Ecologisch werkprotocol watergangen

Maaien watergangen en onderhoudspaden

Werkzaamheden

  • Categorie: Bestendig beheer en onderhoud
  • Type werken: Maaien watergangen en onderhoudspaden
  • Uitvoering: Jaarrond van toepassing

Werkgebied en beschermde soorten

De werklocatie en de hierbij aanwezige beschermde soorten (verspreidingsinformatie) zijn weergegeven in de ‘maaiapp’. De maaiapp is de digitale maaikaart van Waterschap Rivierenland waarop staat aangegeven welke watergangen wanneer en hoe gemaaid moeten worden. Hierbij is ook aangeven welke beschermde soorten (in de buurt) hierbij aanwezig zijn (gebaseerd op waarnemingen uit de Nationale Database Flora en Fauna). Deze maaiapp is voor elk betrokken medewerker voor en tijdens de uitvoering beschikbaar.

Werkvoorschriften

  1. Bij het maaien van de watergang binnen het groeiseizoen (15 maart tot 1 november) wordt tenminste 25% gespaard van de vegetatie in het natte profiel en 50% van de vegetatie in het droge profiel (habitatbenadering gedragscode), e.e.a. zoals bepaald en weergegeven in bestek, de maaiapp en de maaiprofielen, tenzij specifiek is aangegeven dat het hele profiel gemaaid moet worden (uitzonderingen).
  2. De maaihoogte wordt afgesteld op 10 cm boven maaiveld, het talud en de waterbodem.
  3. Bij het maaien mag er niet worden geklepeld, tenzij het waterschap dit specifiek voorschrijft.
  4. Bij rijdend maaionderhoud stapvoets rijden en zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande onderhoudspaden.
  5. Werkzaamheden bij daglicht uitvoeren.
  6. Er wordt één kant op gewerkt, en indien aan de orde van de dichte zijde naar het open water of gebied werken, zodat dieren kunnen wegvluchten.
  7. De waterbodem en het talud ongemoeid laten, niet beschadigen of platdrukken. Bij rijdend onderhoud geen rijsporen veroorzaken.
  8. Maaisel buiten de insteek deponeren. Niet alleen vanwege de Keur maar ook omdat het talud het leefgebied is van waterspitsmuis en noordse woelmuis (beschermde soorten).
  9. Bij varend maaionderhoud niet gebruik maken van sleepmessen (maar knipmessen), tenzij het waterschap/bestek dit specifiek voorschrijft.
  10. De maaikorf is niet breder dan 5,50 meter. Zodat de vissen tijdens het omhoog halen van de maaikorf voldoende tijd hebben om via de zijkanten te vluchten. Daarnaast voorkomt dit onnodige taludschade, doordat het profiel beter gevolgd kan worden.
  11. De maaikorf niet te snel uit het water ‘omhooghalen’, maar vissen (en andere fauna) de gelegenheid geven om te vluchten. Vissen welke desondanks toch uit het water zijn geschept (zoals op de kant ‘spartelende’ vissen) direct terugzetten (algemene zorgplicht).
  12. Niet schonen bij watertemperaturen rond of onder het vriespunt, of als deze hoog zijn (watertemp. >25˚C of luchttemp. >30˚C).
  13. Op de kant gedeponeerd(e) maaisel minimaal 48 uur laten liggen voordat het wordt opgeruimd, zodat amfibieën kunnen vluchten.
  14. Aangetroffen broedende vogels, in gebruik zijnde nesten en eieren altijd sparen, ook buiten het broedseizoen.
  15. Broedende vogels niet verstoren door altijd op alarmerende vogels en hun nesten te letten.
  16. Niet in gebruik zijnde nesten altijd sparen, ook buiten het broedseizoen.
  17. Hopen maaisel of blad welke al langer op de kant liggen ongemoeid laten. Dit kunnen broedhopen van de ringslag zijn. Alleen ‘vers’ maaisel opruimen indien dit nodig is.
  18. Aanwezige krabbenscheer voor tenminste 50% sparen. Voor het verwijderen van krabbenscheer foto’s maken van de situatie en deze foto’s samen met een kaart waarop de locaties van de krabbenscheer staan aangegeven, documenteren.
  19. Aanwezige nesten van ijsvogel en oeverzwaluw jaarrond sparen door de oevers niet te beschadigen.
  20. Binnen een straal van 50 meter rondom een bewoonde burcht/hol van een bever, otter of das alleen maaionderhoud uitvoeren op aanwijzing van het waterschap.
  21. Daar waar het hele profiel machinaal gemaaid moet worden (uitzonderingen) moet er voor-en nagelopen worden (dus niet bij handwerk). Het voorlopen hoeft alleen binnen het broedseizoen te gebeuren, het nalopen moet altijd (jaarrond) gebeuren. Het voor- en nalopen moet als volgt worden uitgevoerd:
    1. Bij het voorlopen (alleen binnen broedseizoen, 15 maart tot 15 juli, van toepassing) moet door middel van een controle voorafgaand aan het maaien worden vastgesteld dat de genoemde objecten vrij zijn van broedende vogels en hun nesten. De nesten worden kort voor het maaien gemarkeerd en ontzien bij het maaien (indicatie: 5 meter rond het nest niet maaien). De markering wordt direct na de werkzaamheden verwijderd. De (voorzorgs)maatregelen worden, met het oog op controle door handhavende instanties, goed gedocumenteerd.
    2. Bij nalopen (jaarrond van toepassing) moet het maaisel direct na het maaien worden geïnspecteerd op juridisch beschermde soorten en deze direct worden teruggezet in de watergang. Voorwaarde voor het nalopen is dat dit wordt uitgevoerd met voldoende mankracht, wat betekent dat minimaal één extra persoon meeloopt om organismen zo snel mogelijk terug te kunnen plaatsen. Overigens heeft het ook in dit geval nut sparende technieken toe te passen als het aanpassen van de snelheid zodat minder dieren op de kant komen.
  22. Het maaien van onderhoudspaden uitvoeren buiten het broedseizoen (na 15 juli).

Opmerkingen 

  • Zorg ervoor dat dit werkprotocol tijdens de hele uitvoeringsperiode op de werklocatie aanwezig is en bij alle bij de werkzaamheden betrokkenen bekend is.
  • Wanneer tijdens de uitvoering bijzonderheden of afwijkingen in de werkvoorschriften optreden die niet worden genoemd in dit werkprotocol en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat ze schadelijk zijn voor aanwezige soorten en/of natuurwaarden, communiceer dit zo spoedig mogelijk met een deskundige ecoloog en de toezichthouder van het waterschap, zodat tijdig overleg over passende maatregelen kan plaatsvinden.