Beplanting, bomen, struiken, heggen aanbrengen en onderhouden

Beschrijving

Voor werken en werkzaamheden in, op en in de buurt van wateren, waterkeringen en wegen die in beheer van Waterschap Rivierenland zijn, heeft het waterschap regels opgesteld. Deze regels zijn in de verbodsverordening van het waterschap, de Keur Waterschap Rivierenland 2014, uitgewerkt. De keur geeft het waterschap de grondslag voor het stellen van eisen aan werken en werkzaamheden in, op en in de buurt van wateren, waterkeringen en wegen.
Voor dit soort werken en werkzaamheden is een vergunning van het waterschap nodig. Voor een groot aantal veel voorkomende werken en werkzaamheden is een schriftelijke melding voldoende. Het waterschap heeft hiervoor zogenoemde algemene regels opgesteld.

Wilt u beplanting, bomen, struiken of heggen plaatsen en/of onderhouden? Dan hebt u toestemming nodig van het waterschap. Als u voldoet aan de voorwaarden van de algemene regels respectievelijk voor  waterkering (WK1) en/of weg (WE6) en principetekening 2, dan kunt u volstaan met een melding. Ook voor het verwijderen is een algemene regel (WW1) vastgesteld.
Voor het aanplanten en behouden van bomen bij een water is er geen vergunningsplicht en ook geen meldingsplicht mits wordt voldaan aan de voorwaarden en criteria van algemene regel WT10.

Indien dit niet het geval is, zult u een (water)vergunning moeten aanvragen. Een dergelijke aanvraag zal worden getoetst aan de Keur Waterschap Rivierenland 2014 en de bijbehorende beleidsregels 5.5: 'Het plaatsen van objecten in en langs oppervlaktewaterlichamen', 5.20: 'Bomen en struiken en laagblijvende beplanting binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone' en 5.25: 'Objecten, werkzaamheden en wijzigingen in gebruik wegen'.

Kosten

Voor de behandeling van een melding worden geen kosten in rekening gebracht.
Aan het in behandeling nemen van een vergunningsaanvraag zijn kosten (leges) verbonden. Deze kosten zijn gebaseerd op de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel (zie Regelgeving). 

Bijzonderheden

Waterkering

Waterkerende functie

Bij de toetsing of bomen, struiken en planten invloed hebben op de waterkering, zijn drie aspecten belangrijk:
1.  schaduwwerking. Door schaduwwerking kan het gras, de standaard taludbekleding, onder bomen en struiken minder goed groeien. De erosiebestendigheid van het talud komt hiermee in gevaar. Daarom wordt er in de toetsingscriteria voor bomen en struiken een horizontale afstand tot het leggerprofiel aangehouden.
2. stabiliteit. Om de stabiliteit van een dijk te garanderen, is een bepaalde afmeting (hoogte en breedte) van die dijk nodig. Dit heet het ‘leggerprofiel’. Doorsnijding van dit leggerprofiel met bijv. een wortelkluit van een boom of struik, maakt de dijk minder stabiel (en dus minder veilig). Omgewaaide bomen kunnen door het ontstane gat van de wortelkluit de dijk ernstig beschadigen. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.
3. piping. Piping is het verschijnsel dat water en zand onder de dijk door komt via waterdoorlatende lagen. Hierdoor ontstaan tunnels onder de dijk. Kleilagen in en onder de dijk voorkomen piping. Er bestaat gevaar dat het wortelstelsel van bomen en struiken door deze kleilagen heendringt. Hierdoor neemt de kans op piping toe. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.
Bij boezemkades is er op dit moment geen invloed van piping bekend, bij primaire en andere regionale waterkeringen (zoals de Lingedijken) wel.

Beheer en onderhoud

Het talud van de dijk is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Het waterschap wil de waterkeringen goed kunnen inspecteren.  Medewerkers komen ter plaatse kijken of de dijk beschadigd is. Bijvoorbeeld door uitspoeling door regen of overslaand water of door graafactiviteiten van dieren. Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is controle door medewerkers niet (goed) mogelijk. Daar­om wordt geen watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande talud­bekleding door een andere vorm van taludbedekking (bijv. anti-worteldoek). Ook niet in com­bi­natie met een bodem­bedekker

Wateren

Doorstroming, waterberging en waterkwaliteit

Sommige objecten bevinden zich vanuit hun functie in het natte profiel van A-wateren, waardoor ze van invloed kunnen zijn op de doorstroming en de waterberging. Hoe groter het object, hoe meer de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt beïnvloed en hoe meer waterberging er wordt weggenomen. Daarnaast kan het materiaal waaruit het object bestaat of de manier waarop het object wordt geplaatst, van invloed zijn op de waterkwaliteit. Aangezien objecten sterk verschillend kunnen zijn, zal iedere aanvraag hierop apart getoetst worden.

Onderhoud

Objecten die binnen de beschermingszone van A-wateren worden geplaatst kunnen het doelmatig onderhoud van die oppervlaktewaterlichamen belemmeren. De beschermingszone heeft tot voornaamste doel dat machinaal onderhoud kan plaatsvinden. Daarnaast bestaat de kans dat maaisel en baggerspecie via het talud terug in het oppervlaktewaterlichaam glijdt wanneer er sprake is van een (te) smalle beschermingszone. Objecten binnen de beschermingszone zijn dan ook in principe niet gewenst.

Stabiliteit

Een object kan van invloed zijn op de stabiliteit van het talud van een oppervlaktewaterlichaam, als het object te dicht op de insteek van het oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst. Het talud zou daardoor kunnen verzakken, waardoor de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam vermindert. Daarnaast zou materiaal, afkomstig van het object, in het oppervlaktewaterlichaam terecht kunnen komen, wat weer van invloed kan zijn op de waterkwaliteit.

Wegen

Het uitgangspunt is dat de wegbermen zo veel mogelijk vrij blijven van obstakels in verband met de veilig­heid voor de weggebruikers en meer algemeen de bruikbaarheid van de weg. Hoe ver beplan­ting uit de kant van de voor het verkeer bestemde banen moet staan, hangt voornamelijk af van de functie van de weg. Beplanting dicht bij de rijbaan geeft een visuele versmalling waardoor de snelheid van het verkeer af­neemt. Dit geeft vaak een verbetering van de verkeersveiligheid. De beplanting mag echter geen bots­onvriendelijk obstakel vormen. Als de diameter van takken en stammen kleiner is dan 8 cm mag de struik of heg geplant worden binnen zone C, als aangegeven op principetekening 2. Voor de verschillende wegen is deze afstand aangegeven op de afbeelding in de bijlage van de keur. Voor de veiligheid van het verkeer en de staat van de weg is het van belang dat het waterschap toezicht kan uitoefenen tijdens het planten van de heggen en struiken.

Aanpak

Voldoet u aan de criteria en voorwaarden?

Dan volstaat een melding bij het waterschap. Minimaal twee weken voor de start van de werkzaamheden meldt u uw werkzaamheden bij het waterschap. 

Voor het aanplanten en behouden van bomen bij een water (algemene regel WT10) is er geen meldingsplicht. 

Voldoet u niet aan de criteria en voorwaarden?

Vraag dan een (water)vergunning aan.

Omgevingsloket online

U moet uw vergunningsaanvraag of melding indienen via het Omgevingsloket online (OlO). Wie twijfelt of een vergunning- of meldplicht van toepassing is, kan dit uitzoeken in de ‘vergunningcheck'. Is voor een activiteit zowel een omgevingsvergunning als een (water)vergunning nodig? Dan kan via het loket een‘geïntegreerde' aanvraag worden ingediend.

Het waterschap denkt met u mee

Vaak is het verstandig vooraf te overleggen met het waterschap; dat bevordert een vlotte afhandeling. In geval van twijfel: neem altijd contact op met de afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland (telefoon: 0344 - 649 494; email: vergunningen@wsrl.nl). Medewerkers van het waterschap denken graag met u mee over wat in uw situatie de beste oplossing is.