Het schemert al, als in de late middag van 2 december 1944 ontploffingen te horen zijn. Duitse militairen blazen gaten in de rivierdijken: het water moet de geallieerden uit de Betuwe en de Ooijpolder houden.

In de Ooijpolder moet de Erlecomse Dam het bezuren, in de polder wordt ook de oude rivierdijk bij de Thornse Molen opgeblazen. Zo moet het water zich een weg banen richting Kleve. In de Betuwe is het de Rijndijk bij Elden die de lucht in gaat, net als de lager gelegen Griftdijk. Hier moet het water het geallieerde bruggenhoofd in de Betuwe wegspoelen. De Duitsers noemen het Fall Storch (Operatie Ooievaar).

De Drielse Rijndijk in 1940 en 1945 (NIMH).

Liniedijk te zwak

De Duitsers proberen de inundaties te controleren. Maar het water laat zich niet sturen. Bij Erlecom is het gat te ondiep. Bij Elden staat het Rijnwater wel hoog genoeg tegen dijk als de explosie er een gat in blaast. Het water kolkt naar binnen. Binnen een dag staat de Overbetuwe blank, de geallieerden trekken zich terug naar de Waaldijk. Elke dag rukt het water verder op naar het westen: op 4 december in Zetten, dan Herveld. Op 6 december staat het tegen de Liniedijk tussen Kesteren en Ochten, onderdeel van de Grebbelinie. De Duitsers gokken er op dat die het water zal keren. De dijkgraven Tap (Overbetuwe) en Mijnlieff (Tielerwaard) waarschuwen dat de Liniedijk te zwak is. Net als de westelijke dijk van het Amsterdam-Rijnkanaal, waarvan de aanleg in de oorlog stil viel.

Kanaaldijk houdt het net

De Liniedijk begeeft het inderdaad meteen, op 8 december staan ook Lienden en Maurik onder water. Een nooddijkje rond een Duits veldhospitaal in Rijswijk begeeft het op 9 december. De hoop is nu gevestigd op de kades van het Amsterdam-Rijnkanaal bij Tiel, waarvan de aanleg in de oorlog kwam stil te liggen. De westelijke kade wordt in allerijl met man en macht versterkt, ook de achterliggende polderdistricten springen bij; deze dijk houdt het, maar via de Linge zet kwelwater toch het lage gebied van Zoelen blank. Pas de oude Aalsdijk bij Buren keert de vloed.

Hoogwater rondom Arnhem, februari 1945 (NIMH).

IJzige binnenzee

Het gebied achter de Liniedijk was door de Duitsers nog niet geëvacueerd, dat gebeurt nu alsnog. Wat achterblijft, is een binnenzee waar nog lang kadavers van vee en enorme hoeveelheden fruit in drijven. Intussen zijn de rivierdijken op tal van plekken langs Maas en Waal verzwakt door beschietingen en bombardementen. Maar in de vuurlinie is het moeilijk repareren. Nog de hele winter vinden schermutselingen plaats tussen patrouilles met boten en amfibische voertuigen. Vergeefs wordt geprobeerd schepen in de gaten te varen, ze eindigen ver in de polder. Als de vorst komt, bevriest de Betuwe tot een ijzige vlakte.

Engelse artillerie in de Betuwe, 1944 (NIMH).

Nieuwe vloed

De gaten bij Elden en Erlecom zijn nog niet gedicht als het rivierwater eind januari 1945 opnieuw stijgt. In de Betuwe wordt de kanaaldijk opnieuw versterkt, in de Ooijpolder kunnen de geallieerden alleen nog met amfibievoertuigen op pad.

Pas in maart 1945 vallen de gebieden droog en pas in mei keren de eerste evacués weer terug. Ze treffen een ravage aan, na maanden van beschietingen en natuurgeweld. De inundaties in de winter van 1944-1945 zijn de laatste overstromingen in de Betuwe en de Ooij.

Bron voor deze tekst is het boek 'Ooievaar brengt zondvloed' door F. van Hemmen (1995).

Water als wapen

De bevrijding van Nederland in 1944-1945 ging met horten en stoten; de grote rivieren vormden die winter de scheiding tussen bevrijd en bezet gebied. Het water als wapen liet sporen na in het huidige werkgebied van Waterschap Rivierenland. In drie verhalen kijken we terug.