepalend zijn voor het ontwerp en de uitvoering.

14. Voor op- en afritten, aanbermingen en trappen wordt alleen een watervergunning verleend als deze geen onaanvaardbare belasting vormen voor al aanwezige kabels en leidingen. De aanvrager van een watervergunning moet hiervoor een verklaring van geen bezwaar van de betreffende kabel- en leidingbeheerders overleggen. De aanvrager kan ook een bewijs van overeenstemming met de kabel- en leidingbeheerders overleggen over de manier waarop aanvullende voorzieningen door de aanvrager en/of beheerder worden getroffen.

15. Verkeersvoorzieningen, zoals verkeersborden, komportalen en openbare verlichting, worden gezien als een noodzakelijk deel van de openbare weg. Bij de toetsing of een watervergunning verleend kan worden, zal hiermee rekening gehouden worden. Er worden nadere eisen gesteld aan de plaats en manier van uitvoering. Zo wordt voor voorzieningen in het buitentalud of in de buitenkruinlijn geen watervergunning verleend, tenzij de verkeersveiligheid dit nadrukkelijk vereist.

16. De eigenaar van het te ontsluiten perceel en/of aangebrachte voorzieningen moet zorgen voor het onderhoud van de op- of afrit en voorzieningen en is zelf verantwoordelijk voor de kosten daarvan. Hiervoor moet een onderhoudsovereenkomst met het waterschap worden afgesloten.

5.23 Verticale boringen en grond- en milieuonderzoek in de kern- en beschermingszone van een waterkering

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder wordt ook verstaan het uitvoeren van verticale boringen en grond- en milieuonderzoek in de kern- en beschermingszones van een waterkering.

Verklaring van een aantal begrippen

Bij het waterschap komen regelmatig watervergunningsaanvragen binnen voor het verrichten van grond-, geotechnisch-, geohydrologisch onderzoek, of het slaan van pulsen. Bij deze onderzoeken is het vaak nodig om verticale boringen te verrichten voor het nemen van grondmonsters, het plaatsen van peilbuizen of het maken van sonderingen. Ook worden pulsen of verticale boringen uitgevoerd voor bijvoorbeeld waterwinning of, warmte- en koudeopslag.

Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

Grondmechanisch onderzoek wordt vaak uitgevoerd in het kader van nieuwbouw. Voor het realiseren van nieuwbouw in de beschermingszone van een waterkering geldt een aparte beleidsregel (5.19).

Boringen worden geregeld uitgevoerd bij de aanleg van kabels en leidingen. Ook hiervoor geldt een aparte beleidsregel. (5.20)

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen en grond- en milieuonderzoek is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.

Toelichting op de beleidsregel

Waterkerende functie en stabiliteit

De af- en/of ontgravingen voor dergelijke verticale boringen en onderzoeken kunnen invloed hebben op de waterkering. Vooral in kwel en piping gevoelige gebieden kan het zeer nadelig zijn wanneer het afdichtende kleipakket van een waterkering wordt geperforeerd. Hierdoor kan er kortsluiting ontstaan tussen de watervoerende lagen, waardoor het risico van piping toeneemt. Ook kunnen trillingen van seismische onderzoekmethodes onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.

Sonderingen, (peil)buizen voor grond- en grondwateronderzoek.

1. Tenzij het voor andere doeleinden strikt noodzakelijk is, mogen er geen sonderingen of grondboringen uitgevoerd worden binnen de invloedslijnen van piping.

2. Als toch binnen de invloedslijnen van piping onderzoek gedaan moet worden, moet bij voorkeur een plek uitgezocht worden waarbij het intredepunt boven Maatgevend Hoog Water (MHW) ligt. Dit geldt voor zowel binnen- als buitendijkse boringen.

3. (Peil)buizen die langer blijven staan dan 35 dagen, of blijven staan in het gesloten seizoen, moeten worden voorzien van een kwelscherm. Hiervoor worden voorschriften in de watervergunning opgenomen.

4. Voor de uitvoering van minder dan 20 sonderingen en/of grondboringen kan worden volstaan met een schriftelijke melding. Deze melding moet in elk geval informatie bevatten over de uit te voeren werken, de exacte locatieaanduiding, dieptegegevens en het voorgenomen tijdstip van uitvoering. De toestemming wordt dan verleend middels een toestemmingsbrief. Deze sonderingen en/of grondboringen mogen gedurende het gehele jaar uitgevoerd worden, tenzij de rivierwaterstanden hoger zijn dan in de volgende tabel aangegeven:

(Verwachte) waterstanden waarbij grondonderzoek in de kern- en beschermingszones van primaire en regionale waterkeringen niet is toegestaan

Benedenrivierengebied (ten westen van de lijn Schoonhoven, Werkendam en Geertruidenberg)

waterkeringen langs alle riviertakken Dordrecht ≥2,00 m NAP verwachtingsduur: 2 dagen (en/of wanneer de uiterwaard onder water is gelopen / dreigt te lopen)

Bovenrivierengebied (ten oosten van de lijn Schoonhoven, Werkendam en Geertruidenberg) waterkering langs de Rijn en vertakkingen Lobith ≥13,00 m NAP verwachtingsduur: 4 dagen

waterkering langs de Maas en vertakkingen Mook ≥9,50 m NAP verwachtingsduur: 4 dagen

(en/of wanneer de uiterwaard onder water is gelopen/dreigt te lopen)

5. voor de uitvoering van meer dan 20 sonderingen en/of grondboringen moet een watervergunning worden aangevraagd.

Overige onderzoek

6. Voor seismische onderzoeken binnen de kern- en beschermingszones van waterkeringen wordt geen watervergunning verleend. In de buitenbeschermingszone wordt alleen watervergunning verleend als de uitvoering van deze onderzoeken buiten de dijksluitingsperiode en buiten hoogwaterperioden gebeuren en aangetoond wordt dat de trillingen geen nadelige invloed zullen hebben op de waterkerende functie van de waterkering.

7. Proefsleuven voor archeologisch onderzoek moeten zover mogelijk uit de waterkering worden gegraven. Hiervoor is altijd een watervergunning nodig.

5.24 Afgravingen in buitenbeschermingszones van waterkeringen

Kader

Keur

Deze beleidsregel betreft keurartikel 3.1 vierde lid:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden in de beschermingszones van een waterkering;

afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten;

werken met een overdruk van 10 bar of meer te brengen en te hebben;

explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben.

Verklaring van een aantal begrippen

Onder afgravingen worden ook ontgrondingen verstaan. Ontgrondingen in buitenbeschermingszones van waterkeringen worden veelal uitgevoerd ten behoeve van zandwinning. Maar ook het maken van een (diepe) parkeerkelder in de beschermingszone valt onder deze beleidsregel.

Voor welke watekeringen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland, waarlangs zich buitenbeschermingszones bevinden, zoals in de legger van Waterschap Rivierenland is opgenomen.

Raakvlakken met ander beleid

Om voor de ontgrondingsbedrijven uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit Waterschap Rivierenland aan bij de CUR-aanbeveling 'Oeverstabiliteit bij zandwinputten', welke is opgesteld voor ontgrondingen.

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij ontgronding is het van belang dat er geen verschuivingen van de oever en/of het dijklichaam optreden, waardoor de stabiliteit en daarmee de waterkerende functie van de waterkering negatief zou kunnen worden beïnvloed.

Toelichting op de beleidsregel

Waterkerende functie

Ontgrondingen kunnen op een aantal manieren gevaar opleveren voor de waterkering. Het heeft vooral invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bij een ontgronding is het mogelijk dat een groot deel van de oever of de wand van een bouwput instort. Als deze instortingen in de buurt van waterkeringen zijn, kunnen ze een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.

Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.

1. bij ontgrondingen buitendijks moet de volgende afstand tot de waterkering aangehouden worden:

- binnen 50 meter van de buitenteen van de waterkering is geen ontgronding toegestaan;

- tussen 50 en 100 meter van de buitenteen van de waterkering is ondiepe ontgronding alleen toegestaan als de ontgronding boven de gemiddelde zomerwaterstand plaatsvindt en een minimaal kleidek van 1,50 meter aanwezig blijft, of verdicht wordt aangebracht.

- Binnen 100 meter van de buitenteen van de waterkering zijn diepe ontgrondingen niet toegestaan;

2. in de buitenbeschermingszone zijn (diepe) ontgrondingen alleen toegestaan, als door het hydrologisch en geotechnisch onderzoek is aangetoond dat er geen negatief effect is op de algehele standzekerheid van de waterkering

3. Voor alle (diepe) ontgrondingen geldt dat de CUR-aanbeveling 130 gehanteerd wordt bij het ontwerpen en toetsen van de uit te voeren ontgronding.

5.25 Boringen voor bodemenergiesystemen en pulsen in de kern- beschermings- en buitenbeschermingszone van waterkeringen

Kader

Keur

Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 lid 1 onder a, 3.1 lid 4 en 3.1 lid 5

Artikel 3.1 lid 1.a zegt dat het zonder vergunning van het bestuur verboden is gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten.

Het zonder vergunning plaatsen of hebben van een werk binnen het profiel van vrije ruimte van een waterstaatswerk is volgens art. 3.1 lid 5 niet toegestaan

Ook zijn, zonder vergunning, afgravingen in de buitenbeschermingszone niet toegestaan. (artikel 3.1 lid 4). Het maken van diepe boringen voor een bodemenergiesysteem, valt daar ook onder.

Waterschap Rivierenland krijgt in toenemende mate te maken met aanvragen voor het maken van boringen voor bodemenergiesystemen in de vorm van Koude Warmte Opslag (KWO) voor gebouwen van bedrijven en particulieren die in de nabijheid van de waterkering staan. Voor het aanbrengen van bodemenergiesystemen moeten allerlei voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waterkerende functie van de dijk wordt aangetast.

Verklaring van een aantal begrippen

Onder werkzaamheden worden in dit geval activiteiten verstaan waardoor waterstaatswerken en hun beschermingszones veranderen. Ook activiteiten die geen verandering tot doel hebben, maar waardoor er toch veranderingen in de waterstaatswerken of hun beschermingszones optreedt, vallen onder dit begrip.

Er zijn 2 typen koude-warmte opslag (KWO) systemen:

- open systeem; hierbij wordt daadwerkelijk water opgepompt en teruggevoerd in de bodem. De warmteoverdracht vindt boven de grond plaats;

- gesloten systeem of bodemwarmtewisselaars; hierbij wordt vloeistof rondgepompt in een gesloten systeem in de bodem. Warmte overdracht vindt dus in de bodem plaats.

Deze beleidsregel gaat ook over ondiepe grondwateronttrekkingen, bijvoorbeeld voor veedrenking en beregening.

Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?

Deze beleidsregel geldt voor alle waterkeringen (primair zowel als regionaal) binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Raakvlakken met ander beleid

KWO systemen maken gebruik van diepe boringen, maar uiteindelijk moeten ook leidingen naar de woning aangelegd worden. Voor het leggen van leidingen geldt een aparte beleidsregel (5.20)

Soms is de KWO systeem onderdeel van een nieuwbouwproject. Voor het realiseren van nieuwbouw in de beschermingszone van een waterkering geldt een aparte beleidsregel. (5.19)

Naast de vergunning op grond van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 is voor het plaatsen van een KWO systeem een Watervergunning op grond van de art. 6.4 Waterwet (onttrekken van grondwater) nodig. Dit geldt voor zowel open- als gesloten systemen. De provincie is hiervoor bevoegd gezag.

Omdat een aanvraag om vergunning gaat over een activiteit waarvoor meer dan één bestuursorgaan bevoegd is, is er sprake van samenloop. Het hoogste gezag beslist in principe op de aanvraag, tenzij anders is overeengekomen. Voor KWO systemen in de kern- beschermings- en buitenbeschermingszone van de waterkering zal in het algemeen het waterschap een beslissing nemen op de aanvraag. De provincie heeft dan een adviserende rol.

Doel van het beleid

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.

Het waterschap beoordeelt de gevolgen van de werkzaamheden. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning afgegeven.

Toelichting op de beleidsregel

Waterkerende functie en stabiliteit

Voor een KWO dient er meestal een fors boorgat te worden gemaakt, moeten er leidingen in het boorgat worden gemaakt, dienen de afdichtingen tussen boorbuis en bodem betrouwbaar te zijn en moet dit alles aan het eind van de levensduur van het bodemenergiesysteem weer afgedicht worden. Deze constructie mag per definitie de werking van de waterkering niet aantasten. Daarom zijn er toetsingscriteria en zullen er aan de vergunning voorschriften worden verbonden.

Toetsingscriteria

Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria voor waterkeringen getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.

Algemeen:

- Alle leidingen dienen te voldoen aan NEN 3650 en minimaal te bestaan uit HDPE, SDR 11.

- In de vergunning zullen voorschriften worden opgenomen voor het buiten gebruik stellen van het KWO systeem;

- Voor inspectie bij hoogwater moeten de bronnen te allen tijde bereikbaar zijn;

- KWO boringen zijn ook in de buitenbeschermingszone van de primaire kering vergunningplichtig.

Plaats van de boringen

- KWO boringen zijn in de kernzone niet toegestaan.

- De boringen moeten zo ver mogelijk uit de dijk gesitueerd worden.

- De boringen mogen het profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) WEL doorsnijden.

- De afwerking van de boring (zie principetekening), de warmtewisselaar, de ontvang- en verdeelput moeten worden geplaatst BUITEN het p.v.v.r.

de overige horizontale onderdelen, zoals kabels, toevoerleidingen en dergelijke naar het gebouw, mogen in het profiel van vrije ruimte worden aangebracht. Deze leidingen mogen niet dieper in het maaiveld ingegraven worden, dan strikt noodzakelijk (maximaal 80-100 cm).

- Het plaatsen van een KWO installatie bestaande uit meerdere diepe boorgaten met grote diameter dicht bij elkaar evenwijdig aan de lengterichting van de dijk verhoogt het risico op instabiliteit van de waterkering. Daarom moet de richting van de bronnenlijn altijd loodrecht op de referentielijn van de waterkering worden uitgezet.

het KWO systeem moet altijd aan dezelfde zijde van de waterkering worden geplaatst als het object waarvoor het geïnstalleerd wordt.

Boren en afdichten

- De boormethode moet zo zijn, dat er een minimale hoeveelheid grond wordt opgeboord in verhouding tot de omvang van het boorgat;

- Er moet een boormethode toegepast worden waarbij een boorspoeling (bijvoorbeeld bentoniet) wordt gebruikt, waarmee ook in onsamenhangende grond (zand- en grintlagen) de standzekerheid van de boorgatwand gegarandeerd is.

- Voor het opvangen van de boorvloeistof mogen geen ontgravingen worden gedaan.

- De ruimte tussen de boorgatwand en de verticale filterleiding moet worden opgevuld met een uithardende boorvloeistof, zoals bentoniet-cement of gelijkwaardig.

Bij gesloten systemen moet bij voorkeur geen filtergrind worden gebruikt. Als dit wel wordt gebruikt, mag dit tot maximaal 15,00 meter boven het "geluste"deel van de buis. Daarna moet het boorgat verder worden opgevuld met uithardende boorvloeistof.

Bij open systemen mag maximaal vanaf 3,00 meter filtergrind worden gebruikt boven het geperforeerde deel van de filterbuis. Daarna moet het boorgat verder worden opgevuld met uithardende boorvloeistof.

  • Als na het boren de mantelbuis blijft staan, moet deze vanaf maaiveld een lengte van 2,00 meter langer dan de deklaagdikte hebben, met een minimum van 4,00 meter.

  • Rondom de mantelbuis moet een kleikist en kunststof kwelscherm worden aangebracht. De kleikist moet van categorie I klei zijn met een minimale dikte en breedte rondom van 1,00 meter. Het kwelscherm moet ook een breedte hebben van 1,00 meter rondom de mantelbuis en worden vastgezet met een klem.

  • In de situatie dat na het boren de mantelbuis wordt gelicht, moet het resterende boorgat verder worden opgevuld met de uithardende boorvloeistof. Een kleikist of kwelscherm is dan niet nodig.

  • Extern professioneel toezicht op en schriftelijke verslaglegging van de uitvoering is op kosten van de aanvrager verplicht; Het toezicht moet minimaal bestaan uit:

- directe betrokkenheid bij de beoordeling van het werkplan;

- aanwezigheid bij de 1e boring. Controle of het aangeleverde werkplan gevolgd wordt (beoordeling kwaliteit, controle boorprofiel, inschatten voorraden);

- controle op samenstelling boorvloeistof tijdens het boren en samenstelling bentoniet-cement mengsel tijdens het opvullen (ook controle op inbrengen HDPE-buis, trekken mantelbuis);

- steekproefsgewijze aanwezigheid voor controle of er gewerkt wordt conform de vergunning;

  • De verslaglegging van het toezicht op het werk dient uiterlijk 2 weken na beëindiging van het werk bij het waterschap te zijn aangeleverd;

Aanvullende criteria voor open systemen

  • De mate van risico op de waterkering dient gekwantificeerd te worden met een 3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en situering van de onttrekkings- en retourfilters. Dergelijke berekeningen zijn verplicht. Het risico als gevolg van temperatuursverandering is klein en hoeft niet meegenomen te worden in de berekening.

  • Om de kans op fluctuaties in het freatisch grondwater door het gebruik van de KWO-installatie tot een minimum te beperken, moeten de filters van open KWO-systemen op grote diepte in het tweede of nog dieper gelegen watervoerend pakket worden geplaatst, onder dikke scheidende lagen.

  • Aanvrager moet in het grondwatermodel ook aantonen dat de freatische grondwaterstand als gevolg van het KWO-systeem niet hoger dan 0,50 m onder maaiveld, niet hoger dan het heersend polderpeil en niet lager dan de laagst gemeten freatische grondwaterstand komt.

Criteria voor pulsen

  • ondiepe pulsen voor bijvoorbeeld veedrenking of beregening, moeten worden geplaatst buiten de kernzone en buiten de invloedslijnen piping en stabiliteit.

  • Boorgaten moeten worden afgedicht met een kleikist (1,00 x 1,00 m) EN een kwelscherm.

  • Het plaatsen van pulsen is ook in de buitenbeschermingszone vergunningplichtig.